MAANDBRIEF Januari 2009                                 Print

PASSIE
IN HET LEVEN BIJTEN

Een vòòrsmaakje

Vorige maand hadden we het over AANWEZIG-ZIJN.
We kunnen ons realiseren dat alles IS, dat alles ons aankijkt, zoals wij alles aankijken. Het is veranderen van standpunt. In feite merken we dan dat er geen stand-punt is, maar wel hoe alles op alles inspeelt. Er is een voortdurende wisselwerking. Dit over-en-weer, dit ontstaan en bewegen van vormen noemen we leven. Alles leeft. Er is voortdurende aanwezigheid, een stroom van zich uitstortende energie. Maar we zien het niet of nauwelijks.

Ik ben er een weekje tussenuit geweest. Een lieve vriendin des huizes bood ons een verblijf aan in Spanje. Op Sinterklaasdag stoomde het schip van Sinterklaas naar het Noorden en wij vlogen averechts naar het Zuiden. Malaga is de geboortestad van Picasso. We mochten het dus niet laten om het kleine Picasso-museum te bezoeken, vlak achter de grote kathedraal. Ik was niet zo’n fervente Picasso-fan tot nu toe. Picturaal-esthetisch kwam hij me altijd vreemd over. Maar ik heb bij mijn bezoek iets geleerd, iets gezien wat ik vroeger nooit had opgemerkt. Ik vroeg me namelijk af waarom hij dikwijls gezichten of menselijke lichamen dubbel schildert, alsof hij het hoofd openplooit, ontdubbelt zoals een opengevouwen karton. Vroegere cartografen deden dit ook met de wereldbol. Als wij als gewone mensen kijken dan kijken we tweedimensionaal. We kijken tegen alles vlak en plat aan. Tweedimensionaal dus. We zien wel met perspectief (vóór de Renaissance deed men dat niet in de schilderkunst), maar toch blijft het plat en vlak. We zien geen zijaanzicht of achterkant. Picasso wil dit precies wel doen: achter het hoekje kijken, andere kanten laten zien, de gezichten, de lichamen langs ongeziene kanten zichtbaar maken. Het blijft plat en vlak, maar het ontvouwt wel suggestief. Hij wil de Januskop van de realiteit op het canvas openrollen. Het is een poging om het vlakke doek een hologram te laten zijn: de mens en het lichaam en de dingen in hun verschillende facetten tonen. Meteen ontstond er in mij het hevige verlangen om zintuiglijk alles niet meer alleen tweedimensionaal te ervaren maar meer-dimensionaal. Alles rondom en vanbinnen en diep, niet meer vlak, niet meer ob-jectief nl. als iets dat ‘tegenover is geplaatst’ (ob-jacere). Ik werd er mij van bewust dat we gewoonlijk tegen alles aankijken, er tegenop botsen. We dringen er niet in door en laten ons er niet door doordringen. Het is alsof alles ook tegen ons opbotst. Het is voortdurend nog twee.

Bij toeval las ik gedurende die vakantie het boek van Erik van Ruysbeek ‘Mystiek en mysterie’ terug, na jaren. Als door de bliksem trof me zijn mystieke ervaring van de ‘baksteen’. Hij verhaalt hier precies wat Picasso nog vlak en plat moet weergeven en wat hij ‘ziet’ dwars doorheen het zien: de werkelijkheid in zijn multidimensionele totaliteit. ‘Ik reisde onbelemmerd met de snelheid der gedachte of ook zo traag door de éne werkelijkheid van het oneindig kleine en slechts mijn mensenoog wist nog waar ik mij bevond, in een vlieg, in het hart van mijn geliefde, in het brein van een strenge professor of in het beton van het nieuwe universiteitsgebouw. (p.21)
Hij noemt dit ook ‘los door alle lichamen heen’ (p.20)
(E.van Ruysbeek, Mystiek en mysterie. Ankh-Hermes, Deventer, 1992)
Dit ‘zien los door alle lichamen heen’ is een exacte benoeming van aanwezig-zijn. Het is niet meer een kijken naar de platte vlakke werkelijkheid, meer een in-wezenheid. Deze soort zintuiglijke ervaring gaat verder dan wat we hedendaags een hologrambeeld noemen. Het is het ervaren van de werkelijkheid als  ‘de alles overheersende en doodringende eenheid van alles.’

‘Niet alleen de kosmos, maar wat de kosmos kosmos deed zijn, niet alleen het bewustzijn , maar wat het bewustzijn bewustzijn deed zijn, en zo verder; het zijn en de oorsprong van het zijn, het zijn van het zijn, de zijnden en de oorsprong van de zijnden, het zijn van de zijnden, het leven en de oorsprong van het leven, alles wat men zich kan inbeelden, alle categorieên en variaties van de werkelijkheid: zij waren één, zij waren één ding, één vanzelfsprekendheid. De éénheid bestond niet uit één verband met elkaar, uit onderlinge relaties, uit hierarchieën, die één waren, maar zij was werkelijk één. Er was één enkel ding, er bestond geen ander en geen andere. Er was maar één ding, onbegrijpelijk voor het verstand, duidelijk, vanzelfsprekend in de ervaring. Ik was de boom. Ik was de zon. Zonder dat mijn verstand dit begreep was dit een vanzelfsprekendheid. Het verblindde me zelfs niet. Het was eenvoudig een natuurlijke perceptie die ik objectief, nuchter, sereen waarnam. Eens trachtte ik dit te suggereren door te zeggen: ‘Ieder blad is gans het woud, gans het woud is ieder blad en ieder blad is ook ieder ander blad.’ (id. p.26)

Een volgende haalbare stap

Naast aanwezig-zijn en alerte aandacht daartoe, kunnen we een nieuwe stap zetten. Ik noem die wat uitdagend passie. Uitdagend, omdat in ons gewone taalgebruik, passie een negatieve bijklank heeft: een hitsige overkokende emotie. Maar dat bedoel ik niet.
Waar het om gaat is ‘durven in het leven te bijten’, zich door het leven te laten aanspreken, het leven dansen. Met de paplepel heeft onze cultuur ons geleerd heel zuinig en wantrouwend met het leven om te gaan. Langs alle kanten werden we er op gewezen dat het leven een mijnenveld is. Zelfs de Boeddha zegt dat leven lijden is en onze werkelijkheid maya, begoocheling en schijn. Daardoor werd de grond onder onze voeten weggehaald. Niet minder dan dat. Het is voor ons niet gemakkelijk om te herontdekken dat’ zijnsvreugde aan de bron van het leven ligt, dat het onze oorspronkelijke toestand is.’ (E.van Ruysbeek, Alles is reëel. El Bloque, La Nucia, 1977, p.37)

Nou, wat is zijnsvreugde?
In feite vrij simpel: vreugde omdat alles er is en is wat het is.
Beeld je eens in dat er in jouw omgeving niets is, dat jij er ook niet bent, dat er niets bestaat. Bedenk dit eens, fantaseer dat eens. Nog straffer: zelfs die fantasie kan niet bestaan als er niets is en jij er niet bent. Treuriger kan niet. Het is een schitterende oefening. Je kan nu ook de tegengestelde oefening doen: je verheugen dat alles wat er is werkelijk is. Kijk, vlak en plat, of in hologrambeelden, of nog dieper ‘los door alles heen’. Tel die zegeningen, gier het uit van contentement, dans, spring, zing. Echt waar: dit is een haalbare stap. Vreugde beleven aan het leven, levensvreugde, zijnsvreugde! Alles is! Als je vlak en plat kijkt ervaar je alleen maar het individuele materiële bestaan. Dat het er is en of het er is maakt niet zoveel uit. Van de meeste mensen en dingen bestaan er meerdere exemplaren en die zijn vervangbaar...als je vlak en plat kijkt. Ze komen en ze gaan. Hun bestaan is vergankelijk en voorbijgaand. Het leed of de vreugde die je eraan kan beleven zijn broos. Maar je kan ook als Picasso kijken: hun vóór- en achtergrond, hun aard en geworteldheid, hun plaats in de levensblauwdruk. Of nog dieper...

Pati

Hier ligt het kantelmoment van het anders kijken.
Het latijnse werkwoord pati betekent aangedaan worden, beroerd worden.
Het klinkt in ons woordgebruik heel passief, maar in feite is het een diep-actieve beweging. Het is een wisselwerking: aanraken en aangeraakt worden. Gegrepen worden door en grijpen van de werkelijkheid. Het werkt. Het doet iets, creëert. Het is pure schepping. Het is in de diepste zin van het woord zijnsvreugde. Genieten van alles wat is. Zien hoe alles ontstaat uit het ene grote veld van energie. Terugspoelen naar het Nulpunt. Leegte. De grond (on-grond noemt E.van Ruysbeek dat) ontdekken. Het is toch godgeklaagd bizar dat we het schitterende stamwoord pati hebben laten aanvreten en verloederen tot ofwel laaiende passie (met de onmiddellijke connotatie van zondig en ongebreideld) ofwel een afwezige ongeïnteresseerde ingesteldheid zoals we dit horen in passief.

Hoe moeilijk verwoordbaar de diepe ervaring van pati ook is, toch kunnen we trachten door enkele voorbeelden de smaak op te roepen die het teweeg brengt.

  1. Misschien, hopelijk, is het je al overkomen dat je iemand diep in de ogen of tot in de ziel hebt gekeken – en hoe die iemand jou tot in het putteke van jouw zijn raakte. Die smaak, dat aroma is een ervaring van pati. Deze wederzijdsheid, die wijkende grenzeloosheid, die totaliteit.
  2. Of de stilte van een bos. Wanneer alle bomen wijken, zich oplossen. Hoe jij dan in een onbenoembare ruimte, een verloren ruimteloosheid bent en nergens meer bent, opgenomen in een volle aanwezige afwezigheid. Dat is een ervaring van pati. Ik en het bos, het bos en ik. Zonder onderscheid.
  3. Misschien heb je ooit een dolfijnenervaring gehad: de gratieuze zijnsvreugde van eenheid met het water. Het water dat jou omvat. Het gevoel dat je zelf water geworden bent, zelf omvattend. Het water dat jou draagt en jij die je helemaal overgeeft aan het water.

Je kan  best een aantal ervaringen opdiepen: de roos, het eindeloos lopen, de geur van jasmijn, muziek, wind, zon...

Piek-ervaringen wellicht (peak-experiences, Maslow), bevoorrechte momenten. Maar in feite kunnen we die levensvreugde, zijnsvreugde, met om het even wat beleven (bv. ik vind die tafel mooi, nuttig, gemakkelijk...). De intensiteit is wellicht voller bij die piekervaringen, maar als we, stap voor stap, het kantelmoment toelaten - de openheid om ‘los door alles heen te kijken – wordt alles, het kleinste en het grootste, een pati-ervaring.

Probeer het eerst eens met mooie voorwerpen.
Wellicht zie je eerst het dingmatige van het voorwerp. Bemerk het woord voorwerp. Het is dus het eerste wat jou voorgeworpen wordt: het platvlakke tweedimensionale. Het is letterlijk nog maar het vòòrontwerp van het wezenlijke. Draai het nu Picassogewijs open, laat het kantelen in jouw handen, leg het open, loop er rond, betast het, ruik het, smaak het, beluister zijn klank... Tracht het te dóórzien. Laat het voorwerp nu naar jou kijken. Doe dus niets. Wat zegt het voorwerp jou? Spreekt het je aan? Past het bij je? Hoe is het tot je gekomen? Laat het zijn eigen weg en geschiedenis vertellen.
Laat alle zintuigen nu samenkomen in één ervaring: jij en dat voorwerp, het voorwerp en jij, één. Neem er de tijd voor, wat we gewoonlijk niet doen. Pati en geduld zijn een tweeling. Het is een ont-moeting. Bij pati moet niks. Hoe meer ont-  hoe beter. De tijdloosheid doet de hardste voorwerpen smelten, ze ont-doen zich.

In mijn collegetijd stond ik in de schoolvoetbalploeg. De pater die ons trainde was poësisleraar, een schitterende estheet. Hij was als trainer zijn tijd ver vooruit. Voetbal was voor hem als een dans, een teamdans: blindelings elkaar weten en voelen staan. Levende schaak, noemde hij het ook. Er waren op de duur in mijn ervaring geen tien andere speelgenoten en elf tegenstanders, maar één spelend veld, dansende automatische speellijnen. Het was speelvreugde, zijnsvreugde. Met de ogen toe.

Ik haal deze herinnering op omdat het voorwerp-kijken stilaan kan veranderen naar ‘kijken met de ogen toe’, een innerlijk schouwen, dat meer met smaken verwant is dan met toekijken. ‘Kijken met de ogen toe’ is een manier om zonder vooroordeel te ervaren. Die platvlakke blikken van onze gedachten werken remmend. Er is minder verbondenheid, dans. Alles is hoekiger, omlijnder, begrensd. Het platvlakke botst en snijdt meer. Kijken met de ogen toe geeft ervaring van éénheid. Zieners in de oudheid waren meestal blind. Het stamwoord van mystiek is het griekse mu-ein. Het betekent eigenlijk gesloten zijn van lippen en ogen. Het zijn exact de kenmerken van een mystieke ervaring: wat onverwoordbaar is en een zien met inwendige ogen.

Niet haalbaar! zeg je? We kunnen ons tenminste oefenen om ons kijken te laten kantelen. Niet meer platvlak maar met innerlijk schouwen. Rondom, langs alle kanten, buitenste binnen en binnenste buiten. Met de ogen toe en zonder een te snel gebabbel.

Hier stoten we weer op die terughoudendheid, maar nu laten we dit gepaard gaan met een grote gretigheid. De geur van jasmijn zal je nooit kennen als je niet in de nabijheid van een jasmijnboompje gaat staan. Steek je neus in zo’n bloemenscherm en adem diep. Durf gretig en vol leven. Zijnsvreugde kenmerkt zich  door een verlangen naar intensiteit. Het siddert zoals de hitte op een zinken dak.

Is het je niet opgevallen dat wij ons als moderne mensen op alle vlakken indekken. Verzekeringen voor om het even wat. We betalen ons blauw aan een resem polissen. We kennen de zijnsvreude niet meer van een kind dat fietsend roept: ‘Kijk, papa, met losse handen!’ We zijn bang, we zijn zo vooruitziend, zo regelend. Platvlak.

Gedrevenheid

Als ik hier een pleidooi houd voor passie, intensiteit, een oproep doe om in het leven te bijten, maak ik dan de weg niet vrij naar ongebreideldheid? Los door alles door, zonder grenzen, zonder beheersing?
Het is niet deze ingesteldheid die ik propageer. Ik sta dus voor een probleem: hoe moet ik ervoor zorgen dat pati – kijken met de ogen toe – niet verwordt tot tomeloze passie, dat met de ogen-toe-kijken niet wegglijdt in roekeloze verblinding? Wat is hierin mijn leidraad?
Ik heb al een aantal keren verwezen naar Ken Wilber. Leidraad bij hem is ‘Geest in actie’. Er is een gedrevenheid in gans de schepping, in de  Kosmos, naar complexer en rijker. Hiermee bedoelt hij een groeiend bewustzijn naar steeds hogere (of diepere) niveaus. Deze impliceren meer liefde, solidariteit, verbondenheid, eenheid... Ik kan me dus oriënteren in mijn gedrag, denken en voelen naar deze groeilijnen. Als ik mijn pati en gedrevenheid telkens wil toetsen aan dit ‘meer’, niet in de zin van een soort ‘streben’, maar in een meer en meer verfijndere afstemming. Precies dezelfde ingesteldheid vind ik terug bij E.van Ruysbeek: ‘In het kader van de algemene evolutie van de bewustwording op aarde, en ik bedoel hier werkelijk al wat leeft, van de ééncelligen tot de mens, constateer ik niet een gelijkheid, maar een gelijkwaardigheid van alle vorderingen, louter wegens hun hoedanigheid van vordering, van gedrongen zijn, van niet anders kunnen in de ricting van meer bewustzijn, meer kennis, meer intuïtie, meer liefde, zoals het leven op aarde, ondanks talrijke onvolkomenheden en regressies, daar een indrukwekkend schouwspel van biedt.. Zo zijn ook alle godsdiensten zulke gelijkwaardige pogingen, ook al meen ik oprecht dat zij niet het hoogste stadium bereiken noch kunnen bereiken. En met godsdiensten bedoel ik hier confessionele, gestructureerde systemen. Daarnaast plaats ik de wetenschap, de filosofie, de kunst, het atheïsme, het agnosticisme, enzovoort. Zij allen nemen deel , elk op eigen wijze, met eigen informatie en middelen, aan dezelfde bewustzijnsgeschiedenis. Alle bestijgen dezelfde berg.  (E.van Ruysbeek, Mystien en mysterie, p.52-53).

Zaak is dus of ik bereid ben om op een open, alerte, rustige manier, van ervaring naar ervaring, mijn leven wil afstemmen op en toetsen in zijn bewustzijnskwaliteit m.a.w. staat zij in de lijn van meer zijnsvreugde. Liggen mijn handelingen in de lijn van meer bewust-zijn, liefde, echte kennis, eenheid, vrede... Het is de moeite waard om op deze manier mee te werken aan de evolutie die alles doortrekt.

Laat die zindering in je toe.

up naar boven


Terug