MAANDBRIEF: November 2007                                  Print

DE SPELBREKERS

Non-woorden

Vorige maand schreven we over AANWEZIGHEID.
Misschien heb je zelf wel de link gelegd met de maandbrief ‘Alles heeft zijn Oei en zijn Oh’. Oei en Oh behoren in feite tot de wereld van de vormen nl. hoe we over dingen en mensen denken, welke emoties ze bij ons oproepen. Pijn, verdriet, angst... enerzijds en tevredenheid, verrassing, blijheid...anderzijds.
M.a.w. ze zijn denk- en emotiereacties, manieren waarop we onze oordelen uiten. Bij nader toezien halen ze ons weg van ‘aanwezigheid’. Natuurlijk springen er oei’s en oh’s op in ons. Op zich is er niets mis met gedachten en gevoelens. Die zijn als wolken die aan ons gedachtenfirmament drijven of als beekjes (stromen, rivieren...) die ons meevoeren.
Niks mis mee tenzij ze ons gaan beheersen, overheersen en ze ons in hun kolkende wervelingen meesleuren. Wat inderdaad hun neiging is. De wolken zijn dan niet meer boven ons en de emoties onder ons. Ze hebben ons helemaal te pakken. Mijn diepste eigenheid wordt voor mezelf onherkenbaar. Ik ben dan mijn gedachten en emoties geworden. Ik identificeer me met hen. Dan loopt het mis als ik mezelf niet meer zie, als ik buiten mezelf ben. En dus niet meer aanwezig. Ik ben niet meer in mijn Zijnsgrond. Dat betekent dat alles vreemd is (vervreemd). Ik ben niet meer één met alles. Ik denk, ik ‘emotioneer’en dat schept paradoxaal afstand.
We zagen dat non-woorden precies deze afstandelijkheid niet in zich hebben: geen tijd, geen plaats. Hun essentie is vrijheid.

Deze maand gaan we op zoek naar de obstakels om in die vrijheid te leven. Wat belet ons, wie of wat zijn de spelbrekers, de stoorzenders?

Pijnplekken en het pijnlichaam

Als kind, puber, adolescent of volwassene: we ontsnappen niet aan blauwe plekken. We vallen ons schaafwonden, stoten ons aan ons staartbeentje, botsen een blauw oog, breken een arm of een been... Van roekeloos onbezorgd evolueren we met vallen en opstaan behoedzamer. Fysisch draagt ons licaam sporen en hier en daar littekens van geleden leed. Misschien moesten we onder narcose onder het mes en is er langs de binnenkant ook hier en daar een verborgen maar gevoelde pijnplek.
Maar fysische pijn gaat meestal gepaard met emotionele schrik- en angstreflexen. Ze heeft een impact op ons denken. We voorvoelen soms pijn of ze blijft nazinderen. Er zijn van die pijnplekken die in ons blijven hangen met plaats en tijd en intensiteit, of mensen. We weten het nog perfect: toen, zo en zo erg... En als we terug op die plaats komen of terug bij die mens(en) dan triggeren ze die pijn weer naar boven, vonken ze weer aan... en gaat ons hele wezen reageren met afweer of aanval.
Paradoksaal: we willen die pijn niet meer, maar toch halen we het verhaal weer op en zitten er reflexmatig in gevangen. Kortom: we slaan die pîjnervaring op in pijnplekken (in ons celgeheugen).

Precies hetzelfde gebeurt met emotionele, psychische en spirituele pijn-, verdriet-, frustratie-, groei- en ontwikkelingservaringen. Traumatische gebeurtenissen, zielenkneuzingen vormen in ons een pijnlichaam (zie: Eckhart Tolle, Een nieuwe Aarde, Ankh Hermes Deventer, 2005, pp.105-127).
Het pijnlichaam vormt zich door een aaneenschakeling van onverwerkte pijnlijke ervaringen. Het is een opgerolde keten die in ons lichaam  ligt, of ligt te sluimeren als een opgedraaide slang. Ze bestaat uit onze lichamelijke, mentale en psychische pijnplekken. Ze nestelt zich daar als een bundeling van vroeger doorleefde verhalen. Negatieve verhalen, onverwerkte geschiedenis.

De basis zijn emoties.
Het allereerste in ons zijn emoties. Oprispingen, pijnscheuten, vernederingen, verlies, afwijzingen, het gevoel niet gezien te zijn geweest of nog niet gezien te worden, onmacht, zelfmiskenning, verlorenheid, verwrongenheid... We dragen allemaal van die dingen in ons.
Die geschiedenissen stapelen we dan mentaal op. We prikken ze vast in ons geheugen. We maken er verder door ons denken systemen van. Ons verstand doet dat graag. In ons roezemoezen de argumenten. Ze zorgen voor onrust, roepen weerstand en opstand op. In feite boetseren ze voor een groot deel ons ego en we identificeren ons met dit geboetseerde beeld. Dit doen we graag.

Elke nieuwe pijnlijke ervaring hecht zich aan het bestaande pijnlichaam, dikt het aan met alle ‘oude koeien uit de gracht’, en maakt het alsmaar krachtiger. Het vreet enorm veel energie. Er zit dan ook een massale power in het pijnlichaam. Negatieve explosieve kernenergie of misschien nog best te vergelijken met clusterbommen die veel collaterale ‘dammage’ aanrichten.

Het pijnlichaam gaat volkomen op zichzelf functioneren. Het voedt zich met negatieve emotionele (soms ook zelftoegebrachte fysische) pijn. Ze puurt deze uit mentale, psychische en emotionele ervaringen. Het zoekt rotzooi op, innerlijke junkfood. Het vormt op die manier clusters, uitzaaiende kankers, innerlijke metastase.
Mensen kunnen totaal verbitteren, verkrampen van agressie. Gans het ego wordt erdoor bezet. Bezet en bezeten.

Doe de proef. Herinner je jouw laatste ruzie.
Wellicht was je wekenlang rustig en voelde je je lekker. De slang lag opgerold te slapen in haar nest. Geen vuiltje aan de lucht.
Toen gebeurde er iets. Het hoeft geen enorme inslag geweest te zijn. Gewoon een gevoelige plek, een pijnplek, een stuk vroegere geschiedenis, die wordt getriggerd en de python schiet vervaarlijk recht en sist. Dat hebben we allemaal in ons, ergens een nest van de python, drager van het gif van ons verleden.

Onze opgewonden emotionaliteit lost de gespannen veer en heel onze mechaniek davert zich een uitweg. Die is zó sterk en zó benemend dat ze gans ons mentale vermogen, onze ratio, erbij sleurt. Dan schieten onze mentale systemen, onze opgebouwde argumenten in gang. De emoties hebben nu een gigantische bondgenoot ingelijfd: onze ratio met zijn onuitputtelijk vindingrijk arsenaal van bewijsvoeringen. Samen, emotie en ratio, vormen ze een duizelingwekkende bobslee. Onstuitbaar. Maar vroeg of laat gaan ze natuurlijk uit de bocht en crashen.
Ze hebben het ego opgepompt tot het maximum en erover.

Dit ego staat, in die toestand, elke non-woord-beleving in de weg.: geen aanwezigheid meer met het eigen zelf, geen verbondenheid meer met het Al en alles en allen, geen liefde meer of tederheid...
Eén enorme explosie van negatieve energie. Met achteraf een verschrikkelijk gevoel van afgesneden-zijn, leegheid en uitputting. Een diep verdrietig gevoel van vervreemding van zichzelf. Tranen, reddeloosheid, verlorenheid.

                                          
Een verbijsterend verhaal

Och, we kennen allen wel het verhaal van Adam en Eva in het aards paradijs. Als aanhef van een veelbelovende wereld kan dat tellen: overvloed, alles, Al. Zie ze daar lopen. Puur genieten. Ogenschijnlijk geen hunker of verlangen. Ze zijn vervuld. Alles is er. Waarom zouden ze?

Alleen ja, alleen... die Boom van kennis van goed en kwaad. Afblijven! Dat is frustrerend. Die verboden vrucht daagt uit, geef toe. Zou de  grote baas hen dan niet vertrouwen? Aanziet hij hen dan niet als gelijkwaardig? Nochtans gemaakt naar zijn beeld en gelijkenis. Als hij meer is, dan zijn wij minder... En zo wordt het eerste pijnlichaam geboren! De slang richt zich op, kronkelt zich in hun bewustzijn. Emoties en ratio vermengen zich, verstrengelen zich en versterken elkaar. ‘Je kan worden als goden, weet je, als je eet van de vruchten van die Boom. De grote baas heeft schrik, hij is jaloers. Hij wil de macht voor zich alleen.’ Razen op de achtbaan!

Adam en Eva hebben, denk ik, redenen en argumenten te over. Stroomversnelling: logika of afspraken tellen dan niet meer. Alles gebeurt nu in overdrive. De gedrevenheid, de opgestapelde energie is nu zó groot dat de dam het begeeft. Eten van die vrucht!

Wat oorspronkelijk in het diepste Zijn één was en is en altijd zijn zal, wordt uit elkaar gereten. Wat zij zagen was een vorm, een regel – ‘gij zult niet eten van de vrucht van de Boom’ – wat ze niet meer zagen was hun diepste zijn. Ze verlangden naar iets wat ze in feite al waren: goden. Vervreemding van hun eigen wezen. Geen transparantie meer, geen heldere blik. De slang, het pijnlichaam dat zich opricht en zich installeert als een verhaal, geschiedenis. We sleuren onze geschiedenissen met ons mee, zeulen ze mee als een erfstuk dat ons onafscheidelijk dierbaar is. Erfenis, erfzonde heeft men deze beladenheid beladen genoemd. De slang in ons.

Niemand ontsnapt aan de innesteling van de slang in ons. We roepen ze zelf op
door te leven, door ons te riskeren in deze wereld van de  dualiteit, wereld van keuzevrijheid.

Maar de slang in ons kunnen we wel leren herkennen. We kunnen ze met de toverfluit van ons alerte innerlijke bewustzijn haar slapende plaats geven in ons. We kunnen weten waardoor ze eventueel getriggerd wordt, uit haar slaap gewekt, explosief opschiet en giftig vernietigend bijt. We hoeven onze geschiedenissen niet te herhalen. Wel eruit leren. Ze transparant maken en er met de milde  glimlach van de Boeddha of de minzaamheid van Jezus naar kijken. Alle Wijzen in alle tijden deden dat, doen dat ook nu.

Dan wordt de slang de wachter, die ons signalen geeft. Paradoxaal houdt de slapende slang ons wakker en leert ze ons aandachtig te kijken. Pas als we ons identificeren met de vormen van onze geschiedenissen, hoe en waar en met wie we onze ervaringen in ons pijnlichaam opstapelen, worden we net als Adam en Eva uitgedreven uit het aards paradijs – en dat is een uitdrijving uit ons eigen wezen, die we zelf veroorzaken – en komen we terecht in de versplintering van de buitenwereld, vervreemd van onze binnenwereld, ons diepste Zijn.

Koorddansen

Er bestaan in ons geen dingen met meer mogelijkheden dan emotie en onze ratio. Fantastische middelen. Hoe complexer de mogelijkheden des te moeilijker het juiste gebruik en het balancerende evenwicht. Er is op zich niets mis met hen. Maar in hun werking vragen ze wel een voortdurende aandacht. Je moet ze in de gaten houden.

Het evenwicht is niet evident. Ze vragen om de juiste gebruiksaanwijzing. Die is bovendien uniek bij elke mens. Er bestaan wellicht algemene helpende richtlijnen, maar het ongelooflijke wondere is de vrijheid, de vrijekeuzemogelijkheden van elk individu. Die keuze wordt bepaald door de ervaringen van ieder en hoe hij of zij deze hebben verwerkt. Pijnlichaam, weet je wel.
Hoe groter het pijnlichaam des te riskanter en explosiever de slang-energie. Het is wiebelen op de danskoord. Of zoals een bootje op een woelige zee. Er moet dan iemand opstaan, óf in je óf iemand in jouw gekozen omgeving, die kalmerend de denderende stroming in je tot bedaren kan en mag brengen. Iemand die durft zeggen: ‘Geen schrik, heb geen angst, kleingelovige’. Iemand dus die je wijst op de wijdsheid van je innerlijke mogelijkheden, los van je geschiedenissen.

Het grappige van dit dansen is dat de danser denkt dat hij in onevenwicht staat, dat hij op een hooggespannen koord danst. In feite dansen we op de vaste grond van ons Zelf. Niets is steviger. De danser danst zichzelf. Pas als er geen onderscheid meer is tussen boven en onder, tussen danser koord beweging en ruimte, is er geen angst meer, geen spanning. Het evenwicht is er innerlijk altijd, aanwezig.
Maar we wiebelen graag, uit onwetendheid.
(Zie in dit kader: Eugen Herrigel, Zen in de kunst van boogschieten, De Driehoek, Amsterdam, 1999.)

Naar mijn aanvoelen is het in de gaten krijgen van die explosieve krachten in ons – emotie en ratio – één van de kernopdrachten in ons leven. Het heen en weer geslingerd worden, vallen en opstaan, ziende blind zijn en horende doof, doen ons zoeken naar de diepere onderstroom. Het zijn enorme kansen in een topleerschool. Al die ervaringen zijn spoorleggers in een doodlopend straatje en scherpt de vindingrijkheid aan om een uitweg – de Weg – te vinden. Tot we, vanuit die impasse, ontdekken dat we zelf die Weg zijn, de Danser, de Energie.

Ik vind het altijd grappig als ik ten einde raad aan iemand moet vragen:

‘ Meneer, Mevrouw, ik ben de weg kwijt. Ik zoek de ...straat. Kan je mij zeggen hoe ik moet rijden?’ en die zegt me dan: ‘Meneer, je staat er middenin.’

up naar boven


Terug