MAANDBRIEF December 2009                                 Print

AANWEZIGHEID
Remember

We hadden het over angst en vertrouwen in de vorige maandbrief. Het eerste is rijden met de handrem op. Het remt en vertraagt de werking van de geest in actie. Het tweede is overgave aan het leven en men legt zich dan in de creatieve flow van de levensbeweging.
Durven de eigen angsten in de ogen te kijken en te ontdekken dat ze in feite kansen zijn om nieuwe perspectieven te openen. Al lijken angsten jouw territorium te doen inkrimpen, als je over de grenzen gaat, kom je in nieuwe beloftevolle landen.
Normaal gaan we in een angstsituatie op de loop of verkrampen we. Behoudsreflex. We knijpen onze ogen toe. Maar je kan ook diep ademhalen, je focussen. Angst beklemt. Ze grijpt terug naar het verleden. Focussen doorziet de situatie, blijft rustig. Ze ziet de hindernissen maar ook de nieuwe openingen. De enge gevoelens die met angsten gepaard gaan zijn de barensweeën van de overgangen. Met de regelmaat van een klok moeten we door de engtes. Leven is bewegen, weet je nog.

Angsten brengen je altijd ergens anders dan nu. Meestal in het verleden of in de toekomst, op basis van in het verleden opgedane nare ervaringen. Eigenlijk ben je dan nooit aanwezig. Je bent verstrooid, afwezig, niet alert, niet hier. Er is altijd wel een stemmetje dat in je bang babbelt, altijd ‘ja, maar…’ influistert. Het doet een sluipuitgang vinden. Conclusie: meestal zijn we af-wezig. Dat is jammer. We leven dan niet eens half.

Aanwezig

Aanwezig is een eigenaardig woord. Het heeft een paradoxale inhoud. Enerzijds geeft het aan dat ‘je d’er in bent’. Ik ben hier en nu. Anderzijds suggereert het ook de mogelijkheid dat je afwezig bent, d’er niet bij. Aan en af dus. D’er bij en d’er niet bij. Je kan dat heel bewust ervaren als je wilt. Betrap je er maar op, het is een koud kunstje. Bovendien is het telkens een opstapje naar meer bewust leven. Soms maakt je partner of een vriend je daar attent op: ‘Hé, je bent er niet bij, je droomt,, je bent afwezig’.
Nochtans is  aanwezig-zijn de meest fundamentele en normale ingesteldheid. In feite zijn we er altijd. We kunnen niet er niet zijn. We kunnen wel onze staat van bewustzijn zó verdoezelen en verdwazen dat we nauwelijks of niet meer weten dat we er zijn<;we worden geleefd. We zijn dan niet meer ‘aan het bewust zijn’. Eigenlijk is er niets stommer dan niet aanwezig te zijn. We zijn dan letterlijk blind en lam en ongehorig en ongevoelig. Kortom: we laten onze zintuigen, zowel uiterlijk als innerlijke, uitschakelen. Maar in feite kan ons zijn nooit verdwijnen. Het is onvervreemdbaar. Misschien staat ons bewustzijn van ons diepste zijn op een minuscuul pitje, maar desondanks zijn we.
Weet je, dat is een ongelooflijke troost.? We kunnen dus altijd terugvallen op de zekerheid van ons onvervreemdbare zijn. Die zekerheid is de garantie van vertrouwen. Ons zijn laat ons nooit in de steek.

Presentie

Ik herinner me mijn legerdienst. Elke morgen moesten we present zijn. Appèl. De dienstdoende man met strepen riep een naam en ergens antwoordde een gewone piot dan ‘aanwezig’. Het gebeurde wel ooit dat er valselijk ‘aanwezig” werd geroepen. De afwezige-aanwezige was er niet. Die lag dan te slapen of had ‘de muur gedaan’, ribbedebie. Soms is ons bewustzijn ribbedebie, weg, niet aanwezig. We zijn dan misschien wel lijfelijk aanwezig, maar eigenlijk niet op appel. We presenteren ons niet om godweet welke reden.
Presentie komt van het latijn: prae=voor en esse= zijn: er voor elkaar zijn. Zich aan elkaar presenteren, voor-stellen. Zoals men is. Het is dan ook een wederzijdse bereidheid om zijn met elkaar uit te wisselen. Of beter nog: men openbaart onderlinge aanwezigheid. We herinneren elkaar, in alle openheid, dat zijn onze gezamenlijke basis is. Dit is als een herkenning, een terug ontmoeten, van een intieme vriend, na jaren. Het is een opspringen van vreugde, een zalig samenvoelen in één aanwezigheid. We kunnen dit doen in een grandioze creativiteit van eindeloze rijen vormen, of we kunnen het zinderende zijn verdoffen en verduisteren.
Presentie kan je ook analyseren op een andere manier. Pre is dan vóór, een tijd- en ruimteaanduiding. Men wil aangeven dat vóór alles, vóór elke vorm, vóór elk ding of persoon het zijn er al was. Uit het zijn verschijnen pas alle mogelijke fenomenen. Ook dat kan je gemakkelijk experimenteren. Ga meer eens even na: vóór elke gedachte of beweging of woord dai je denkt, doet of spreekt, ben je d’er al. Er is dus altijd eerst jouw eigen grond, jouw absolute zijn. Dát mens, dát ben jij.

Bemin jouw naaste als jezelf

Als we dit door hebben, die fundamentele basis van ons zijn, dan kunnen we begrijpen wat we allen wellicht té gemakkelijk in de mond nemen: bemin je naaste als jezelf. Immers, als we onze eigen zijnsbasis voelen als datgene wat altijd fundamenteel aanwezig is, m.a.w. als we onszelf liefhebben zoals we zijn, dan beseffen we dat dit dezelfde basis is als deze van onze naaste, van elke naaste, elk ding, elke gedachte, elke vorm. We zijn met elkaar verbonden. We ontdekken dan dat er een verbluffende eenheid is. In die eenheid voluit aanwezig zijn is een zalige stat van bewustzijn.
Aanwezig-zijn is dan zich zó nabij in die eenheid weten, met alles verbonden, verstrengeld zijn. Het is het gevoel van genegenheid. Je neigt je naar het andere toe, vlakbij. Als kleine kinderen, vol ontdekkingslust, lopen we, dansen we van die volheid weg, de wereld in. Maar telkens kunnen we ook terugkeren naar die geborgenheid. Alle vormen komen uit die moederschoot. Ze zijn spetterende uitingen van die eenheidskracht en ze getuigen van hun oorsprong. Hoe korter, nabijer we aanwezig zijn,met  al onze aandacht en tederheid, met al onze kracht en enthoesiasme, hoe meer we de smaak van die eenheid kunnen proeven.

Vanuit deze diepe ervaring ontkiemt dan ook respect. Alles wat uit haar ontstaat verdient het volste respect. Van het kleinste eencellige wezentje tot de meest flamboyante gedachte. Van de armste tot de rijkste. Van de grootste intrigant tot de meest zuivere en vriendelijke. In de eenheid, naakt en ontdaan van elke bekleding, is alles één. Zali wie door de vormen en de omhulling heen kan kijken. Hij of zij is dan een ziener. Hij of zij is dan kunstenaar in aanwezigheid.

Licht

In deze kersttijd - nochtans donkere dagen – gedenken mensen het verschijnen van het licht. Hunker naar licht. Echt licht is zuiver. Het is als een bron die mysterieus, zonder plaats en zonder tijd , ontspringt/ Licht is. Het is vooraleer er iets is. Het doet door haar straling alles ontstaan. Niets was en is er vóór het licht. Pas dan zien we vormen, krijgen ze contouren, gestalten, worden kleur en beweging.
Zo ook de eenheid. Uit haar worden e geboren. Uit haar worden we verscheidenheid. Pad door het licht en eenheid kunnen we aanwezig zijn.
Duisternis doet alles verdwijnen, laat verdwalen, vervreemdt. Alles wordt afwezig? Ruimte wordt beklemmend, tijd beangstigend. Duisternis maakt dat we over dingen en meningen struikelen. Ze hebben geen dimensie meer, geen kleur, geen perspectief. Alles verstomt, bevriest inj onbeweeglijkheid.
Dat is het gevecht van de kerstdagen.? Overal willen we beschermend licht, zodat we aanwezigheid kunnen zien en vieren.

Over grenzen

Willen we dit, dan moeten we over grenzen. Eigenaardig en paradoxaal laat licht en eenheid eerst alle verscheidenheid ontstaan. Licht ontwerpt. Eenheid laat veelheid geboren worden. Dan begint de mysterieuze weg om vanuit die versplinterde wereld terug de eenheid en het licht te onthullen.? We moeten dus terug over de begrenzing die de dingen als schaduwen werpen, naar het licht. Socrates in zijn grot. Van vervreemding naar herkenning, van verleiding naar oorsprong.

Het is als een reis. Vertrekkend van thuis, vanuit het eigen land, over grenzen naar andere landen, om na al die reiservaringen verrijkt weer thuis te komen. Het verhaal van ‘de zoon in de verlorenheid’, die terugkeert naar de vader. Door deze weg te gaan wordt de eenheid versterkt en verrijkt. Men kan ontdekken dat het licht en de eenheid overal i. Dat is aanwezigheid. Alles is overal in je aanwezig. Alles is vlakbij. Je draagt de kosmos in je hand. Je kan ze raken. Je kan ze liefhebben. Als je op grenzen stoot, rak je eigenlijk alles wat verder ligt. Het is er al, achter de grens. Eenheid is dus de ontdekking van al maar meer. En bij al-dat-meer kan je aanwezig zijn.

Er is geen sterker lokmiddel dan eenheid.
Er is geen grotere verleider dan verscheidenheid.

De sleutel is te zien dat verscheidenheid manifestatie is van eenheid. Blijf dus niet gefascineerd hangen onderweg. Hoe fantastisch onderweg ook is het is deel van de weg naar eenheid. De weg is eindeloos. Geweldig dat je die eindeloosheid kan raken, vlakbij, altijd present, altijd opnieuw, in vervoering. En telkens opnieuw zal je verrast zijn dat jij die eenheid bent. Je vindt jezelf door aanwezig te zijn.

 

up naar boven


Terug