MAANDBRIEF: maart 2007                                  Print

JE GATEN IN DE GATEN KRIJGEN
OVER ONDERSCHEIDINGSVERMOGEN



Energie

 

Alles is energie. Het Veld bestaat uit talloze morfogenetische velden. Kortom, het wriemelt en wemelt rond en in ons van allerlei.
Energie is dus eigenlijk’ energieen’, een georgeniseerde wirwar, een gigantisch breiwerk, een verwevenheid van op elkaar inspelende krachten.
Ik ben dat zelf en ikzelf zit in dit patchwork.

Ik heb eens een technicus van de telefoonmaatschappij bezig gezien, druk doende in zo’n grijs kastje naast de weg of onder een typisch tentje.
Gekabel met bosjes draden van allerlei kleur. ‘Hoe speelt ie het klaar, hoe onderscheidt hij welk waaraan te koppelen?’, dacht ik toen.
Om tureluurs van te worden.
Wel, met alle respekt, maar het werk van die technicus is kinderspel bij wat ieder van ons feitelijk elke dag doet of zou moeten doen.
Onderscheiden en verbinden.
Een massa impulsen bombardeert ons voortdurend. Vermits alles energie is zendt alles golven uit, prikkels, signalen.
Die voelen we allemaal, je mag nog een olifantenhuid hebben.
Eigenlijk noemen we dit nogal nonchalant ‘leven’. We stellen ons daar onachtzaam niet veel vragen bij.
We ondergaan die impulsen. We zou kunnen zeggen ‘het één oor in en het ander uit’ of hertaald ‘de ene cel in en de andere weer uit’.
Maar zo simpel is het niet.
Impulsen, vibraties laten sporen na zoals het zeewater op het zandstrand of geluid op een bandrecorder.
Er zijn impulsen van allerlei soort: zachte en harde, emotionele en fysieke, hemelse en helse...
en we hebben die grotendeels vastgelegd in taal, in woorden. Eindeloze rijen van benamingen,
waarin we trachten vast te leggen wat die dingen in ons teweegbrengen.
Maar telkens merken we weer dat er nieuwe impulsen ontstaan en dus moeten we nieuwe namen zoeken.
Energie heeft een mateloos eindeloos vermogen tot creativiteit. Ze schept ononderbroken.
Is dan de vraag ‘Hoe moet ik omgaan met die energieen?’ niet  absoluut noodzakelijk?
Hoe kan ik orde brengen in die wirwar?
In feite is dat de vraag naar ‘hoe kan en wil ik leven?’ Laat ik maar begaan , onderga ik gelaten en onbewust?
of wil ik baas zijn in mijn eigen energiehuishouding?
Weet wel: dat is een keuze met consequenties.
Of terugkeer naar de vleespotten van Egypte. Men kiest in mijn plaats. Ik slaap.
Of dwars door woestijnland met heel de reutepeteut van stenen tafelen, de gouden stier, het gemor en ongeloof,
de dorst en honger, soms manna en het gesjouw met de ark van verbondenheid...
Ga d’er maar aan staan! Da’s zelf het leven leven, bewust.

Bewogen

Leven is bewegen, stromen, veranderen. Meestal denken we dat we zelf alles in de hand hebben.
We hebben de indruk dat wij een stilstaande kern hebben een ik, en dat de dingen rondom ons bewegen of stilstaan.
Of eigenlijk dat wij ze doen bewegen. Net alsof we een oude wekker of een speelgoedje opdraaien, of een auto doen starten.
Wij zijn de bewegers, de ingangstekers.
In feite kijken we met een zeer materialiserende blik. Ik bedoel: een huis is voor ons een geordende hoop stenen,
een boom is een groot stuk hout, een vijver een grote plas water, een lichaam een compex geheel van cellen, de lucht momenteel vervuilde zuurstof enz. Simpel.
We kunnen daar een verdere vorm aan geven, maken het nuttig, esthetiseren het wat, designen het... Wij bewegen het, veranderen het. Denken we.
Een staaltje van verregaande materialisering is dat CO2-uitstoot nu internationaal kan verhandeld worden. Of het verhandelen van menselijke organen.

Energie werkt echter in en uit verschillende richtingen. Ik ben niet alleen beweger. Ik word ook bewogen.
Ik word ook veranderd, ik word ook doorstroomd, beinvloed. Wat doet die boom mij? wat doet die auto mij? wat doet chocolade met mij?
wat doet rijkdom of armoede mij? wat doen muizen mij? het regenwoud, mijn buur, porno, oorlog, een madeliefje, een ezel, mijn baas, mijn partner..?
de lijst is werkelijk eindeloos. De lijst is ‘het huis waarin ik woon’. De lijst bevat de ganse wereld en alles wat nog verder ligt.
Ik word bewogen. Het gebeurt mij. Alles beweegt mij.

Leg je ik even stil. Beweeg niet of tenminste zo weinig mogelijk. Denk niet of zo weinig mogelijk.
Kijk.
Ervaar.
Laat de dingen spreken.
Luister.
Besef hoe zij jou bepalen, hoe zij, in hun eigen taal, met jou communiceren.
De muur zegt:’ Ik ben hard, bots niet tegen me.’
De roos zegt :’ Ruik je me? Ik riek naar roos. Pas op voor mijn doornen.’
De horizon zegt :’Verken me. Ik open voor jou een wereld.’
Een vrouw zegt :’ Zoen me...want ik ben het waard.’
Wie dit excellent begreep en heeft neergeschreven is de Saint-exupéry in ‘De kleine Prins’.
Wondere conversaties in dat niemandsland- woestijn met de vos, de roos, zijn kleine planeetje...
Heel veel wetenschappers – en ze hebben die ziekte massaal verspreid – hebben zichzelf ongelooflijk arrogant de
macht toegeeigend eenzijdig te communiceren met ‘de dingen’. Dingen zijn stom. Ze zeggen niks, zeggen zij.
Zij ontwringen de dingen hun eigenschappen. Zij leggen de dingen wetten op.
Zij zeggen hoe de dingen in elkaar zitten, zoals theologen zeggen hoe God in elkaar zit, in de meest bizarre brouwsels.
Zij zeggen hoe ze moeten reageren.
En natuurlijk vinden ze wat. Maar een echte ontmoeting is het niet. Ze luisteren niet. Ze worden niet bewogen.
Eén van hun onderzoeksvoorwaarden is trouwens onbewogenheid, objectiviteit d.i. iets tot ding maken, stom.
Maar telkens verrassen die dingen hen, ondanks hun arrogantie. Telkens moeten die wetenschappers zeggen:
’Hé, dat hadden we niet gedacht’. Wat ze vinden noemen ze dan ‘hun uitvinding’’ en patenteren het.
Nou, iets dat er al eeuwen lag, iets wat voor ‘het ding’ zelf vanzelfsprekend was.
Altijd al, gewoon. Iets waardoor de vinder nu bewogen werd, maar waarvan hij vindt dat hij het gevonden heeft, uitgevonden.
Het is niet omdat dingen stil en bescheiden zijn dat ze geen taal hebben.
Energie spreekt, drukt zich uit, heeft haar eigen klank, geur, kleur. Ze heeft haar eigen bodylanguage.
Alles heeft zijn eigen body, eigen vorm. En elke vorm heeft zijn eigen vibratie, trilling (golven deeltjes).

Er zijn dus duizenden talen te leren. Echt waar;
Of duizenden sleutels om te ontsluiten.
Of duizenden codes om te ontcijferen.
Het ik daarentegen kent maar één taal : de zich herhalende iktaal.
Ik zal nooit de roos begrijpen als het niet roos zal spreken. Alleen wanneer ik dichterbij kom,
behoedzaam en respektvol voor ‘het andere’, kan ik merken hoe ik bewogen word.

 

Dichter

Soms
is een dichter
dichter
bij de werkelijkheid.

Heel even
dichterbij
houdt hij de adem in
en ziet een onvermoede zin
in wat hem wordt gegeven.

Die gratische verwondering
- extatische afzondering –
is plots weer  weg en vreemd
en alles wordt  weer ding.

Een dichter
is maar soms wat dichter.

marcel ploem
uit de bundel ‘de dag dichten’

 

Het Veld en mijn veld

Okee, dus: alles is energie, alles beweegt en ik sta  voor de opgave om duizenden talen te leren.
Geen klein bier, zo lijkt het, maar anderzijds toch vol belofte. Ik doe het, maar hoe?

Hét Veld is allesomvattend, zo groot. Dat overzie ik (voorlopig nog) niet.
Laat ik het dus wat kleiner aanpakken: mijn eigen veld. (Natuurlijk is mijn veld eigenlijk ook hét Veld).
Stellen we het eenvoudig zò voor: Ik zit in een omwalde stad. Je weet wel: vestingmuren en hier en daar een stadspoort.
Daarbinnenin dat ben ik. Ik ben die stad. Daar is de stapelplaats van mijn energie, mijn leven.
Mijn stad is een leuke drukke bedoening. Allerlei volk heeft daar zijn intrek:
handige harries, gedreven handelaars, sjoemelaars ook, muzikanten en kunstenaars, wat leeglopers en lummelaars,
speelse ravottende kinderen, spijbelaars, wat wulpse mensen ook, spirituele zoekers, een klad autoritaire notabelen...
In deze stad, die ik ben, zit dus talent en oppervlakkigheid, goed en kwaad, vruchtbaar land en onontgonnen wilde stukken grond.
Zò ben ik, zò ben jij.
Een stad is een aantrekkingsplaats. Allerlei volk wil erin. Er is veel te koop, ook dingen die het daglicht niet mogen zien.
Er wordt veel binnengesmokkeld, ook rommel.
Het is ook een uitvalsbasis. Vanuit de stad vertrekt veel naar het platteland en andere steden.
Aan de stadspoorten was er vroeger controle. Er stonden wachters en tolbeambten.
Kan jij bij jezelf dit beeld oproepen? Zo’n stad ben ik, zo’n stad ben jij.

Soms noemt men dit leefveld ook de eigen aura: jouw persoonlijk stralings- of trillingsveld.
Maar dit, hoe waar en juist ook, is wat te abstract. Een stad kunnen we ons beter voorstellen.
Als een stad niet goed bestuurd wordt, labbekakken die regeren, is het na een tijdje een zootje.
Men is zich niet bewust wat er allemaal in omgaat. Men laat maar begaan.
De wallen brokkelen af en er komen gaten in, sluipwegen. Geen flauw benul wat er langs die gaten binnen- en buitengaat.
Bij vijandelijke aanvallen is ze ten prooi aan plunderingen. Schorremorrie maakt er haar nest van.
Telkens weer moet er puin worden geruimd, gedicht, heropgebouwd. De inwoners worden er depri van en ontmoedigd door.
En telkens weer wordt de stadskas leeggehaald. Eén hallucinante vicieuze cirkel.
Het is het exacte beeld van jezelf als je geen werk maakt van onderscheidingsvermogen.
‘Jamaar, hoor ik je zeggen, zo is het bij mij niet gesteld.’ Ben je zeker?
Ken je jouw verdoken smokkelpaadjes, jouw escaperoutes?  Welke zijn jouw maffieuze gedachten, of jouw paperazzi-roddel-
jongens? Echt waar, ze leven viraal in ons, in ieder van ons. Net zoals virussen met een ongelooflijk vermogen tot mutatie.
Nou, dat is dus opletten geblazen. Het veronderstelt een constante achtzaamheid.

Je gaten in de gaten krijgen

Het eerste wat je als burgemeester van jouw stad moet doen is alle gaten in jouw omwalling in kaart brengen.
Dus in jouw veld (aura) alle gaten in de gaten krijgen. De ‘va et vient’, het verkeer van de energieen, hun stroming, en patronen onderkennen.
Wat komt er bij mij binnen en wat loopt bij mij buiten. Gewoon de energieen inventariseren. Dat is een karwei, ik verzeker het je.
Om te kunnen onderscheiden moet ik eerst de boel overzien. Geen beginnen aan? Teveel? Zet er dan flink de schaar in.
Misschien was dat wel de oorspronkelijke bedoeling van de vasten- en adventtijd:
eens flinke grondige schoonmaak, een serieuze dosis soberheid, niet alleen voor het eten, snoepen en drinken,
maar vooral een innerlijke soberheid. Zo krijgen we weer overzicht van onze stad.
In sommige streken gooit men op een bepaalde dag alle overtollige rommel door de vensters op straat
en laat men dit gepaard gaan met luidruchtig geroep en uitzinnig dansen... om de boze geesten te verdrijven.
Hertaal: om zich van de belastende energieen te bevrijden. Bij ons is dit verschraald tot tweemaal per jaar groot huisvuil netjes op de stoep!
Zie je, we geloven niet meer dat ‘dingen’ energetisch geladen zijn. Het is maar materie. Wat een vergissing!
We hebben niet eens in de gaten dat we de energie van ‘die dingen’ opnemen en er dan belast en beladen mee rondtjolen.
We zoeken dan escapes voor die overbelasting.
Weet je dat katten bij mensen op schoot komen om de negatieve energieen op te nemen.
Als ze ‘vol’ zijn lopen ze plots van die schoot weg, om het ergens buiten te ontladen.
Wisten ze al lang in Egypte vroeger. Wij doen dat met pillen, massa’s pillen.
Goed. Faze 1 is dus: je gaten in de gaten krijgen en dichten.
Mijn stad hermetisch afsluiten? Potdicht? Saai ,zeg! Tuurlijk niet. Je zou stikken, geen beweging meer, geen emoties...
De stad zou niet leefbaar zijn. Maar alles zomaar door die gaten in en uit laten lopen? Ook niet, noway.
Wat je moet installeren vergelijk ik dikwijls met het diafragma van een fototoestel.
Dat kan je meer of minder openen of sluiten.
Stel je voor: heel jouw stralingsveld kan je omgeven door duizenden diafragmas of observatiecameras.
Elk van die diafragmas kan afzonderlijk reageren: open, beetje toe, toe. Noem het osmotische membranen (ons lichaam zit daar trouwens vol van).
Check eens een tijdje of jij wel van die diafragmas hebt – of staan jou ramen en deuren altijd tochtig open als bij een bouwvallig huis?
en check of ze flexibel open en toe kunnen – misschien zijn ze door de jaren heen wat vastgeroest.
Nou, zover zijn we al. Hoe verder nu?

Benoemen

Vergeet niet: wat binnen- en buitengaat bij jou zijn energieen, krachten dus. Zoals jij, met jouw invloed bij iemand kan binnenwandelen of binnendringen –
al of niet uitgenodigd (je bent een cluster van energieen), zo kunnen  allerlei energieen krachtig of sluipend of slinks of gecamoufleerd bij jou binnen.
Je kan die pas hanteren als je ze bij name kent. Benoemen is dan ook de inhoud van faze 2. Iets of iemand een naam geven is erg krachtig.
Met benoemen, door woorden pakken we de energie in. Probeer maar eens.
Bv. Ik zeg ‘chocolade’. Door dit te zeggen zonder ik het benoemde af, haal het op de voorgrond.
Het is dus geen koekje, geen steen geen brood... Ik weet zijn eigenschappen: wat bitter, smelt op lichaamstemperatuur, is lekker, geeft troost,enz.
Hoe aandachtiger ik het benoem, des te beter ken ik zijn eigenschappen.
Eigenlijk neutraliseer ik door mijn aandacht de macht van de chocolade.
Focus ik me echter obsessioneel op chocolade, dan hypnotiseert hij mij.
Kijk ik met achtzaamheid daarentegen dan ontstaat er een evenwicht tussen mijn aandacht en de energie van chocolade.
Oefen met andere dingen of mensen uit jouw omgeving en je zal verbijsterd staan over jouw relatie met die dingen en mensen en vice versa.
Je zal ontdekken wat en hoe intens ze jou wat zeggen.
 Zie je wel, je leert op korte tijd veel talen. Die van chocolade, frieten, sigaretten, die van jouw partner, jouw tuin, de maan... Go on!
In de wereld van de reklame weet men al lang dat alles een eigen stralingsveld heeft.
Zij maken gebruik van de eigenschap van de dingen (of mensen). Denk maar aan het boek ‘The hidden persuaders’.
De laatste tijd loopt er een tv-clip. In een gezin is het etenstijd. Op een bord liggen  een bal gehakt, een portie puree en doperwtjes.
Het bord staat klaar voor iemand die blijkbaar niet komt opdagen.
En dan krijgen gehaktbal, puree en erwtjes elk een mond of mondjes en zingen:
’Laat ons niet wachten, want we worden koud!’
Heerlijk toch.

Onderscheiden

Stilaan, door oefening, gaan we energiepatronen zien en geven we ze een naam.
We ervaren daarbij hoe krachtig, aantrekkelijk, afstotelijk, bezitterig, hypnotiserend...ze zijn.
Let ook po de woorden in de taal. Woorden duiden dikwijls door hun klank de soort energie aan.
Bv. buitenlanders vinden onze woorden ‘vader ‘ en ‘moeder’ heel zacht van klank.
Zeg eens heel aandachtig ‘chocolade’ en je zal constateren hoe de twee o’s (cho-co) die hard zijn, smelten in het langgerekte –laaade.
Nieuwe moderne woorden hebben die ener’gieverwijzing veel minder bv. Computer of m3-speler.
Na een tijd ga ik energieen onderscheiden: woede is anders dan boos-zijn, verliefd is anders dan liefde,
goesting is anders dan honger, haat is anders dan ruzie, verwaarlozing is anders dan slordigheid...
Ik ga merken dat bepaalde dingen bij sommige mensen een ander effect hebben.
Hoe meer je je oefent, hoe subtieler je woordenschat en verfijnder je onderscheidingsvermogen.
Bv. – witziedend van woede, razend, boos, kwaad, obsessioneel, verslaafd, gewoonte, gezellig, sociaal, nooit (bij roken of drinken)
Zo kan je onderscheiden in intensiteit, frequentie, gelinkt aan omstandigheden enz. Onderscheiden is faze 3 in het leerproces.

Geeigend of niet-geeigend

‘In het huis waarin ik woon’ kan een eindeloos salvo van impulsen op mij afkomen, schot na schot.
Je hebt ze gezien en benoemd en onderscheiden. Zover zijn we al.
Overschat je niet. Denk niet te vlug: ik heb ze door, ik heb ze bij de lurven en onder controle.
Energieen zijn als water: ze zoeken altijd een nieuwe bedding. Heel creatief, buitengewoon vindingrijk.
Ah! Nu komen mijn diafragmas in actie!
Uit ervaring weet ik, door vallen en opstaan, dat niet alle energieen goed zijn voor mij, mij deugddoen, mij doen groeien.
Bovendien is wat goed is voor een ander niet ipso facto goed voor mij. Bv. voor mijn vriend is chocolade prima,
maar als leverlijder moet ik er erg voorzichtig mee zijn.
Dan sluit ik mijn chocolade-diafragma tamelijk goed af, op een kiertje. Een beetje kan wel.
Sommige dingen dus wel, andere niet.
Sommige soms wel, en dezelfde soms niet, al naargelang de omstandigheden.
Ik noem dit fenomeen: geeigend of niet-geeigend.
Ik bedoel hiermee dat bepaalde energieen mijn diepste zelf, mijn eigenheid bevestigen, terwijl andere me vervreemden van mezelf.
Misschien kan je ook zeggen: dit klopt of dit klopt niet... met wat? Met mezelf, met mijn waarden, doelen, met mijn ‘ziel’
(das Ziel is het duitse woord voor doel, bestemming), met mijn keuzes. Eigenlijk zeg ik hier: met hoe ik wil leven.
Vooraan, in het stukje ‘Energie’, noemde ik energie leven. De soort energie die ik kies, toelaat.
Door ervaring, het spelen en experimenteren met energieen leer ik stilaan weten wat voor mij geeigend is.
Levend heb ik het geweten. Wat voor mij klopt wordt dan mijn geweten. Wellicht moet ik ‘mijn geweten’ dan nog toetsen aan het weten van anderen.
Mijn ‘weten’ mag niet louter individueel ‘geeigend-zijn’ zijn. Het moet ook nog kloppen met de velden van anderen en het Veld.

Besluit

Ga er eens mee aan de slag. Weet wel dat ik dit niet als dé methode zie. Maar het kan helpen zicht te krijgen op jezelf.
Hoe je leert onderscheiden maakt niet uit, als het maar gebeurt.
Je komt in alle geval een flinke portie over jezelf te weten en evenveel over al die verschillende dingen in jouw veld, het veld van anderen en het Veld. En je zal de samenhang zien.
In deze Watermantijd is het belangrijk deze verwevenheid te beleven met heel jouw hebben en houwen.

Succes ermee en vooral veel goede moed en volharding!

up naar boven


Terug