MAANDBRIEF: Juni 2007                                  Print

MET FRISSE TEGENZIN

 Een trekhaak

In de vorige maandbrief (mei 2007) was het thema ‘Voltooi het’. Een optimistische en hoopvolle visie. We kunnen de lijn van ontwikkeling en ontvouwing verder zetten. De gedrevenheid van de Kosmos dragen we ook in ons. Dat is groots, fantastisch.
Wat me bezielt en begeestert is wat mogelijk is, niet wat ik fout heb gedaan.
Er ligt zoveel potentie te wachten tot we het vorm en gestalte geven. Er is geen terminus, geen definitief arriveren. Het leven is een asymptote. De oneindigheid
boeit me. ‘Voltooi het’, niet in de zin van af maken maar met de niet aflatende uitdaging van het rijker en voller te tooien. Het leven als dans, een feest. Het leven vieren.

Mooi, hoor ik je zeggen, maar...naïef, onrealistisch. Kijk rond je, Marcel, dan zie je een ander soort leven: Darfur, Irak, kinderuitbuiting, waanzinnige oorlogen, vrouwenhandel, afpersing en oplichting, misdaad in dure  maatpakken, eigenprofijt in oliebarrels, papaverboeren die onwetend oorlogen bekostigen, heilige oorlogen verpakt in godsdienstmachten, ontkende genocides, arbeiders op straat met een multinational vingerknip, verziekte rechtspraak, planeet aarde die door kortzichtige of berekende verwaarlozing zienderogen sterft...
Een eindeloze rij, een asymptote van verdriet en lijden. Naast de optimistische kurve, oneindig, loopt parallel en verstrengeld een eindeloze kurve van pessimistische, negatieve, destructieve fenomenen.
Nee, ik ben niet naïef. Ik zie ze wel, de beide.

Ik heb een mooi plekje aarde toevertrouwd gekregen, gekozen: mijn tuin. Zelf aangelegd. Zelf bewerkt. Zelf bezweet.
Mijn tuin is een zaligheid, een weelde van kleur, vooral nu in de lente, zomerbegin.. Verleden maand, veel vroeger dan vroeger, vlogen ouder-meesjes af en aan voor hun jongen. Mijn tuin was een landings-en startbaan. Sierlijk, gedreven, onaflatend, zorgend. Op mijn dak en de hagen sjierpen de mussen hevig. Hier sterven ze nog niet uit, de Edith Piaf’s van de vogels. ’s Morgens en in de late namiddag korrelen en kriewelen de merels en lijsters voluit. Een koekoek roept dagelijks naar de zomer. Ik zou bladzijdenvol lyrisch kunnen zijn over mijn aards paradijsje.

Maar, weet je, mijn hemels plekje staat ook vol onkruid: verdomde netels, een pesttapijt van zevenblad, breedgeplekte klodden gras, wilde zurkel met diepe penwortels, brandende berenklauw, piekerige distels, bossen stinkende gouwe...allerlei soorten kruipende stiekeme verdoken rotzakjes, kruiwagens vol.
Want ik heb er mijn handen mee vol en mijn rug krom.
Parallel, zei ik, bloemen en onkruid.

O, daar is zo’n hangerig voorbeeld van: wikke. Plots is het daar, in het voorjaar, omhooggeklommen, zich deskundig gestrengeld rond de stengel van een rozestruik, of pelargonium, bronzen venkel...om het even wat. Klimmend, omstrengelend, parasiterend, verstikkend. Wikke dat zich wikkelend en omwikkelend een web van draden spant.
Of kleefkruid, dat rot tomeloos ding overal op en door en rond, overal in mijn paradijs, elk jaar striemend op mijn armen, sporen van duizende weerhaakjes. Elk jaar duizende bolletjes zaad. Weet je nog: die plakkende bolletjes mikten we als deugniet-kinderen in de haren van de meisjes!

Ik zou bladzijden lang intreurig en zagerig lyrisch kunnen doen over mijn onkruid.
Nee, ik ben niet naïef.
Wil je een tuin dan heb je ook on-tuin. Elk paradijs is omgeven door woestijn (paradezza = ommuurde tuin of oase in een woestijn).

Jarenlang heb ik Vlaamse en andere wegen afgestruind met lezingen allerhande, door weer en wind. Deed ik graag. Maar soms, zo af en toe, na een vermoeiende dag, moest ik al mijn moed en energie samenscharrelen om in godweetwelk verloren dorp te gaan spreken, de zoveelste keer met een of ander door mij overkauwd thema. Dan zei ik bij vertrek aan mijn lieve vrouw:’ Met frisse tegenzin’.

Niet alles heeft zin tenzij je tegenzin ook zinvol maakt.
En daar ging ik dan de avond in, de tuin in, mijn job in, onder de mensen, of zoekend in mezelf, met frisse tegenzin.

Life is short, Break the rules, Forgive quickly, Kiss slowly, Love truly,
Laugh uncontrollably, And never regret anything that made you smile.
Life may not be the party that we hoped for,
butwhile we’re here we should dance.

Weerstandigheid

Leven op deze aarde is leven in en met weerstand.
Het is onze biotoop.
Goesting heeft zijn weerstandige partner in beperking.
Elk geluk wordt beloerd door verdriet.
Om de hoek bedreigt haat liefde.
Elke ruimte kan verkruimelen in verdeeldheid.
Noem me iets en ik antwoord je met zijn weerstand.

We leven in een welvaartsmaatschappij. Die heeft het erg moeilijk met weerstand. Alles moet fun zijn. Grenzen verdragen we niet: the sky is the limit. Men kickt op extremen.
Mag best, maar hoe dan ook: men botst altijd op het tegendeel: Wiederstand.
Dat is nog gezond ook. Ze daagt ons uit. Zonder zou alles rotten in bewegingloosheid.

Ik zie nogal wat mensen een wijde boog maken rond weerstand. In naam van de eenheid gaan ze elke moeilijkheid uit de weg: een soort spirituele weekheid. In crisismomenten gaat men op zoek naar zachte heelmeesters en therapeuten, die voor alles schouderklopjes, zielezalfjes en troostbroodjes uitdelen. In het bijzonder boekje van Andrew Cohen ‘Levende vrijheid’ schreef Ken Wilber een al even merkwaardig ‘Woord vooraf’, een tekst die in de knoesels bijt.

Onder spirituele leraren vind je hen die veilig, zachtaardig, troostend, geruststellend, zorgzaam zijn; en de schurken, de onuitstaanbare figuren, de onbehouwen kerels en nare meiden van de godverwerkelijking, de mannen en vrouwen die je uitdagen, je verontrusten, je schrik aanjagen tot je radicaal bewust wordt wie en wat je werkelijk bent.’
(Ik citeer de tekst completer als meditatie-tekst van deze maand. Zie daar ter plekke.)

De meest complete spirituele leraar – maar ook de psychologische, maatschappelijke, religieuze, politieke of op welk terrein ook – is het leven, het gewone dagelijkse leven. In feite onontkoombaar, maar we maken de meest ondenkbare schijnbewegingen om dit dagelijkse leven te ontlopen, het te verschalken, te negeren... zoekend naar zij- en dwaalwegen, door roes en roetsjbanen, in allerlei gefilosofeer en getheologiseer. We stoppen het leven zò vol en met zoveel stress dat het wordt overwoekerd. We vinden dan de simpele kern niet meer. ‘Druk, druk, druk’ is het nieuwe logo en dus dwingen we ons om de weerstand, pas zichtbaar in stilte en rust en ruimte, te ontlopen.

We zijn verslaafd aan eenzijdigheid: ofwel spiritueel ‘aan deze aarde ontheven’, ofwel verdronken in drukte. Weerstand is het onbetaalbare signaal om te zoeken naar een nieuw evenwicht. Ze haalt ons uit eenzijdigheid.

Elke creativiteit wordt geboren uit weerstand. Niets ontstaat tenzij vanuit weerstand. Schepping is vormgeven aan weerstand. Elke vorm, elke gedachte, elke ontmoeting kan maar tot gestalte komen door haar. Dat is een grandioze paradox. Elke grote kunstenaar weet dat, heeft de worsteling aan den lijve ervaren.
De beeldhouwer vecht zijn idee uit in harde marmer, in de onvoorspelbare weerbarstigheid van hout...
Een schilder zoekt naar de juiste verhoudingen, mengt kleuren, krabt weg, overschildert...
Een architect vecht met licht en duister, met golving of strakheid, met spanning en evenwicht...
Schrijvers struikelen over woorden, ritme, verhaallijnen, plots, raken even wat ze willen uitdrukken, en verzinken dan weer in onvoldaanheid... Het ultieme ligt verder en ‘verder’ is weerstand, geliefde en gezochte en ontmoette weerstand.

Als God, ik zeg wel, als God de schepper zou zijn van deze Kosmos, van deze planeet met alles erop en eraan, dan is hij de geniale uitvinder van de weerstand. Hij schiep daarmee de oneindige mogelijkheden die uit weerstand ontstaan: het Veld.  Hij is de grote Speler, misschien wel de meest verslaafde speler.
Alle typische elementen van een spel zitten vervat in die paradox: verlangen en voldaanheid, nieuwsgierigheid en bevrediging, spontaneïteit en strakheid, speelsheid en regels , en vooral de drang om weer te spelen, weer te scheppen, again and again. The winner takes all. Het aantrekkelijke van spel is de uitdaging van het onvoorziene. Het verrassende, de andere invalshoek, een nieuwe methode, vindingrijkheid. Al deze dingen zijn de essentie van het Veld. Het nodigt altijd opnieuw uit om uit te proberen, te verkennen, te ontbolsteren, te ontsluiten. En eenmaal gevonden en gerealiseerd zet het je aan tot nieuwe pogingen,again and again. Niet alle probeersels leiden tot voldoening Ze lossen niet altijd de verwachtingen in. Toen ik de eerste keer met klei klodderde, boetseren noemen ze dat eigenlijk, was het resultaat verre van mijn innerlijk ‘fantastisch’ ontwerp. Het zakte als een ploem-pudding in elkaar. Ik werd duidelijk geconfronteerd met weerstand en onvermogen. Vermogen en onvermogen zijn tegen-zinnelijk.
Zin wordt ouderwordend on-zin, oud en voorbij. Het achterhaalt zich telkens in nieuw-ontwerp.
Soms is mijn schrijven van een maandbrief leuk, inspirerend. Maar soms is het worsteling om wat ik wil uitdrukken op papier of op computer te krijgen.
Momenten van ‘met frisse tegenzin’.
Situeer je

Het kan verhelderend zijn zicht te krijgen hoe jij omgaat met weerstand. Er zijn soorten mensen! Niet iedereen gaat op dezelfde manier om met zin en tegenzin. Meestal hebben we zelf geen objectieve kijk op onszelf daaromtrent. Je moet bereid zijn om naar jezelf te kijken als een objectieve waarnemer. Makkelijk is dat niet, maar wel de moeite meer dan waard. Het is een verfijning van de kwaliteit van jouw emetionele veld. Doen dus.
Je kan het natuurlijk ook vragen aan iemand die je  goed kent en je dagelijks bezig ziet: jouw partner, vriend of vriendin, raadsman... tenminste als je openstaat voor opbouwende kritiek.

  1. Je bent een vibrator.

Op alles rondom en in je vibreer je.  Je deint mee op elk golfje of golf in jouw omgeving.Dat is vrij chaotiserend. Nu te zot, straks te bot. Je hebt altijd alles gezien, gehoord, gevoeld en reageert daarop. Je neus zit overal tussen.
Dit houdt in dat je over en weer gesmeten wordt tussen zin en tegenzin. Je bent een speelbal. Ideaal om manisch-depressieve hoogtes en laagtes te cultiveren. Het is niet goed voor jouw zelfbeeld want je gaat jezelf ervaren als onvoorspelbaar en onbetrouwbaar.

Als men een vibrator almaardoor gebruikt geraakt hij op, leeg.Geen energie meer dus. Opladen dus.Een spelletje zonder eind.Er is nooit een gevoel van rust en evenwicht. Clown op een slappe koord. Heel dikwijls trek je mensen aan die veel energie komen roven bij je, omdat je zo gemakkelijk energie afstaat. Je zou moeten leren je af te schermen, een zuiniger energie-huishouding eigen te maken. Vooral is het een opdracht om een eigen identiteit te hebben en minder afhankelijk te zijn van ‘buiten en anderen’. Soberder in jouw emotionaliteit, sterker in identiteit.

  1. Je bent slachtoffer

Altijd ben je de peanut. Murphy woont bij je in huis. Het leven is onrechtvaardig voor jou. Je gaat klagend en zuchtend door elke dag. Als de zon schijnt zie jij aan de horizon al wolken drijven. Als het regent ben je even grijs en triestig als een oud gordijn. Je houdt je bezig met het ontwerpen van negatieve scenarios. Onbewust loer je naar alle mogelijke moeilijkheden, reële en irreële. Eigenlijk heb je nooit leuke zin want de tegenzin hangt in jouw gedachten en neus en plakt aan jouw gehemelte. Genieten heb je nooit geleerd. Je zou wel willen maar... altijd is er wel een maar. Je zaagt telkens de poten vanonder de stoel waarop jezelf zit.

Slachtoffer zijn geeft je winst, ziektewinst. Op die manier hoop je aandacht te krijgen, waardering, genegenheid. Je wil dat anderen voor je zorgen, jou verwennen. Maar als ze dat doen kan je dat niet bevestigen uit schrik dat, als je toont hoeveel deugd het je doet, ze misschien stoppen met je te koesteren. Dus blijf je slachtofferen. Probleem is dat je geen duidelijk doel hebt in het leven. Je weet niet waarom je leeft. Je hebt geen levenszin, geen project. Dus sukkel je maar wat, zinloos, zonder perspectief. Kies een doel en ga er voor. Begin met kleine haalbare doeltjes, waaraan je vreugde kan beleven. Vooraleer een bij honing heeft is ze van bloemetje naar bloemetje gevlogen, duizende keren, af en aan, met frisse tegenzin. Uiteindelijk maakt en smaakt ze honing.

  1. Aan de ‘ongelijke baren’

Op de wereldkampioenschappen ‘gymnastiek’ is er een discipline ‘ongelijke baren’. Indrukwekkend. Ik kijk mijn ogen uit op de sierlijke glijdende bewegingen van laag naar hoog, zwevend ertussen eronder erboven. Salto’s, schroeven, handgrepen. Hoe bestaat het, want staan doen ze nooit. Ze zweven. Glijvluchten. Er zijn zo van die mensen die constant in de lucht hangen. Ik noem ze soms ook ‘hanggat’. Ballerina’s hebben dat ook: een hanggat. Hun poep komt hen achterna. Holle rug, wellicht later scoliose. Ze hangen met hun voorsteven gedreven vooruit en met hun achtersteven acuut nergens. Merkwaardig.

Alles aan hen is inauthentiek, fake. Om de hoek verwachten ze een publiek. Alles is podium. Hun zin is gezien te zijn. Afzien om gezien te zijn. Een schreiend innerlijk met een ‘smiling face’. Ongelooflijke gedrevenheid, een taai doorzettingsvermogen...ten koste van zichzelf. Ik zie nogal wat ‘zielen’ in spirituele wereldjes met een hanggat, zwevend, nooit met de voeten op de grond, tegen hun zin op deze aarde. Tranendal.
Zelf op hun podia of zich verhangend aan een podium waarop een of andere‘verlichte’ zijn standje opvoert. Weet je, op die turnkampioenschappen grabbelt soms zo’n meisje naast zo’n baar, want alles is zo nipt en risky ingestudeerd...en smakt dan tegen de matten. Echt levensgevaarlijk. Een zwevend hanggat is levensgevaarlijk. Je hebt geen ondergrond; die negeer je voortdurend. Je staat nergens op. Zoek een stand-punt. Mensen zijn niet gemaakt om te zweven, anders zouden we vleugeltjes hebben of een propeller. 

  1. De weerbarstigaard

Weerstand vind ik een krachtige uitdager. Wie groeien wil houdt van weerstand. Weerbarstigheid is extreem doorgedreven onvruchtbare weerstand. Zó absoluut en eenzijdig dat ze doet barsten. Onverzettelijkheid is een synoniem. Daar is geen wrikken aan. Terwijl weerstand uitnodigt tot bewegen, zet weerbarstigheid zich vast als een spie in een balk. ‘Buigen of barsten’: er is geen greintje soepelheid. Zin verandert dan in onzinnigheid. Er is geen communicatie meer mogelijk. Elk stand-punt houdt in dat men door be-zin-ning en vernieuwd inzicht van stand, van mening kan veranderen. Weerbarstigheid is echter als een betonnen pijler, onverzettelijk. Alleen: er bestaat zoiets als betonrot. Vroeg of laat verkruimelt het.

Sommige mensen doen alsmaar dingen uit weerbarstigheid: hun werk, hun relatie, hun plicht. Ze doen het nauwgezet maar zonder een snuifje liefde.
Er moet ooit en ergens een heel pijnlijk voorval geweest zijn in hun leven, een diep trauma, denk ik. Hun trouw werd onderuit gehaald. Maar ze willen trouw blijven aan die onderuitgehaalde trouw, ten koste van welke prijs ook. Een soort verwrongen heldendom.

Ze zouden veel moeden kneden met klei of met hun voeten in kleffe klei trampelen. Hun koleire d’eruit trappen en knijpen. Veel water ook: drinken, in de regen lopen, zwemmend zich laten drijven. Veel wenen, emmers. Water worden, soepel stromen en vooral veel lachen. Alles losschudden vann het lachen. Zin krijgen voor duizende dingen in plaats van zich te obstiperen door onverteerde verleden gebeurtenissen. Genieten dus, zich durven overgeven aan de ontrouw van dit leven .

  1. De profijtige sluiper

Heel dunnetjes zin. Een flauw oorlogssoepje. Mijn moeder noemde dat: ‘Er kijken meer ogen in dan uit het bord’. Alsof zin-hebben niet mag. Mensen die alles rôntgendoorlichten ‘Niet ademen, niet bewegen’. Weerstand wordt minutieus gewikt en gewogen. Geen durf, geen risico. Spelen op ‘safe’. Het leven op zijn magerst. De dingen worden angstvallig beslopen. Hun energie is als hun portemonnaie: de knip erop. Ze sluipen door het leven om overal de profijtjes op te pikken. Nooit eens echt uit de bol gaan, nooit een folietje. Doodserieus, mager, droog. In hun systeem zit geen irrigatie, geen stroming, alles wordt opgehouden, geen vloeiing. Pure inteelt.

Door hun profijtigheid zijn ze zo breekbaar. Hun energie staat altijd in het rood. Daarom kunnen ze niets weerstandigs aan. Ze doen me denken aan de bange zuinige werknemer die zijn gekregen één talent bewarend in de grond stak.
In weer en wind gaan staan, in open ruimtes. Zoek een gevechtssport, koop een boksbal en mep. Daag jezelf uit. Draag wat morsige kleren en klieder met kleuren. Beschilder jezelf met indiaan-oorlogstatoeages. Ga aan zee en roep – als een Demosthenes – met keitjes in de mond regen de branding in. Leer weerstand smaken.

  1. De generaal

Generaals zijn leiderstypes. Ze bevelen. Ze vragen nooit. Ze zijn geïncarneerde weerstand. Tenminste de oude garde generaals. De nieuwe zijn eerder sofazitters, vrees ik. Echte generaals dulden geen tegenspraak. Befehl ist Befehl. Generaals hebben onderdanen nodig, soldaatjes. Zonder zijn ze niets. De anderen zijn dus hun bezit. Het spreekt vanzelf dat onderdanen geen weerstand bieden, kunnen en mogen hebben. Hun weerstand is noppes.De weerstand van de generaal zit in de vijand. Alle weerstand is vijand. Onduldbaar en uiteraard roept het dus agressiviteit op. Zo kan je zien waarom een leger in wezen onvruchtbaar is. Ze duldt geen weerstand en kan dus nooit creativiteit genereren. Hun doel is totale controle en alle weerstand, elke beweging, elke verrassing wordt de kop ingedrukt, vernietigd. Zo scherp mogelijk elke mogelijke beweging vôôrzien zodat ze geen kans krijgt.

De grote angst van een generaal is dat zijn manschappen gaan muiten. Weerstand van binnenuit dus... daar staat de doodstraf op, of verbanning of excommunicatie... Een leger in vredestijd is altijd alert m.a.w. eigenlijk is er onderhuids altijd spanning, oorlog. Het gaat met enorm veel energie lopen. Sla er maar eens de miljardenbudgetten van de grootmachten op na.. In wezen totaal steriel, geen schotje creativiteit. Sla er maar eens jouw budget op na...randje failliet. Ontwapenen die generaal in je. Loslaten. Zoek je een andere identiteit. Oefenen in verbondenheid. Weerstand en beweging toelaten. Maak ruimte voor de ander. Communicatie. Gelijkwaardigheid en respekt. Vooral veel liefde en nabijheid als antidoot.



VERHALEN EN MEDITATIE – TEKST

Als bezinning- en meditatiehulpjes geef ik eerst twee verhaaltjes Beiden hebben uiteraard te maken met ‘weerstand’.

Als meditatietekst citeer ik een knaller van een lang citaat uit het boekje van Andrew Cohen, het ‘Woord vooraf’ door Ken Wilber.
Echt iets om eerst in de weerstand te gaan van het verschieten. Nog eens lezen en nog eens om het in je toe te laten. Absoluut reinigend met de grove borstel. Ik ken geen wasmiddel dat witter wast.

Verhaal 1 : ‘hoe kon jij weten..?’

Toen ik nog in Gent woonde was er niet ver van mijn huis een atelier in een smal straatje. Op een dag dieselde een zware truck het steegje in, centimeters stuurkunst. Op de oplegger lag een grote brok ruwe marmer. De vracht werd er afgetakeld met veel moeite. De massale rots had even de aandacht getrokken van de buurtbewoners, maar lag nu volkomen anoniem midden de werkruimte. De volgende dagen kon men het aritmische beitelen horen van de beeldhouwer. Een klein nieuwsgierig meisje had haar kopje door de open kier gestoken en zag een bezwete man stukjes steen afslaan van de kolossale brok. Elke dag sloop het binnen en nestelde zich onzichtbaar op een hoopje jutezakken in een donker hoekje. De man was zó benomen door zijn labeur dat hij haar niet eens opmerkte.

Dagen en dagen duurde dit moeizaam dansend ritueel van de man rond de rots. Stilaan werd een vorm geboren. Toen begon hij te schuren en te polieren. Het meisje telde de dagen en er waren veel vingertjes van veel handen voor nodig. Het raakte de tel kwijt. Eindelijk was het zover, eindelijk wandelde de man traag en glunderend rond het beeld.
Het meisje kwam ook uit haar hoekje en stilletjes naderde ze de beeldhouwer, trok hem aan zijn mouw en vroeg: ‘ Meneer, hoe kon jij weten , toen  de camion die brok bracht, dat daar zo’n schone mevrouw in zat?’

Verhaal 2 : Michelangelo

Er bestaat een legende rond het beeld ‘de Mozes’ van Michelangelo.
Zal ik het jou even vertellen.

Van de toenmalige paus kreeg Michelangelo een bijzondere opdracht. In één van de vele kerken van Rome moest er een imponerend beeld komen van Mozes. Er moest iets vurigs vanuit gaan, het moment weergeven waarop Mozes  nog stralend van zijn ontmoeting met Jahweh de stenen tafelen aan zijn volk toonde. Kracht en mystiek en Leven. Mozes timmerde een stevige stelling in de kerk rond de brok marmer en werkte dagen en nachten. Soms was hij uitgeput van zijn bezetenheid, sliep dan nauwelijks een paar uur en ging dan weer met een heilig enthoesiasme aan ’t werk. Het was  alsof hij , net als het volk van Israël in de woestijn, knorde van ontevredenheid, van dorst en hitte en hij vocht met hen. Hij voelde hoe hij geboetseerd werd door Jahweh en in zich heel het morrend volk voelde, hoe hij door die twee werd gemaakt.

En die kracht stak hij in steen. Op een avond, eigenlijk was het al nacht, was het af: zijn Mozes. Hij ging er een eindje af staan en bekeek het met brandende ogen. Was het door het licht van de maan, was het door zijn bezeten blik, dat hij meende dat Mozes bewoog, dat Mozes keek met nog de glorie van Jahweh in zich..? ‘Maar leef dan toch!’, schreeuwde hij en smeet zijn beitel met kracht, verwachting en koleire naar het beeld en trof het in de knie.
Daarom kan je in het beeld, ter hoogte van de knie, een duidelijke gaping zien, de plek waar de beitel de knie trof.

3. Leestekst ter meditatie

Ken Wilber in het boekje van Andrew Cohen, Levende vrijheid. Gids voor radicale verlichtingdoor een revolutionair  spiritueel leraar. Altamira-Becht, Haarlem, 2002, pp.7 – 12.

‘Woord vooraf.

Onder spirituele leraren vind je hen die veilig, zachtaardig, troostend, geruststellend, zorgzaam zijn; en de schurken, de onuitstaanbare figuren, de onbehouwen kerels en nare meiden van de godverwerkelijking, de mannen en vrouwen die je uitdagen, je verontrusten, je schrik aanjagen tot je radicaal bewust wordt wie en wat je werkelijk bent. Mag ik een voorstel doen? Kies je leraren zorgvuldig. Als je bemoediging wil, een lieve glimlach, streling van je ego, vriendelijke stimulering van zelfbeperkend gedrag, schouderklopjes en zoete woorden van troost, ga dan op zoek naar een prettige man of aardige vrouw, en houd zijn of haar hand vast op het aangename pad van stressvermindering en comfort voor het ego. Maar als je verlichting wil, als je wil ontwaken, als je verteerd wil worden door het vuur van gepassioneerde oneindigheid, dan beloof ik je:  zoek een onbehouwen kerel of nare meid, iemand bij wie je je slecht op je gemak voelt, die je doodsbang maakt, die je bliksemsnel aanpakt en belachelijk maakt, die je laat wensen dat je nooit geboren was, die je geen vriendelijke bemoediging brengt, maar diepe ontreddering, geen suikerzoete troost, maar verschroeiende angst, want dan, en alleen dan, zou je wel eens op weg kunnen zijn naar je oorspronkelijke gezicht.

De meesten van ons, ben ik bang, willen graag dat hun leraar van het aardige type is. Zacht, troostrijk, niet-bedreigend, een bron van steun voor een afgetobde en vermoeide ziel, een veilige haven in de storm van  samsara. Daar is natuurlijk niets op tegen; spiritualiteit is er in allerlei smaken en ik heb enkele verschrikkelijk aardige kerels gekend. Maar als die smaak zich op verlichting richt in plaats van op troost, als hij sussende dromen achter zich laat en afstevent op echt ontwaken, als godverwerkelijking het doel is, niet versterking van het ego, dan eist dit een nietsontziend, shockerend sterven: een letterlijke dood van je persoonlijke zelf, een pijnlijk, angstaanjagend, afschuwwekkend oplossen – een wonderbaarlijk uitdoven, waarvan je getuige zult zijn terwijl je groeit in die grenzeloze, vormeloze, radicale waarheid die tot in elke cel van je lichaam doordringt en tot in het diepst van je wezen verzadigt, en dat wat je als jezelf beschouwde, verruimt tot het verre melkwegstelsels omvat. Want alleen aan de andere kant van dit sterven bevindt zich de Geest, alleen aan de andere kant van vernietiging van het ego zijn het goede en het ware en het schone te vinden. ‘Je zult ter zijner tijd inzien dat waar jij ophoudt te bestaan, je ware glorie ligt’, zoals de vermaarde Sri Ramana Maharshi voortdurend benadrukte. Je ware glorie ligt aan de andere kant van je dood, en wie wijzen je daarop?

Niet de aardige kerels en de lieve meiden. Zij willen je niet kwetsen. Zij willen je niet overstuur maken. Zij zijn er om je lieve woordjes in het oor te fluisteren, en in je uitgestoken hand van zelfbeperking een troostprijs te leggen, balsem voor een moegestreden, uitgeput ego, technieken om het overeind te houden in zijn constante gevecht met de wereld van andersheid. In zekere zin is het heel gemakkelijk om een leraar van het aardige type te zijn: geen tumult, geen opwinding, geen geworstel meer met weerspannige ego’s, geen uitputtende confrontatie. Wees aardig voor het ego, geef het schouderklopjes, laat het zijn ademhalingen tellen, een paar mantra’s neuriën.

Onbehouwen kerels weten wel beter. Ze zijn er niet om te troosten, maar om te verpletteren, niet om gerust te stellen, maar om te slopen. Ze doen geen water bij de wijn, zijn nietsontziend, scherp als een laser. Ze dagen je uit tot je je oorspronkelijk gezicht herkent – en ze laten je gewoon niet met rust, ze weten niet van wijken, ze geven niet op tot je loslaat – radicaal, totaal en zonder aarzeling. Ze zijn mededogen – ècht mededogen, niet het mededogen van een idioot – en het echte mededogen gebruikt vaker een zwaard dan een lekkernij. Ze kwetsen het ego diep (hoe groter de gekwetsheid, des te groter het ego). Ze leven als waarheid, ze worden overal geconfronteerd met ego’s, en ze kiezen nietsontziend voor het eerste.
Fritz Perls, grondlegger van de gestalttherapie, placht te zeggen dat mensen niet naar een therapeut gaan om beter te worden (hoewel ze dat altijd zeggen); ze komen eigenlijk hun neurose perfectioneren. Zo gaan mensen ook niet naar een spirituele leraar om verlicht te worden (hoewel ze beweren dat het wel zo is); ze zoeken een spirituele leraar juist op om subtielere en geraffineerdere egospelletjes te leren spelen – zoals het spel ‘Kijk eens hoe spiritueel ik ben’.
Wat is het per slot van rekening dat je naar een spirituele leraar drijft? Het is niet de geest in je, omdat die al verlicht is en nergens naar hoeft te streven. Nee, het is het ego in je dat je naar een leraar voert: je wil jezelf het spirituele spel zien spelen, je wil jezelf morgen als verwerkelijkt wezen begroeten – eenvoudig gezegd, je wil dat je ego voortbestaat in een spiritueel paradijs.

En wat moet de arme leraar beginnen die met deze listige ego’s wordt geconfronteerd? Iedereen die naar een spirituele leraar gaat, is gemotiveerd vanuit het ego. Leraren kunnen twee dingen doen bij zo’n woeste aanval door het persoonlijke zelf, zo’n conferentie van vernauwing: ze kunnen het publiek ter wille zijn, of ze kunnen het hele gebouw in de lucht laten vliegen.

Andrew Cohen is een onbehouwen kerel. Hij is er niet om troost te schenken; hij is er om je aan ongeveer duizend stukken te scheuren... zodat de oneindigheid je weer in elkaar kan zetten, vrijheid in de plaats kan komen van gevangenschap, volheid angst kan overschaduwen. En dat zal gewoon niet gebeuren als je alleen maar uit bent op troost, geruststellende gebeden of rimpeloze clichés, zoals: ‘ Alles komt wel goed’. Wel, alles komt niet goed als je verlichting wil. In feite komt er ellende, en alleen onbehouwen kerels zijn onbehouwen genoeg om je dat te vertellen en je dat te laten zien – als je de onbehouwenheid kunt verdragen. Stel je bloot aan het vuur, laat je schoon branden tot oneindigheid, straal als de sterren.
Elke diep verlichte leraar die ik heb gekend, was een onbehouwen kerel of een hatelijke meid. De oorspronkelijke onbehouwen kerels waren natuurlijk de grote zenmeesters die, geconfronteerd met het zoveelste ego dat beweerde verlichting te willen, een eind hout pakten en de aspirant recht in het gezicht sloegen. En dat was nog maar het begin,dat was het gemakkelijkste deel; het werd al snel beroerder – maar achter die meedogenloosheid lag altijd de verwerkelijking, een ontzettend, schokkend sterven van het zelf, en de stralende opstanding van oneindige geest als je eigen ware natuur: als je het tenminste aankon. Onbehouwen kerels maken je het zo moeilijk, ze spuwen vuur, eten hete kolen, verschroeien in een krijsende seconde je edele delen, verzengen je ego. Voordat je weet wat je overkomt laat je je zelfbeperkende angst varen en je geraffineerde afweer verdampen: als je het aankunt.

Ik heb leraren van het aardige type vaak horen zeggen hoe onbehouwen Andrew Cohen is, en ik denk: ‘Jullie moesten het eens weten.’ Ik heb vaak horen zeggen dat Andrew lastig is, mensen kwetst, prikkelbaar is, en ik denk:
‘God zij dank.’ Eigenlijk is elke kritiek op Andrew die ik ooit heb gehoord een variatie op :’Hij is erg grof, vindt u niet?’ En ik glimlach de breedste glimlach die je ooit hebt gezien. Zonder de onbehouwen kerels en hatelijke meiden der godverwerkelijking zou de geest in deze vreemde wereld een zeldzame bezoeker zijn.

Andrews tijdschrift What Is Enlightenment? bijvoorbeeld, is het enige mij bekende tijdschrift dat intens, waarachtig en verschrikkelijk grof is: dat wil zeggen, het enige tijdschrift dat de moeilijke vragen stelt, de heilige koeien slacht en zich ongeacht de gevolgen met de waarheid bezighoudt. Het tijdschrift legt precies de grofheid aan de dag die noodzakelijk is om de zelfvoldaanheid vann het ego te verpletteren, een zelfvoldaanheid die misselijk maakt, dom, walgelijk en verstikkend is en verdrinkt in haar eigen zelfvoldaanheid. Je kunt je maar het beste diep gekwetst voelen door Andrew; hij is inderdaad verdomd grof.
Wat denk je, kun je het aan? Of hoor je liever meer vriendelijke woorden van troost, krijg je liever meer troostprijzen voor de verlichting die je blijft ontgaan? Wil je een schouderklopje of ben je bereid je te laten villen en roosteren?
Mag ik het volgende voorstellen?

Als je het aankunt, zul je inderdaad gaan beseffen dat waar jij ophoudt te bestaan, je ware glorie ligt, waar de zelfvernauwing is opgelost in het onmetelijke uitspansel van de totale ruimte, waar je persoonlijke zelf is verbrand en vervangen door luisterrijke oneindigheid – een radicaal loslaten, veel te vanzelfsprekend om te begrijpen, veel te eenvoudig om te geloven, veel te dichtbij om te bereiken – en je ware zelf zal zijn aanwezigheid geruisloos, maar zeker aankondigen, terwijl het kalm het hele universum omvat en complete melkwegstelsels verzwelgt.

Kortom, als je eraan toe bent om je eigen oorspronkelijk gezicht te herkennen, als je in staat bent midden in een laaiend vuur te staan dat je hart doet smelten en ontvankelijk maakt voor de eeuwigheid, zit je hier goed.
Op de volgende bladzijden zul je merken dat Andrew Cohen een onbehouwen kerel is die te werk gaat met nietsontziende integriteit, met een integriteit die blijk geeft van mededogen met je ware zelf en die je ego met een eind hout te lijf gaat. Als je het aankunt, stap dan de ware keuken van je eigen ziel binnen, en ontmoet daar niemand minder dan de stralende God van de hele Kosmos. Want het is de stralende geest die nu uit jouw ogen kijkt, nu met jouw tong spreekt, nu de woorden hier op deze bladzijde leest. Je ware zelf is grootse geest, nu en altijd en er is een zeer, zeer onbehouwen type voor nodig om je daarop te wijzen en je te blijven uitdagen tot je je eigen oorspronkelijk gezicht herkent, dat zelfs hier en nu al schittert.’

Ken Wilber

 

up naar boven


Terug