MAANDBRIEF Augustus 2008                                 Print

VREDE VAN HET HART

Aanzet

In de vorige maandbrieven schreven we over enthoesiasme en verwondering.
Bij goed toekijken ervaren we dat beide uitgaan van het hart. Ze voelen warm aan. Ze creëren. Beide openen. In die zin zijn ze anders dan ons verstand en intellect. Zij sluiten. Zeggen we niet: ‘ Dat sluit als een bus.’? Logica heeft altijd een eindpunt. Iets staat als een paal boven water. Het is bewezen. Dit sluitende, uitsluitende (exclusieve) karakter maakt verstand en intellect koud. Als er een nieuwe uitvinding wordt gedaan kan er een Aha-Erlebnis opvonken. Er ontstaat dan enthoesiasme en verwondering. Maar het eigenlijke proces van het verstand is droog en koud.

In deze tijd leven we in de overgang van verstand naar hart. Verstand hebben we broodnodig gehad voor onze ontwikkeling en nog. De mensheid heeft dank zij het intellect enorme progressie gemaakt. We moeten dan ook dankbaar zijn voor deze uitzonderlijke gave. Maar, zoals dikwijls in grote ontwikkelingen, hebben we doorgedramd, omdat we smoorverliefd raakten op intellect. Het heeft ook zoveel te bieden. En zoals het in verliefdheid vergaat werd ‘onze kop er zot van’. We geraakten uit balans en we wroetten alsmaar dieper de eenzijdigheid in. We werden slaven van het systeem intellect.
Heel grote delen van onze samenleving zitten daar nog in. Ze houden koppig vol en natuurlijk... ze gebruiken intellectuele sluitende argumenten om hun stellingen te bewijzen.

Dat is nu precies het verschil met het hartbewustzijn. Het hart heeft niets te bewijzen. Het hart denkt anders. Het hart communiceert, praat anders. Voor iemand die in de intellectuele wereld gevangen zit is het moeilijk om de taal van het hart te verstaan, laat staan zelf te spreken. Hij of zij zal alle middelen mobiliseren om in de weerstand te gaan. Intellect is een taaie klant. We hebben het vastgezet tot in ons celgeheugen. We hebben eeuwen intellect-kost gegeten en ons hele gestel staat er op. Het is niet makkelijk om af te kicken. Iedereen weet hoe moeilijk het is om even niet te denken. Soms zouden we het intelligent vinden als we de knop zouden weten staan om onze gedachtenmachine uit te zetten. Die ratelt en tatert altijd maar door. Soms kunnen we er zelfs niet van slapen. Ja, waar staat die knop, verdomme!

Kijk nou toch eens aan: in het hart.

Eeuwen in een notendop

Hoe zijn we nu in het hart-tijdperk aan het belanden?
Dat is een lange geschiedenis, maar elke mens draagt nu nog de sporen hiervan in gans zijn hebben en houwen. Je kan de verschillende fazen in lijf en ziel voelen. Deze geschiedenis maakt precies de zin uit van ons verblijf hier op aarde: zo verscheiden mogelijke ervaringen opdoen ter verrijking van onze ziel. Die worden in ons opgeslagen als in een immense bibliotheek, een onschatbare rijkdom.
Heel lang geleden werd ons leven beheerst door de drang tot overleven. We werden gedreven door onze behoudsinstinkten. Het was erop of eronder. Allerlei nog ongebonden impulsen schoten chaotisch door ons heen. Die overvallen ons nog als we in panieksituaties terecht komen, of in heel extreme belevenissen. Soms zoeken moderne mensen opnieuw deze emoties op. Die zijn in: overlevingsavonturen, extreme expedities, dodentochten...
Die fysieke chaos vroeg om geordend te worden. We gingen dan ook nieuwe technieken ontwikkelen en daartoe waren de hersenen uitermate geschikt. De vroegere reflexen tot overleven werden gerationaliseerd dank zij het gebruik van nog onontgonnen hersendelen. De fysieke uiterlijke angst kroop naar binnen en was zo beter beheerbaar. We gingen ze beheersen door ze te sturen met onze wil. We ontdekten dat onze instinkten ons soms parten speelden. Daardoor gingen we die impulsen wantrouwen en gaven het controlemonopolie over onszelf aan ons verstand. We gingen oorzaken opzoeken en daaraan gekoppelde gevolgen. Geen kronkelwegen meer maar rechtlijnigheid. De intrede van het lineair denken en weg met het circulair denken. Rationeel in plaats van magisch.
We vonden dat een bevrijding. We wisten niet dat we ons overgeleverd hadden aan een nog despotischer machthebber.
Denken was het nieuwe sleutelwoord, nadenken.
Maar zo onrustig als onze instinkten waren, alert en bangelijk op hun hoede, zo onrustig is ons denken. Maar een andere onrust. Het babbelt constant in ons. Het houdt ons voortdurend aan de praat. Duizenden keren hetzelfde. Het veronderstelt. Het argumenteert. Het draaft als een galopperend paard door de tuinen van het geheugen. Het ontwerpt scenarios. Het liegt als de beste. Het vertaalt onze instinkten en behoeften in aanvaardbare producten. Het checkt. Het onderzoekt. Het is het lief van onze emoties in een soort haat-liefde relatie. Het vertrouwt ze voor geen haar. Het smukt ze op, vermomt zich, legt ze bloot, bekleedt ze, verhult en omhult ze. Soms gaan ze harmonisch samen, soms schieten ze hysterisch in extremen en vreten elkaar op. Beide, instinkt en verstand, hebben de neiging door te drammen, obsessioneel, tot in de waanzin toe.
Maar beide zijn ook grandioos in hun mogelijkheden.
Instinkten hebben zich ontwikkeld tot emotie, gevoelens, creatief zowel in positieve als negatieve zin.
Verstand staat garant voor spectaculaire ontdekkingen, zowel in constructieve als destructieve zin.

En daar ziiten we nu, na eeuwen van ontwikkeling, met twee ontzaglijke bronnen van creativiteit, maar die op om het even welk moment en op om het even welke plaats bangelijk en vervaarlijk kunnen kantelen met extreme gevolgen. Geen van beide biedt op zichzelf evenwicht, harmonie en rust. Wat we moeten ontdekken is een equilibrator, een evenwicht-kunstenaar, een brug, een verzoener, iets dat kennis heeft van de essentie. Iets midden-in. Iets dat het boven (de hersenen) verbindt met het onder (onze instinkten). Iets dat in alles
aanwezig is.

Kijk nou toch eens aan: in ons hart.

Het hart

We zijn lange tijd systematisch vervreemd geworden van ons hart. Jammere zaak. Er zijn nog wel een rist uitdrukkingen die getuigen van vroegere wijsheid:
met hart en ziel, het hart op de juiste plaats dragen, een gouden hart, van ganser harte, iemand een goed hart toedragen...
Het verwijzen naar onze diepere inwendigheid en volheid, is helaas verloren gegaan. Men heeft het hart versuikerd, geromantiseerd. Het werd eerder een symbool van stroperigheid, dweepzieke verliefdheid. Het werd ook gecommercialiseerd, letterlijk in alle vormen verkocht. Ook nu in de organenhandel.
Toen de anatomie haar grandioze triomftocht begon, vond men dat het hart een spîer is, weliswaar een vrij belangrijke spier, dat wel. Een pompspier. Het paste perfect in het toenmalige analytische denken.
‘L’Homme machine’ is de titel van een werk van de la Mettrie. De mens is een goed in elkaar geknutselde machine. Deze denkwijze dateert van in de 19e eeuw. Ja, zo lang geleden is dat nog niet of liever zo vers is dat soort denken. Bij wijze van spreken: van eergisteren.
Dat soort geknutsel is nu volop bezig bij het hersenonderzoek. Ongelooflijk knap maar ongelooflijk kortzichtig. Of het nu het hart is, de hersenen, de cellen...men wil niet méér zien dan wat er denkend te zien is. Met een verbijsterende scepsis bijt men zoutzurig alle andere mogelijkheden af. Heel drastisch.
Scepsis is een obsessionele weerstand tegen hartbewustzijn. Het sluit het hart in zijn diepere lagen uit.
We stoten hier weer eens op een heel oud zeer: angst. Scepsis is zo gefascineerd, zo conserverend gebonden door angst dat ze nieuwsoortige creativiteit van het hart uitsluit. Met alle middelen, vooral bitterheid en sarcasme. Scepsis is een vorm van extreem doorgedreven controle. Ze is een absolute controlefreak. Intellectuele angst.
Welnu: het hart is dat juist niet. Het controleert niet, omdat het niet denkt met de verstikkende logica van het verstand. Het heeft niets te verbergen. Het heeft niets te winnen of te verliezen. Dat is de eigenheid van essentie. Het hart is overgave, openheid, mededogen, verzoening, vrede. Het hanteert heel andere paradigmata.
Sceptici, denkers, zijn heel slechte vrijers. Hun ruimte is altijd beperkt doordat ze vol gedachten en controle zit. Altijd met de ogen open vrijen om alles onder controle te houden belet onvoorwaardelijke overgave. Tederheid is er ver te zoeken. Er gaat altijd nijdigheid uit van sceptici, een soort griezelige betweterij. In feite een machtsstrijd om de controle te verliezen. Rekeninghouders, procedurefreaks, geen plaats voor verwondering, geen ruimte voor het onverwachte, het magische. Wat gebeurt is voor hen het logische gevolg van een aanwijsbare oorzaak. Aamechtige schraalte.
Het hart is niet aanwijsbaar. Ja toch wel, als spier en pomp. Dat ding daar, ergens wat links in de borstkas, waarvan onderdelen vervangbaar zijn zoals inderdaad stukken in een machine. Maar het gaat niet alleen over het ‘orgaan’ hart. Het hart is niet aanwijsbaar, het is overal in ons aanwezig.
O, dat weten we eigenlijk heel goed, als we zonder hart zijn, niet-aanwezig. Dan gaat het ons niet, terwijl de pomp nochtans wel functioneert. Meestal denken we dan, muizenissen. Of we zwalpen op een deinende zee van emoties. We zijn dan ons midden kwijt, ons kompas. We kunnen ons niet meer orienteren. We hebben geen zin.
Precies. Het hart is het niet aanwijsbare orgaan van zin. Het wijst ons naar de zin van ons leven, onze essentie.
De moraalridders hebben ons een ander orgaan aangepraat: het geweten. Kijk eens aan: wat een lepe truuk om toch de klemtoon te leggen op het denken: het orgaan van ‘het weten’. De splitser: goed en kwaad. De analyticus: oorzaak en gevolg.
Moralisten zijn de sceptici van de ziel. Zij vertrouwen geen mens omdat de mens een grote creativiteit aan de dag legt om hun regels en kleine lettertjes te omzeilen. Er is altijd een spelletje bezig van kat en muis tussen mensen en moralisten.
Zij hanteren de wet als een kapblok, de wet als een vuurpeleton: dood met de kogel, dood door de doodzonde. Alleen de machthebbers hebben het previlege al of niet gratie te schenken.
Het hart is gratie, voor zichzelf en voor iedereen en alles. Er bestaat geen ruimer orgaan dan het hart omdat het Aanwezigheid is. Het kent geen grenzen en geen tijd. Het kent geen obstakels.  Daarom ontsnapt het hart aan dualiteit. Er is geen dubbelheid in het hart, geen hier of daar, geen man of vrouw. Geen oordeel. Het is de rechtstreekse binding met éénheid en harmonie. Er is een gouden draad tussen het hart en de Heelheid, het Al, de Essentie.

In het hart is er rust, vrede zoals eb en vloed van de zee.
We verwarren dikwijls ons hart met ons verstand, omdat we ons centrum verlegd hebben naar onze hersenen. Blijkbaar konden we de stilte van het hart niet aan en hadden we de vibes van het schichtige verstand en de daver van de emoties nodig. Zij waren wellicht de basis voor de ervaringen die onze ziel moest doormaken. Maar genoeg nu. We hebben onze porties gehad. De tijd is rijp voor de verkenning van onze hartdiemensies, voor harmonisatie van Hersenen, Hara (buikbewustzijn, emoties) en Hart:  HHH
Het kwetteren en kakelen van ons verstand mag nu verstillen. Het roetsjen van onze emoties mag nu bedaren. Alles kan worden afgestemd op elkaar. Wel zullen we een andere bereidheid moeten leren: luisterbereidheid. We zullen een andere taal moeten leren verstaan en spreken: hart-taal. We zullen een andere ruimte moeten leren bewonen: aanwezigheid bij en in alles. We zullen anders moeten leren voelen: in mededogen, in verzoening (= thema voor volgende maandbrief ). We zullen ons moeten ontdoen van incomplete hartsymbolen, correct wel op hun niveau, maar al te beperkend.
We staan, tenminste als je dat zelf wil en samen met anderen, op een keerpunt.

Concreet

Het kan verhelderend zijn om na te gaan tot welk type ieder van ons behoort:
verstandstype, emotietype of harttype.
Een zuiver type (dus enkel één van de drie) is meestal een uitzondering. Er zijn er wel en ze zweren erbij. Alles staat voor hen in dat teken. Ze gaan er prat op. Het is wellicht hun weg om uit te zoeken, tot op het bot, wat hun ziel daarbij te leren heeft.

De meesten onder ons zijn een gemengd type. Trouwens de meesten onder ons zijn zich niet bewust welk type ze zijn.  We functioneren nogal op onze automatische piloot.
De boven-de dertigers hebben wellicht een opvoeding en opleiding genoten vanuit een intelligentie-accent. Hun maatschappij ademde toen die geest: wetenschappelijk, no-nonsense, nuchter, afstandelijk, efficënt, individualistisch. Emoties waren privézaak. Vooral mannen hadden geleerd hun gevoelens te onderdrukken. Dat waren stoorzenders. Zij duwden die naar het kamp van de vrouwen (die zich juist aan het emanciperen waren en dus ook aan het vermannelijken), de alternatieven (werden als softies, wereldvreemd en als dromers gezien).
Er is massaal weggemoffeld onder druk van wetenschap, godsdienst , ideologie en moraal (kan je nu opmerken in landen als China, waar dit nu openboemt).
Zelfs voor emoties moesten er objectieve redenen zijn, objectieve situaties (bv een overlijden, geboorte van een eerste kindje...) Men schaamde zich voor emoties en emotionele vrouwen (en mannen) werden al vlug gecatalogiseerd als hysterisch of blèters. Het waren mensen zonder weerstand of beheersing. Eruptieve mensen. Een florissante farma-industrie entte zich hierop. Vele boven-de-veertigers hebben hun weggemoffelde emoties verzombied door antidepressiva of moesten ze met vallen en opstaan weer ontdekken.
Die emotionele wereld explodeerde plots zoals bloemen in een late lente. Alles kon en mocht. Het was zoet als honing (en soms zuur als azijn) en zwermde als bijen rond die bedwelmende pot.
De ontdekking kreeg, naast de intelligente intelligentie, zelfs een maatschappelijke en wetenschappelijke waardering: emotionele intelligentie.
Droogstoppels van managers, die vroeger zwoeren bij het monopolie van de intelligentie, liepen nu of gaven nu kursussen in EQ. Als paddestoelen uit de grond ontstonden overal sessies voor emotionele outing. Wie heeft er in deze thematiek geen boeken gelezen?
Een mixt dus van verstand en emoties. Een doorbraak was het alleszins.

Sommige zijn van aard tegelijk ook nog hart-type. Hun basisingesteldheid is ‘goed van hart’ te zijn voor alles en iedereen. Misschien vanuit een moreel-godsdienstige opvoeding, misschien vanuit het feit dat de aard van elke mens hart-elijk is. In wezen is het de essentie van elke mens.
Die essentie straalt bij de een meer dan bij een ander. Bij sommige is ze zelfs helemaal overwoekerd en zien zij zelf hun essentie niet meer. Hun gedrag is dan ook van die aard dat hun omgeving hun essentie ook niet meer kan zien. Maar het zijn wel mensen zoals jij en ik.

De onder-de-veertigers leven al in een andere tijd waarin men duidelijk de strijd ziet tussen individualisme en solidariteit, tussen enge bekrompenheid en werelddenken. Er is meer hart op komst, hoop ik.

Maak het voor jezelf eens concreet. Overloop jouw eigen geschiedenis eens uit pure nieuwsgierigheid. Kijk wat voor jou aantrekkelijk is. Kijk ook of er openheid is naar andere dimensies of naar alle drie. Welke overwoekering er ook mag gegroeid zijn, hoe je essentie ook hebt gecamoufleerd: je kan altijd nieuw geboren worden!

Een gemiste kans

Ik kan niet nalaten om te vertellen dat er in de loop van de geschiedenis pogingen zijn geweest om het hart zijn juiste plaats te geven. Maar de kansen werden door allerlei factoren ondergesneeuwd of botweg geboycot.
Mystiekers hebben uiteraard altijd geweten welk belang het hart heeft. In die rij staat als de meest gekende de devotie tot het Heilig Hart.
In de 17e eeuw was er een nieuwe opstoot: het Rationalisme. In 1637 verscheen het boek ‘Discours de la Méthode’ van Réné Descartes, de man van ‘Je pense donc je suis’. Die tijd was een fameuze strijdperiode; er werd een verwoede oorlog gevoerd tussen Reformatie en Contrareformatie. Zeg maar: de blote rede tegen alles wat met innerlijkheid, geloof en godsbetrokkenheid te maken had. De Reformatie maakte tabula rasa met een rist magische denkwijzen. Het had wellicht een zuiverend effect maar anderzijds was het enorm doordrammend.
In deze strijd waren de Jezuïeten een belangrijke buffer tegen deze eenzijdige rationalisering. Het waren de stoottroepen van de Paus.
In diezelfde eeuw had de mystica zuster Marguérite Marie Alacoque een reeks visioenen met als kernpunt het Heilig Hart van Jezus. Haar toenmalige geestelijke begeleider was de jezuïet Claude de la Colombière. Hij kreeg de opdracht om de visioenen op hun authenticiteit te toetsen.
Waar ging het eigenlijk om?
 Zuster Alacoque verstond de visioenen als een klacht van Jezus dat Hij zich in zijn Heilig Hart miskend voelde. Hij gaf haar aanwijzingen voor een eredienst van eerherstel en hoe Hij zich voorgesteld wilde zien: een van liefde brandend hart, met doornenkroon en kruis... We kennen wellicht allen deze beelden. Vanuit de tijdsgeest, die toen erg barok was, is deze kitscherige cultuur verstaanbaar.
De rol van haar geestelijke begeleider was eerder om vanuit de spiritualiteit van Ignatius de klemtoon te leggen op het hart als de nabije en overal aanwezige kracht van het goddelijke. Een warm accent dus tegen de koude Reformatie. De afstand tussen de mens en het goddelijke werd in de Reformatie gigantisch groot. De krachtige symboliek van het hart moest hiertegen een buffer vormen.
Tegen de triomftocht van de Rationaliteit werd het Hart als het wezenlijke centrum geplaatst. Eigenlijk dus een fantastische poging tot harmonisatie. Men zou kunnen zeggen dat dit stukje geschiedenis een ver vooruitgeschoven visie was, een visionaire voorloper van wat nu weer op een kantelmoment staat.
Maar helaas, de Heilig Hart-devotie verdronk in een zee van een zondenbeladen sfeer, als een wat dweperig en moraliserend eerherstel. Ze legde te eenzijdig haar accent op de zondige mens dan wel op de mogelijklheid van verdiepende innerlijkheid. Ze kwam ook niet los uit haar kitscherige verpakking. Geleidelijkaan haalde de interpretatie van Zuster Alacoque het – boetedoening, moraliserend eerherstel – het op de diepere correctie van de eenzijdigheid van het Rationalisme. Die strategie paste ook in de denkpiste en de politiek van de toenmalige Kerk, eerder dan het ideeëngoed van de jezuIet  la Colombière. In feite sloeg de Kerk hier de bal flink mis Jammer. Wellicht was de tijd niet rijp voor een nieuwe visie.

Een tweede kans

We hebben nog zo’n kans gehad en... gemist.
In deze eeuw was de franse paleontoloog en theoloog Teilhard de Chardin
(1881-1955) door zijn wetenschappelijk werk betrokken in een tweegevecht. Hij stond tussen twee vuren: enerzijds de wetenschappelijk tucht en anderzijds het katholieke leergezag. Als paleontoloog wilde hij een brug bouwen tussen wetenschap en Kerk. Hij stond uiteraard op de voorposten van de evolutietheorie
een strijd die nog woedt in het creationisme en intelligent design etc.
Teilhard was, ook hij , een jezuïet. Er is een duidelijke parallel met zijn ordebroeder La Colombière.  Hij stelde dat er een ‘binnenkant’ is in de materie en dat er duidelijke drive zit in gans de schepping. Er zit dus een hart, een aanwezigheid in de schepping (weliswaar geen hartsymboliek zoals bij zijn ordebroeder maar toch een innerlijk centrum, een goddelijke kracht). Alles evolueert naar een ‘point Oméga’. Onze wereld is een goddelijk milieu (Le milieu divin’). Heel zijn  theologie ademt dus verinnerlijking.
Teilhard, die een cultfiguur was in de jaren 50-60, kreeg op zijn vingers van Rome en mocht zijn boeken niet publiceren. Dit verbod is tot op heden nog altijd niet opgeheven.
Jammer toch?  Ook al kan men kritiek hebben op zijn wetenschappelijke waarde en eventueel ook op zijn theologische inzichten, toch was het een enorme kans om die vernieuwende lijn van verinnerlijkheid kracht bij te zetten.

Hopelijk breekt die vol-wassenheid nu wel door, in nieuwe visionaire mensen.

 

 

up naar boven


Terug