MAANDBRIEF Oktober 2008                                 Print

OVER DE ROOIE
WAT IS HAALBAAR ?

Apero

Wat kregen we vorige maand op ons bord? ‘Mededogen en verzoening’ was blijkbaar geen makkelijk verteerbare brok. Het bleef bij sommige op hun maag liggen, iets niet haalbaars. Nou, het is ook radicaal: niet alleen jouw naasten beminnen, maar zelfs jouw vijanden. Ik verwoord dit laatste graag als: heb ook datgene lief wat jou vreemd is, wat jou tegenstaat. Soms doen of denken we alsof we geluisterd  en gekeken hebben naar dat ‘vreemde of vijandige’. We hebben dan wel gehoord maar niet geluisterd, gekeken maar niet gezien. Meestal gebruiken we de woorden en het uiterlijke van dat vreemde precies averechts: woorden en uiterlijk worden dan  de bouwstenen van ons gelijk. We gebruiken ze om onze vooroordelen nog steviger te cementeren. Beton. In plaats van respect hebben we dat andere onderworpen aan  inspect-ie. We kijken niet naar de ziel maar controleren zijn denken en doen.Ik sta heel dikwijls volslagen paf hoe zogezegd gerenommeerde intellectuelen obstinaat vanuit hun ‘geleerdheid’ en hun principes alles omver redeneren. Geen ruimte voor het andere. De moderne passieprekers zijn niet meer te zoeken in kerkse middens, maar in de intellectuele sceptische donderprekers. Ze weten alles over alles. Omdat zij het niet zien zou het niet bestaan, kan het niet zijn.

Mededogen is een panoramisch kijken mét dieptezicht. Méér dan driedimensionaal. Het is bovendien een kijken met en vanuit bescheidenheid, een innerlijke terughoudendheid. Weten dat veel mogelijk is wat ik totnutoe niet weet en niet zie. Het is de eigen ruimte van het geheugen, van herinneringen, van ervaringen, van argumenten, van het gelijk  van wie dan ook, leegmaken, totaal ontledigen. Alleen dan is er ruimte voor het onverwachte, onmogelijke, het wondere, het gans andere, onvoorspelbare, onwetenschappelijke, bizarre, nieuw-maatschappelijke, anders religieuze, nieuw ethische... Weet je, de wereld is continu in verandering. De kosmos speelt met onze conservatieve honkvaste betweterige voetjes. Het is een kunst om die speelsheid en souplesse te leren. Mededogen en verzoening is in wezen speelsheid. Verbittering en haat zijn een extreem tekort aan humor en een ziekmakende overdosis ernst. Vooral zelfhumor.
Haalbaarheid

Daarom tracht ik voor mezelf slechts één principe over te houden: Wat is voor mij, hier en nu, haalbaar. Reacties op de vorige brief kwamen in feite neer op: Die radicaliteit is in principe o.k., maar toch... er zijn grenzen. Je kan toch niet zomaar over je heen laten walsen. Laten we dit eens van kortbij bekijken. We gaan wel akkoord met de idee ‘heb jouw vijanden lief’. De angels, de weerhaken remmen ons echter af: er zijn grenzen, er zijn voorwaarden, er zijn vroeger dingen gebeurd , of ze gebeuren nog altijd... Komaan, Marcel, er zijn toch grenzen...soms is het  al te gortig, soms is het voor mij over de rooie, ik hoef dat toch niet te pikken dat ze op mijn ziel trappen... Het is nu de moeite waard om even na te gaan wat voor jou die woorden betekenen. Wat zijn jouw grenzen, welke zijn jouw voorwaarden, waar ligt jouw rooie, wat is jouw ziel ? Ik kan niet invullen wat die woorden voor jou persoonlijk betekenen. Alleen maar wat ze in mijn leven oproepen, want ik voel die grenzen en die rooie etc. natuurlijk ook wel. Ik ga dus verder in de ik-vorm.

In mijn diepste wezen voel ik me sterk aangesproken en opgevorderd tot die radicaliteit van mildheid en mededogen. Ik herken dit in mijn ziel. Was ik maar die geheel-de (om het woord heilig niet te hoeven gebruiken!). Maar boven op mijn ziel ligt een eeltlaag, hangt een taaie wolk. Als ik daar aandachtig naar kijk zie ik een brij geheugen. Ik weet wel dat voor mijn verstandelijke activiteiten mijn geheugen me heel goede diensten kan bewijzen (alhoewel ze zelfs voor mijn verstand en intelligentie misleidend kan zijn). Al mijn ervaringen, alle gebeurtenissen, alle ontmoetingen, alle prestaties en falen, alle vreugdes en pijnen, kortom alles sla ik op in mijn geheugen. Zoals groeven op een vroegere muziekplaat. Soms zijn ze dunne groefjes, haarfijn, soms zijn het brede diepe sporen. Soms blijft de plaat hangen en reproduceert ze ergerlijk telkens dezelfde ervaring. Ik vergelijk mijn geheugen soms ook met zo’n oude klapperdoos-adressenbestandje. Er waren doosjes met aan de rand het alfabet en een metalen schuivertje. Je zette dat schuivertje op een letter, drukte op een veer en floep! daar stond dan naam, adres en telefoon. Ik merk soms dat een plaats, een stem, een naam, een geluid floep! zegt en zit ik er middenin. In de pijn, in de zaligheid, in de angst... Het schuivertje schuift geconditioneerd me d’erin! dwingt me d’erin! het gebeurt gewoon, alles komt weer boven drijven. Soms merk ik dat ik floep! aan mijn grenzen sta. Daar heb ik een meet getrokken, een rooie. Daarvóór liggen mijn principes, mijn argumenten, mijn gelijk. Dat is langs mijn kant van de rooie. De meet ligt geheid vast. Op de meet staan een stapel voorwaarden, mijn als-en... Alleen als die volgens mij vervuld zijn, en dan nog, wil ik de krijtlijn, de rooie wegvegen. Aan de andere kant van de rooie staat dat andere, die andere. Die heeft op zijn beurt zijn principes en zijn voorwaarden tegen de mijne opgestapeld, op zijn rooie. Mijn rooie en zijn rooie zijn eigenlijk één en dezelfde grens, maar dat wil ik noch hij geweten hebben. Het is mijn rooie. Wat hij denkt of voelt of zegt kan mij geen rooie schelen.

Tussen haakjes. Het woord rooie heeft te maken met territoriumafbakening, niet met een rood knipperlicht of zoiets. Vroeger wisten boeren heel goed waar de rooilijn lag tussen twee eigendommen. Landmeters en notarissen en kadasterplannen gebruiken nogt altijd de term ‘rooilijn’. Leuk is nu dat de rooi (streep, lijn...) in feite een niet-zichtbare lijn is tussen twee : twee velden, twee individuen, twee meningen... Het is dus een lijn die wij denkbeeldig trekken, maar er in feite niet is.

Wat staat er nu tegenover elkaar? Mijn ego tegenover dat van iemand of iets anders. Ik vul nu voor mezelf in:
Mijn kennis tegenover de zijne, mijn spiritualiteit tegen...,  mijn bezit, geld, eigendom tegeno..., mijn uiterlijk tege..., mijn waarden tegenover..., mijn kinderen teg..., mijn eer tegenover zijn eer. Al deze mijn’s samen vormen mijn ego. Ze vullen mijn egoruimte. Anders uitgedrukt: mijn volgepropte egoruimte is mijn staat van bewustzijn. Daar sta en leef ik in, daar doe ik in mijn dagelijks leven beroep op. Dat bewustzijn – ik haal het beeld van eelt en de taaie wolk weer naar boven – is dus een mistig, eeltig gedoe.

Staat van bewustzijn

Het wordt me dan ook stilaan duidelijk dat ik handel en besta vanuit mijn staat van bewustzijn. Er is ook zoiets als een collectieve staat van bewustzijn. Als ik handel vanuit een groep zoals mijn gezin, mode, trends, politieke partij, godsdienst, maatschappij... Is die statisch, onwrikbaar, onveranderbaar of kan ik die staat activeren, dynamiseren? Nou, er zijn er taaie bij al naargelang ze al oud verankerd liggen, maar anderen vallen heus mee. Er is dus wel wat aan te breken, te bouwen en te designen. Ik ervaar dat in mijn leven. En nu komt opnieuw de diepere betekenis van respect naar boven. Ik heb namelijk niet goed gekeken en herkeken. Ik heb me laten vangen door mijn egobewustzijn. Lange tijd heb ik gedacht – en soms doe ik dat helaas nog – dat ik mijn egobewustzijn ben. Dus: ik vereenzelvig me met mijn egobewustzijn. Mijn egobewustzijn: c’est moi! Ik dacht: hoe meer geheugen hoe beter, hoe meer grenzen en rooien des te solieder, hoe meer principes des te vaster, hoe meer intellectuele kennis des te zekerder. Dacht ik. Denk ik nog soms. Veel dieper en authentieker ligt mijn eigen oorspronkelijke staat van zijn. Mijn ego-bewustzijn camoufleert, omfloerst dat diepere zijn. Het is alsof ik kijk met wazige ogen. O, ik ben dit ego-bewustzijn ook. Ik ben dus ook die grenzen, die rooien, ik ben dus ook dat wazige bewustzijn. Het is verdorie heel belangrijk dat ik dat zie, dat het mij vervreeemdt van mijn diepere diepste staat van bewustzijn. Olala! Hier stoot ik op ‘datgene wat mij vreemd is, wat mijn vijand is’ en waar ik uitgenodigd word om het te beminnen! Ik stoot dus op mijn beperktheid, op mijn rooien. En wordt me nu toch niet gevraagd zeker om dit vreemde, dit vijandige, datgene wat mij afhoudt van mijn diepste authentieke zelf, te beminnen, lief te hebben! Wat een paradox!

Eigenlijk  kan ik dus mijn diepste staat van bewustzijn maar ontdekken als ik geduldig, met veel mededogen, de weg over mijn eigen beperktheden bewandel. Het is dus groeien in bewustzijn. Ik kan mijn staat van bewustzijn voller, dieper, hoger, breder maken. Ik stoot  op deze hobbelige weg voortdurend op mijn rooies. Maar ik kan grenzen verleggen. Van ‘het recht van de sterkste’ over ‘een oog voor een oog, en een tand voor een tand’, naar ‘bemin je naaste zoals jezelf’ en nog verder ‘ bemin wat jou weerstaat, wat jou vreemd en vijandig is’. Mijn staat van bewustzijn deint nog verder uit in eindeloze mogelijkheden. Het is ontzaglijk belangrijk om jezelf te beminnen, lief te hebben, zoals je bent, met alles d’erop en d’eraan, met al jouw rooies. Velen onder ons hebben dit niet geleerd, nooit mogen leren. Zich wegcijferen wel, maar zichzelf bemoedigen en graag zien werd zò egoïstisch afgeschilderd. Waar we gemakkelijk over struikelen en waaraan we ons kunnen doodergeren is dat sommige rondom ons, die zich nergens aan storen en zich van niets iets aantrekken, fluitend en zonder zorgen door het leven laveren. Nou, dat is hun staat van bewustzijn. Zij zien de eelt en de mistige brij niet hangen die hun diepere zelf camoufleren. Erger je niet, want jouw ergernis zou wel eens kunnen tonen hoezeer jij op jouw strepen staat, en hoe weinig je van jezelf houdt zoals je bent en zoals de ander is. Eigenlijk vul je dan jouw ego-ruimte op met zijn ego-energie. In plaats van je leeg te maken stouw je jezelf dubbel vol.

Over grenzen

Over grenzen heen is onze bestaansconditie. Het is een constant avontuur.
Regelmatig hoor ik mensen zeggen: ‘Na de dood is er niets meer.’ Is dat zo?

Nemen we een auto. Is het zo dat als een auto versleten is, tot een pakje schroot geperst, dat die er niet meer is? Niet meer in die bepaalde vorm auto, die individuele specifieke. Da’s juist. Maar toen die auto nog geen auto was, was hij toch al in wording. Voordien was er een boerenkar, voordien waren er nog geen wielen. Wie het wiel uitvond stond aan de wieg van de auto. Ikaros wilde vliegen, auto-noom. Er was dus een verlangen naar een lossere vrijere beweging. Iets dat niet meer zo onderhevig  was aan traagheid. Wie hunkerde voor het eerst naar snelheid? Wie wou zich anders voortbewegen? Wie wilde wat macho racen? Is een auto alleen maar een auto zolang hij kan rijden of in gebruik is? Zal de toekomstige auto nog te herkennen zijn als een auto? totaal andere design, totaal andere motor, totaal andere brandstoffen, totaal andere besturing, in een totaal ander milieu, een gans andere gekte. Is de auto niet een soort wordingsproces. Het woord auto betekent zelf. Auto-mobiel: iets dat zelf voortbeweegt. De idee – zelf voortbewegen – is zo oud als het bestaan. Als ik nu mijn versleten auto tot een prakje ijzer laat persen, zit dan de idee ‘zelf voortbewegen’ meteen en definitief in dat prakje?

Elke mens is ook zo’n wordingsgeschiedenis. De mens had niet altijd de vorm die hij nu heeft. Zijn design duurde een eeuwigheid. Hij is geworden. Geboetseerd door de tijd. Ooit als een amoebe misschien in het water begonnen, één celletje, en dan de hunker naar meer celletjes en zovoort en zovoort. Als de eerste ‘mens’ een ‘huidige mens ‘ zou ontmoeten, dan zou hij zich een aap schrikken. Maar er zit een soort ‘auto’, een zelf in die wording. In dit proces passeert hij veel niet-zelf. Veel niet-zelf trekt door hem heen, daar botst  hij op, terwijl de hunker in hem verder woedt naar meer zelf. Niemand weet waarheen die queeste gaat. Vasthangen en vasthouden aan een bepaalde vorm of vormen zijn de rooies die ons remmen in onze zoektocht naar ons diepste zelf. A never ending story. Naast die gedrevenheid naar ons diepste zelf is er de voortdurende neiging om aan te komen, een eindstation, een veilige definitieve haven, een hemek of een donker niets. Gedaan fini the end. We trekken dan een rooie, een denkbeeldige streep tuusen twee velden, hier en daar, hier en nergens. We installeren opnieuw een dualiteit. We stouwen onze ego-ruimte gitzwart vol, lopen tegen een betonnen muur op en laten ons zinken in een poel van fatalistische gelatenheid. Geef mij maar ‘auto’. Ik wil met aandacht en in heerlijke staat van bewustzijn over nieuwe banen racen, met nieuwe landschappen, over grenzen heen, onbegrensd, zonder me te ergeren aan andere auto’s, in vrolijk mededogen.

Haalbaar voor mij

Vraag die telkens weer opduikt: ‘Hoe moet ik dat nu doen, practisch?’ Simpel: ik kan alleen maar dàt doen en zò doen als mijn staat van bewustzijn van dat moment is. Daar hoef ik niet voor na te denken: mijn handelen is altijd gecorreleerd met mijn staat van bewustzijn. Elke mens heeft zijn of haar staat van bewustzijn. Die is voor ieder anders, uniek. Hoe minder bewustzijn des te minder uniek want meer massa. Dan handelt men vanuit ‘men’, onpersoonlijk, groepsbepaald. Er is een lange ladder van soorten, gradaties van bewustzijn. Het komt er dus op aan jouw bewustzijn in de gaten te krijgen: kijken en herkijken...met respect, met mededogen, maar wel durven kijken en volhouden. Hé, ik handel, ik denk, ik voel zo en zo! Wat drijft me, wat beweegt me? Kan ik daarachter staan, is dat auto, is dat mijn groeiende bewuste zelf? Mijn staat van bewustzijn kan ik dus opschuiven: oppervlakkiger of  aandachtiger. M.a.w. mijn doen en laten liggen dus niet vast. Ik kan die bewegen. Ik kan telkens kijken en ervaren wat voor mij, hier en nu, naar de staat van mijn groeiend bewustzijn, haalbaar is. Soms ligt de lat te hoog en dan is het niet haalbaar. Nu niet, misschien later wel. Niet haalbaar  streven is roekeloosheid of overmoed. Soms leg ik de lat te laag. Dat verlamt mijn aandacht en streven . Ik verzak in roerloosheid, in bewegingloosheid. Dan ga ik rotten. Het is een prachtig spel van inschattingsvermogen. Net zoals in voetbal of bij het rijden met een auto.

Dus: rijen maar!

up naar boven


Terug