MAANDBRIEF Juli 2008                                 Print

VERWONDERING

Pick-up

We nemen de draad weer op: geen angst meer voor onze schaduwen en met enthoesiasme zijn wie we zijn. Er is geen betere plek om ons bewust te worden dat we ‘god-delijk’ zijn. Dat is me wat. Ik ben op vakantie, voel me als god in... Op vakantie voelen we ons wat gemakkelijker god. Het weer is goddelijk, de natuur paradijselijk, eten en drinken hemels. Een week lang scheppen we vanuit het niets(-doen) een virtuele werkelijkheid. In alle geval een andere werkelijkheid dan onze gewone. Vakantiemakers creëren voor ons een gedroomde wereld. Ze fantaseren ons vóór. We hoeven niet eens onze gedachte verlangens te concretiseren, vorm te geven, te materialiseren. De plannenmakers worden steeds driester: je kan het zo gek niet bedenken of het  is er al. Manna dat uit de hemel valt, recht in onze open gapende mond. Het is een kwestie van ‘secret’, Sesam open U. Maar vanuit onze verwendheid morren we, morrelen en morrmelen we: ‘meer, meer, nog meer’. Prefab luiheid, geïndustrialiseerde afhankelijkheid, een nieuwe religie van vermaak. Wat zijn we moe van te leven, zodat anderen ons moeten voorspiegelen hoe we moeten leven. Is dàt gode-gelijk zijn? Anderen die ons een paradijs aanmeten? Zijn het geen nieuwe stenen tafelen met geboden van wat ‘in’ is, voorgekauwde rijstpap met exotisch bestek? Nu nog maar een week, veertien dagen... maar ooit zullen we het rekken tot een jaar. Jaar in jaar uit, afhankelijk van de dromen die anderen ons hebben voorgetekend. Sensaties, verbluffing. Gekochte scenarios.

Maar waar is de verwondering?
Ik heb om de twee dagen vuurwerk gezien. Dagelijkse kost. Niemand die ‘Ooh!’ riep of stil werd na de knallen. Kinderen niet, volwassenen niet. Niemand die oog had voor de volle maan die als een koningin uit het water rees. Niemand die de sluipdans zag en de dribbelingen van het eekhoorntje. Vakantie zonder verwondering. Overvloed die sterft in haar eigen verslaving. Dag na dag vliegen de overvolle jumbos leegte heen en weer, mensen in cargo.

Ze vlogen bleekjes heen en kwamen bruintjes terug Na veertien dagen vervellen ze en worden weer als voorheen. Niemand die weet welk wonder hijzelf is. Als goden.

In het begin

Laten we eens teruggaan naar het begin van de verwondering. Toen ze dus, bij wijze van spreken, ontstond. Evident een mythe. Het eigene van een mythe is dat ze vertelt wat niet te vertellen is. Ze gebruikt dus beelden en metaforen en staat buiten de tijd. Het is een gebeuren maar geen gebeurtenis. In een mythe zit altijd het gebeuren van de verwondering. In het begin dus. Het verhaal van de verwondering. Het scheppingsverhaal is voor mij niet het relaas van hoe de wereld tot stand kwam. Wie het ziet als het reële ontstaan van deze aarde, leest niet diep, leest niet zoals een verhaal kan gelezen worden. Wellicht is die óf aangestoken door een godsdienstvirus òf besmet door een luie wetenschappelijke objectiviteit. Ze zitten vast in een systeem en precies een mythe tracht dat te vermijden. Het scheppingsverhaal is het empathisch weergeven van, en een aanwezig-zijn bij de verbazende verfrissende verwondering van God over zijn eigen creativiteit. Wat een speelsheid! Wat een stroom van vanzelfsprekende overvloed! God die verbaasd is over zijn eigen mogelijkheden. Hij dacht dit of dat en hupsakee, het gedachte was er. En monkelend tevreden er achter aan: ‘En Hij zag dat het goed was... en Hij zag dat het zeer goed was!’ Met een vlotheid verhaald zodat de vanzelfsprekendheid er vanaf druipt. Wonder toch dat men kibbelt - wat zeg ik – dat ganse continenten vechten of dat nu echt zo gebeurd is of niet. Wonder dat ze voorbijgaan aan de verwondering van God zelf. Laten we het verhaal zelf uitvoerig volgen. Tracht eens al wat je geleerd hebt over het Genesisverhaal tussen haakjes te zetten. Lees het eens vanuit het standpunt van God zelf. Ga in de plaats van God staan en schep. Laat jouw flow van creativiteit stromen. Voltooi het!

In het begin schiep God hemel en aarde. De aarde was woest en leeg. Duisternis lag over de diepte en de Geest van God zweefde over de wateren. Toen zei God: ‘Er moet licht zijn’. En er was licht. En God zag dat het licht goed was. God scheidde het licht van de duisternis. Het licht noemde God dag en de duisternis noemde Hij nacht. Het werd avond en het werd ochtend. Dat was de eerste dag. En God zei: ‘Er moet een uitspansel zijn tussen de wateren, een afscheiding tussen het ene water en het andere.’ En God maakte het uitspansel. Hij scheidde het water onder het uitspansel van het water erboven. Zo gebeurde het. Het uitspansel noemde God hemel. Het werd avond en het werd ochtend. Dat was de tweede dag. En God zei: ‘Het water onder de hemel moet naar één plaats samenvloeien, zodat het droge zichhtbaar wordt’. Zo gebeurde het. Het droge noemde God land en het samengevloeide water noemde Hij zee. En God zag dat het goed was. En God zei: ‘Het land moet zich tooien  met groen gras, zaadvormend gewas en vruchtbomen die ieder naar zijn soort hun vruchten dragen, met zaad erin.’ Zo gebeurde het. En uit het land schoot  jong groen op, gras en zaadvormend gewas, in allerlei soorten, en bomen die ieder naar zijn soort hun vruchten droegen, met zaad erin. En God zag dat het goed was. Het werd avond en het werd ochtend. Dat was de derde dag. En God zei: ‘ Er moeten lichten zijn aan het hemelgewelf, die de dag van de nacht zullen scheiden. Zij moeten als tekens dienen voor zowel de feesten als voor de dagen en de jaren en als lampen aan het hemelgewelf om de aarde te verlichten. Zo gebeurde het. God maakte de twee grote lampen, de grootste om over de dag te heersen, de kleinste om te heersen over de nacht, en om het licht van de duisternis te scheiden. En God zag dat het goed was. Het werd avond en het werd ochtend. Dat was de vierde dag.

En God zei: ‘Het water moet wemelen van dieren en boven het land moeten de vogels vliegen langs het hemelgewelf.’ Toen schiep God de grote zeemonsters en al de krioelende dieren, waar het water van wemelt, soort na soort, en al de gevleugelde dieren, soort na soort. En God zag dat het goed was. God zegende ze en Hij sprak: ‘Wees vruchtbaar en wordt talrijk. Bevolk het water en de zee, en laat de vogels talrijk worden op het land’. Het werd avond en het werd ochtend. Dat was de vijfde dag.
En God zei: ‘Het land moet levende wezens voortbrengen van allerlei soort: tamme dieren, kruipende dieren en wilde beesten van allerlei soort.’ Zo gebeurde het. God maakte de wilde beesten op het land, soort na soort, de tamme dieren, soort na soort, en alles wat over de grond kruipt, soort na soort. En God zag dat het goed was.

En God zei: ‘Nu gaan we de mens maken, als beeld van Ons, op Ons gelijkend. Hij zal heersen over de vissen van de zee, over de vogels van de lucht, over de tamme dieren, over alle wilde beesten en over al het gedierte dat over de grond kruipt’. En God schiep de mens als zijn beeld, als beeld  van God schiep hij hem. Mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen. God zegende hen en God sprak tot hen: ‘Wees vruchtbaar en wordt talrijk. Bevolk de aarde en onderwerp haar. Heers over de vissen van de zee, over de vogels van de lucht en over al het gedierte dat over de grond kruipt. En God zei: ‘Hierbij geef ik alle zaadvormende gewassen op de hele aardbodem aan jullie, en alle bomen met zaaddragende vruchten. Zij zullen jullie tot voedsel dienen. Maar aan alle wilde beesten, aan alle vogels in de lucht en aan alles wat over de grond kruipt, aan alles wat dierlijk leven heeft, geef ik al het groene gewas als voedsel’. Zo gebeurde het. God bekeek alles wat Hij gemaakt had. En Hij zag dat het heel goed was. Het werd avond en het werd ochtend. Dat was de zesde dag. Zo werden de hemel en de aarde voltooid, en alles waarmee ze toegerust zijn. Op de zevende dag bracht God het werk dat Hij verricht had tot voltooiing. Hij rustte op de zevende dag van al zijn werk dat Hij verricht had. God zegende de zevende dag en maakte hem heilig, want op die dag rustte God van al het werk dat Hij scheppend tot stand had gebracht. Dit is de geschiedenis van het ontstaan van de hemel en de aarde, zoals ze geschapen zijn.

Nota
De in schuinschrift weergegeven teksten behoren naar mijn aanvoelen niet tot de oorspronkelijke grondtekst. Iemand voegde die toe. De teksten duiden op een organisator. Hij herhaalt bepaalde stukken om ze in een rituele context te plaatsen. Wellicht iemand van de priesterklasse die handig de tekst gebruikt om een bepaalde moraal  binnen te schuiven. Het is goed om eerst gans de tekst te lezen en dan nog eens de tekst zonder de schuinschriftparagrafen. Je zal merken dat dit dan vlotter en consequenter leest.

Deze tekst dient deze maand ook als MEDITATIE-tekst.

Het is alsof God zelf (of hoe we die oorspronkelijke scheppende kracht ook willen benoemen) van de ene verrassing in de andere valt. Er is altijd verwondering bij creativiteit, verwondering om de nieuwe gestalte, verwondering omdat die mogelijkheid zichtbaar wordt, verwondering omdat de maker verrast is door zijn eigen mogelijkheden. Zien dat iets goed is, door jezelf gemaakt. Och, misschien heeft God ook mogelijkheden gemaakt, nieuwe vormen, die niet goed waren. Dingen waarvan Hij spijt had. Best mogelijk. Doen wijzelf – godegelijk – ook. Maar die ‘niet-goede scheppingen’ staan niet vermeld in het verhaal van de verwondering. Ikzelf ben in mijn leven in alle geval dikwijls verwonderd geweest over dingen die ik vorm heb gegeven, gecreëerd, en zag dat ‘ze niet goed waren’. Het waren nieuwe aanzetten om voortaan beter te scheppen. Wat me in deze Genesis-tekst zo opvalt is dat God blijkbaar verwondering heeft moeten leren... door te scheppen, vormen toe te laten, te riskeren. Hij leerde zien en zich verheugen. Zin krijgen in scheppen. Exploreren, experimenteren, spelen met materie en met het immateriële. God die blijkbaar over zijn grenzen gaat en ontdekt dat Hij eindeloos is en oneindig in zijn mogelijkheden. En dat zijn wij nu –godegelijk – aan het ontdekken, onze eigen oneindige mogelijkheden.

Maden in de appel

Waarom leven wij nog maar zelden uit verwondering? Omdat we niet meer in wonderen geloven? Misschien. D’er is ons zoiets aangepraat zowel dat er mirakels zijn als dat we er beter aan doen ons aan te sluiten bij een absolute scepsis. Bovendien is er een wezenlijk verschil tussen een wonder (een feit) en verwondering. We blijven er diep in ons mee zitten: een dikke twijfel aan de zin van bestaan. Er zitten vette maden in de appels van de levensboom. En die vreten ons leeg en die knagen aan de wortels van die boom van paradijselijke overvloed.. Voortdurend, in een constante stroom van informatie, wordt onze aandacht afgeleid. We zien blinkende en glitterende onwaarachtigheid. Kermisplezier. Kermissen verhuizen van dorp naar dorp, telkens naar elders, omdat het heel vluchtige verwondering voortbrengt. Niets wezenlijks. Kermissen hebben een vaste datum en vaste staanplaatsen.

Het meest vernietigende voor verwondering is ze vast te leggen in tijd. Wanneer men van een mythe – het wezenlijke dat ze in een verhaal wil vertellen – een gebeurtenis maakt, een feit met datum en alle soorten referentiepunten – dan wordt ze de nek omgedraaid. Dan stikt ze. Een mythe heeft zielen nodig, eindeloze ruimte dus, om haar te verstaan met innerlijke ogen. Die ogen zijn ons uitgestoken. ‘Ze zagen toen dat ze naakt waren’, staat er plots zo onbegrijpelijk plat. Sindsdien kijken we vanuit schaamte, vanuit schuld. Het wordt in één klap allemaal dof. Ineens is er geen sprake meer dat ‘Hij zag dat alles goed was’. Geen verwonderde God meer, maar een boze. De grootste verandering gebeurt niet bij de mens maar bij die God. Hij wordt onherkenbaar. In een tweede scheppingsverhaal (er zijn er namelijk twee, met elk een andere toon. Ze staan vlak achter elkaar.) wordt ons iets heel anders voorgehouden. God wordt plots ‘de Heer God’, afstandelijk en autoritair, mannelijk en een vaste figuur. Er worden regels geformuleerd, wetten gedecreteerd. Er wordt gedreigd en beschuldigd. Er komt jaloesie om de hoek kijken. Dat is gans andere koek. Het eerste verhaal is geschreven door iemand met zielenogen, vanuit binnenin. Prachtig vloeiende visie. Een dichter, een ziener. Het tweede verhaal is geschreven door een moralist, een  muggenzifter die een systeem wil installeren. Iemand die het leven pijnlijk vindt, iemand met een made in zijn appel, iemand met een uiterlijke objectiverende kijk. Triestige man. Hij ziet geen oneindigheid. Hij is lid van scepsis, in de bond van moralisten. Die made vreet diep in hem. Ik druk dit tweede verhaal niet af. Ik wil je ontmodiging en kortzichtigheid besparen. Maar je kan het natuurlijk zelf wel opzoeken. Een confrontatie met de maden kan heel bevrijdend zijn. Het toont je in ieder geval waar je niet in de appel moet bijten. Zie: Genesis 2, 4b – 25  en  3, 1 – 24)

Een lepe onderkruiper

Een lepe onderkruiper voor verwondering is de absolute eis om alles te bewijzen. Fundamenteel voor elke positieve wetenschap is de georganiseerde twijfel. Er moet voor alles een bewijsvoering worden voorgelegd. Denken is de doder van verwondering, dé lepe onderkruiper. Die maakt de ruimte zó klein, zó bekrompen. Mythe is in die middens een scheldwoord.

Natuurlijk moet er wetenschap zijn en natuurlijk moeten we denken, onderzoeken en analyseren. Echt wel nodig. Maar tegelijkertijd moeten we ruimte laten voor andere dimensies. Kijken met objectieve ‘ogen’, werken binnen velden met vaste regels en axiomata, criteria die de wetenschap zelf bepaalt: het is prima. Maar wat moet het saai zijn voor droge wetenschappers om niet te kunnen en te mogen constateren dat verwondering precies dat gevoel geeft waardoor ze hun wetenschap overstijgen. Verwondering geeft je vleugels! Verwondering, zo lijkt me, zou precies dé basis moeten zijn van elke wetenschapper. Verwondering met beide voeten op de grond, gegronde verwondering. Met de grootst mogelijke objectiviteit getuige zijn van de grootst mogelijke ruimte. Deze maand stierf pater Jan van Kilsdonk, een jezuïet. Hij was een bijzondere man, een uitzonderlijke mens. Hij was een rare snuiter, vriend van marginalen, vertrouwensman van vele ‘anderssoortigen’. Eén van zijn merkwaardige uitspraken was: ‘Homoseksualiteit: wat een echte vondst van de Schepper!’. Kijk, dat overstijgt wetenschap, moraal, psychologie... Dat overstijgt het ‘normale’. Dat is verwondering en schept verwondering. Het fluit alle bedenkingen terug. van Kilsdonk zag het gebeuren, het scheppende, de vondst. Daarom is verwondering altijd als een zachte bries, zoals het voorbijgaan van het goddelijke aanvoelt, een wind van liefde en diepdoorvoelde aanwezigheid.

Leven in verwondering

Deze maandbrief kadert in onze opzet om ons te bevrijden van angst. Verwondering is een basishouding van spiritueel leven. Angst staat daar diametraal tegenover. Men zegt: ‘Als  je niet wordt als kinderen...’ Bij kinderen zien we nog verwondering. Zij verbazen zich nog. Ze zijn nog niet blasé. Alles is nog ontdekking. Ik kan best een eind mee met deze uitspraak. Maar ik vind ze ook misleidend. Het pint verwondering op een kinderzitje. Het riskeert verwondering infantiel te maken, naïef. Het wordt de hoogste tijd om in verwondering volwassen te worden. Met wijd open ogen niet alleen te kijken maar te zien. ‘Nu zie ik en handel ik nog als een kind, maar later zal ik zien van aangezicht tot aangezicht.’ Dat is voluit.

Doorheen de geschiedenis kan je mensen sprokkelen die blind waren maar ‘zieners’ werden genoemd. Oudere wijze volwassen mensen met een diepgaande visie. Leven in verwondering is leren zien ‘dat wat is’. Niet wat we willen zien, maar wat is. En dat is opzienbarend d.i. het baart zien, het laat zien geboren worden. In die zin is verwondering telkens ‘een tweede geboorte’. Men wordt anders.

Onze hersenen zijn het centrum van ons denken, ons verstandelijk analytisch objectiverend rationaliseren en systematiseren. Het is een prima orgaan en gans onze hoogtechnologische beschaving is er de vrucht van. Maar ons hart is het centrum van verwondering en vernieuwing. Verwonderen doen we met ons hart. Denkend ontrafelen we, halen we uit elkaar. Verwondering ziet het geheel dat nieuwer en groter uitdeint. Dat noem ik het gebeuren, en staat tegenover gebeurtenis. Het is veel omvattender.
In wezen doet denken ons ontmoedigen: we beseffen meer en meer dat we eigenlijk maar heel weinig weten van de totale werkelijkheid. Verwondering doet net het tegenovergestelde ervaren. Verwondering openbaart precies een weten met het hart hoe verbluffend de werkelijkheid is. Daarin verheugt ze zich. Het is ervaren hoe we in het mysterie kunnen instappen en het verkennen én hoe wijds het mysterie is. Er is geen terminus. Een echte wetenschapper is iemand die met zijn creatieve hart openstaat voor die wijdsheid zonder ze tot zijn bezit te maken. De wijdsheid stoort hem niet. Hij heeft ze lief. Er bestaat geen weten-schap van de verwondering, alleen slechts een schroomvolle openheid.
Het is iets dat je overkomt.

Aanbevolen literatuur

 

up naar boven


Terug