MAANDBRIEF: Oktober 2007                                  Print

AANWEZIGHEID

Zomerdag.
De hitte kan je zien. Ze hangt zinderend overal.
We maken met het gezin een lange wandeling door de Ardense bossen. Kaarsrechte brandgangen tussen sparren die geuren van hars. We dalen een heuvel af, duiken in de Ourvallei.
Onbewust wordt mijn stap ritmisch en verdwijnt. Ik geef me over aan het groen, de zon en de schaduwen. Nergens een geluid. Alles glijdt naamloos bij mij binnen. Ik los op, ik verdwijn. Er is alleen nog alles. Nergens zijn er nog muren van gedachten, geen carrousels of golven van emoties. In mij ligt alles stil. Het absolute ademt vol.

Van mij uit vertrekt geen enkele inspanning. Er is geen tegemoetkomen van mij met de bomen, het gras, de horizon. Ook niet andersom: de dingen komen niet op mij af. Alles is er, ruimteloos tijdloos. Niets is aanraakbaar en toch is alles daar en hier. Alles doordringt alles, loopt bewegingloos in elkaar over als waterverfkleuren die zich mengen. Elk wezen aait elk ander wezen, zijn aan elkaar aan-wezig, rakelings. Het is zo ontzaglijk teder, zo vanzelf-sprekend in zijn sprakeloosheid.
Plots kwetteren de kinderen weer, vragen om te drinken en hoelang de tocht nog duren zal.

Ik heb het gevoel van ver te  komen, een tijdlang afwezig te zijn geweest in wat men de werkelijkheid noemt. En toch was alles nog nooit zó aanwezig.  Wat een paradoks!
Diep in mij - ergens in mijn ziel - danst een dankbaarheid om de ervaring van transparantie en een innerlijk weten van aanwezigheid. Wat hunker ik naar dát.


Lang geleden.
Ik ben op bezinning in een klooster van monialen. De stilte hangt in elke hoek. Soms is ze bijna hoorbaar.
Een oude zieke zuster is overleden. Ik ken haar levensverhaal niet, ook niet haar naam, ook niet haar aangezicht. De medezusters hebben haar sober opgebaard. Ze ligt midden tussen het koorgestoelte van de grote koele kerk. Op een brits ligt ze, naar moniale gewoonte, in haar vale dagelijkse habijt.

Het is avond en ik zit daar gewoon te zitten, ergens opzij. Ik ben toeschouwer eerst.
Er is een dodenwake. Medezusters bidden, kijken toe met liefde, in volkomen stilte. Er gebeurt niets. Alleen een wake, een ononderbroken aanwezigheid.

Hoelang ik erbij zit weet ik niet. De dood verschuift de tijd de eeuwigheid in. Hier zijn geen minuten of uren.
Ik schuif mee die eeuwigheid in, in het tijdloze, ongezien. Ik voel me enorm verbonden. Ik weet nog hoe het me doordrongen had zonder te beseffen vanwaar of waaruit. Alles week weg: de muren van de kerk, het gewelf, de opgebaarde zuster, de dood. Ik was klaar-wakker. En ik week weg. Ik weet niet waarheen, alhoewel het niet naar nergens was. Alles was hier, zonder ruimte in te nemen. Hier is geen plaats. Alles was nu. Maar nu is geen tijd.

De te grote kerk was vol aanwezigheid. Er was geen maat, er viel niets te meten.
Ik herinner me niet dat ik ben weggegaan die nacht. Maar dat zal wel.
Ik vertrek vroeg naar een studiedag in Antwerpen.
Ik rij dus oostwaarts van Gent uit gezien.

De zon wordt stralend wakker. ’s Morgens groet ik de dingen. Alles krijgt kleur en leven. Het geeft een kwik gevoel zo richting zon. Ik word in de dag gezogen.In de late namiddag keer ik naar huis terug.  Nu rijd ik westwaarts, van Antwerpen uit gezien.
Langzame ondergang van de zon.

Ik kan een vrij vlotte snelheid aanhouden op de autosnelweg. Vlak vóór me staat die enorme vuurbol. Het is alsof ik erin rijd, een tunnel van oranjerood. Ik word goud. Alles is goud, zelfs de monotone stilte van mijn motor en het zoevende passeren van tegenliggers. De zon opent als een ontzaglijke leeuw zijn muil en zijn manen staan er brandend rond.
Plots merk ik dat ik niet meer rij. Ik sta stil, ik en mijn auto staan stil. De weg onder ons beweegt, het landschap schuift links rechts en boven en onder ons door. Ik sta wonderlijk stil.
Alles is gemakkelijk, eenvoudig. Ik hoef niets te doen.

De zon overgiet alles, eerst hevig en dan geleidelijk alsmaar fijner, nergens een hiaat. Het goud geeft alles een eigen rand en toch loopt alles in alles over.
Ik moet de dingen niet meer groeten. Ze groeten mij. Ze tonen hun aanwezigheid, openbaren zich zonder een naam te willen.
De horizon wordt rood en even plots begin ik weer te rijden, hoor ik het zenuwachtige asfalt
lispelen en zit ik gevangen in een file. Bijna thuis.

Vakantie. Turkije samen met mijn vrouw. Volle maan.
We wandelen ’s avonds naar de zee. Geen mens daar. Ze zitten allemaal op een georganiseerde avondanimatie van het hotel.
Traag, verrassend heft de maan zich uit de zee. Ik begrijp plots waarom men de zon als mannelijk ervaart. Dit hier, die zachte zilveren gedaante, is een dame.
We staan ademloos op de houten pier, die zich als een slang boven het water kronkelt.

Maar we verdwijnen: wij, de houten slang, het klotsen van de golven, de verre muziek, vrouw en man.
Nu staat de maan in haar volle glorie, vol boven de zee. Ik zie geen horizon, geen grens in de pikdonkere nacht. Haar rijkdom strooit ze gul overdadig in duizenden glinsterende vlinders,
opverende lichtvissen, witte diamanten knikkers, schilfers zilverpapier. Ze kantelen, buitelen, springen op en neer. Eén enorme gulp, een blauwgroenige zilveren sleep van een betoverend
bruidskleed. Alles kwinkelt en tintelt. Wit vuur, zó lief. Ontelbare vallende sterren.dartelend in het golvend zwart.
Wij kijken niet meer. We staan er middenin, opgenomen met huid en haar, en hart. Alles staat te gebeuren, wij gebeuren, zijn maan en tinteling, komen op, gaan onder, worden geboren uit nacht, water en licht, gaan de hemeltocht om weer morgen te worden en zon en leeuw. De dame trekt zich geheimvol terug achter een tullen wolk.

Turkije, volle maan die in haar baan weer slinkt tot een sikkel.
Morgenvroeg eten we croissants. _


Wellicht...

Wellicht heb je zelf dergelijke herinneringen aan momenten van aanwezigheid, die vol aanvoelden. Dat zal wel.
Als kind wellicht, want dan sta je nog open, ben je nog in het Zijn. Later kantel je daaruit, net zoals je in een diepe slaap uit bed kan tuimelen.
Af en toe word je als volwassene weer kind: ontvankelijk. Dan keert het buitenste weer naar binnen. Want we leren door ons denken aan en in de buitenkant te leven. De meest onmiddellijke kant. We leren om afwezig te zijn. Raar maar waar.
Wonder toch dat vervreemdingsproces, die brainwashing om van werkelijkheid te wisselen.

Wat werkelijk zijn is te zien als wat niet werkelijk is, en om wat niet werkelijk is te zien als de enige werkelijkheid. Raar.
Kijk, deze laatste volzin is vervaarlijk moeilijk , niet? Dat komt omdat het een denk-zin is Denken maakt ingewikkeld. Wij denken nochtans van niet, denken dat we door ons denken alles naadloos achterhalen. Maar denken schraapt de ervaring van het beleefde en doorleefde. Het abstraheert. Letterlijk betekent het latijnse werkwoord ab-trahere ‘wegtrekken van’, zoals men het vel afstroopt van een konijn. Men stroopt de uiterlijke vorm van het essentiële en doet dan alsof die afgestroopte huid alles is. Dan schiet er niets meer over waarbij je echt aanwezig kan zijn. Niets is nog wat het eigenlijk is.

Ik moet je natuurlijk niet vragen of je in jouw leven al gedacht hebt. Denken doen we immers voortdurend, we zijn eraan verslaafd. We kunnen het niet laten. Logisch of chaotisch – denken heeft allerlei pyjamas waarin het slapend door het leven sloft – het heeft zijn eigen dwingende systemen. Eén van de bijzondere eigenschappen van denken is dat het óf bezig is  met het verleden óf met scenarios in de toekomst. Bezig is het altijd.
Met andere woorden: het is nooit aanwezig.Het is elders, niet hier, niet nu.
Aanwezigheid hoeft niet te denken. Ze is eenvoud, simpel. Alles is er al. Niets zo eenvoudig als het Zijn. Het is zo eenvoudig dat ons denken niet kan geloven dat het zo eenvoudig is.
Het denken vervreemdt ons van het Zijn. Het zet aanwezig-zijn tussen haakjes, nog erger: alle denken analyseert, modelleert en moet daarbij alle beleving doden. Het maakt van beleving kipkap. Het verheft zichzelf tot de enige methode om de werkelijkheid te onthullen, stap voor stap. Het zet zichzelf op de troon en kroont zichzelf tot keizer. Grootheidswaanzin.

De echte werkelijkheid gaat dan ondergronds, trekt zich terug. Eenvoud wordt overwoekerd door complexiteit. Aanwezigheid, het vanzelfsprekende, wordt niet meer bespreekbaar. Ze wordt verbannen. De mens leert om constant afwezig te zijn door de mallemolen van het denken onafgebroken te laten draaien.
Dolgedraaide mensen zoeken naar de knop om het stil te leggen, maar vinden niet waar en hoe. Dan maar pillen slikken en verdovingsmiddelen om rust te vinden. Maar verdoving vervreemdt nog meer.

Aanwezigheid

Aanwezigheid is een non-woord.
Wat bedoel ik met non-woord ?
Woorden zijn een soort label. Het duidt iets aan maar is het zelf niet. Het woord ‘zon’ is de zon zelf niet. Het woord ‘zon’ schijnt niet, geef geen warmte enz. Het is een overeenkomst om dát daar, die grote sinaasappelbol zon, zo te noemen. Daarom hebben andere talen een ander woord voor zon of boom of stoel.

Aanwezigheid is een non-woord, omdat ze niet in een woord te vangen is. Er zijn nog van die non-woorden: stilte, God, liefde, verbondenheid, eenheid, bezieling...
Alles wat met beleving te maken heeft, met bewuste ervaring, niet-objectief benoembare ‘processen’, is non-woord. We geven het wel een naam, maar het is niet aan te duiden. Naar de zon, de maan, het gras, het eekhoorntje, de fiets kan je wijzen. Naar stilte, aanwezigheid... kan je dat niet. Non-woorden ontsnappen aan het aanwijsbare. Het is er. Ze zijn er, alhoewel niet zichtbaar, niet pointeerbaar.

Alle dingen die we met woorden benoemen kunnen verdwijnen, er niet-zijn bv. geld, de maan, mijn partner, vrienden... Non-woorden kunnen niet verdwijnen. Ze zijn onverwoestbaar omdat zij er altijd zijn. We hebben de indruk soms dat het er niet is bv. stilte Maar stilte is er altijd. Soms ervaren we ze niet, omdat er lawaai overheen gekieperd wordt. Of verbondenheid: soms is die er ogenschijnlijk niet, omdat we de eenheid overbrokkelen met verdeeldheid.

Er is een verschil tussen alles wat met onze uiterlijke zintuigen kan ervaren worden: gezien, gehoord, aangeraakt, gesmaakt en geruikt – en ervaringen van onze innerlijke zintuigen. Non-woorden hebben altijd te maken met innerlijk-zijn. Uiterlijke dingen nemen een bepaalde ruimte in. Ze botsen ook altijd met andere dingen. Innerlijke ‘dingen’ nemen geen ruimte in: ze zijn ruimteloos en toch zijn ze er altijd aanwezig. Ze botsen nooit omdat ze nooit afzonderlijk zijn. Aanwezigheid is overal. Ook in ieder van ons. Zelfs in iemand die afwezig is.
Non-woorden zijn vorm-loos. Woorden, en wat die woorden vertegenwoordigen, zijn dragers van vormen.

Het is echt leuk en verrassend om op zoek te gaan in jezelf naar sporen van die speciale goudstof, naar dat ongrijpbare fluïdum. Het voelt aan als zwemmen. Zoals bij zwemmen overal water rondom je is, zo is aanwezigheid overal rondom je. En jij beweegt daarin. Jij bent een en al aanwezig.
Vooral niet denken, want dan is het weg...

Postscriptum

Mag je dan niet denken? Nou, kan je wel zonder denken? Natuurlijk niet.
Denken is een prima middel in de wereld van de vormen. Maar het is even vergankelijk en broos als die vormwereld. Vormwereld is de manifestatie in de stof van ‘dat wat is’. Bovendien reflecteert ze niet zuiver ‘dat wat is’. Ze ver-vormt.
Denken verliest zich in kwantiteit. Het krijgt nooit genoeg van zichzelf. Denken is enorm ijdel. Het hoort zichzelf graag denken.
Denken is dus een middel. Je kan met een koekenpan een kram in een balk slaan, maar eigenlijk is ze daartoe niet geëigend. Je doet dat beter met een hamer. Welnu, denken is niet het geëigende middel om aanwezig te zijn. Denken staat heel ver af van de essentie van non-woorden.

Gebruik dus denken om te denken. Niet om aanwezig te zijn Dat is hopeloos.

 

up naar boven


Terug