MAANDBRIEF Oktober 2009                                 Print

ERGERNIS
Proloog
Vooroordelen hebben de pretentie om oordelen te zijn, maar in wezen vertroebelen ze elk  wijs oordeel. Ze zijn ondermijners. Ze ondervoeden jouw staat van bewustzijn met junkfood, rommelkredieten op jouw kapitaalmarkt. Het is een raar woord zoals bv. ver-onder-stellingen. Ze zittten altijd vòòr of onder, maar nooit op, recht erop, in authenticiteit. Ze zijn vervalsers. In het oordelen kozen we voluit voor epikeia. Ze is een houding van warme redelijkheid. Veeleer dan de rechtlijnige mannelijke logica denkt ze vrouwelijk circulair. Meer een aftasten vanuit alle hoeken, vooral vanuit de binnenkant met geloken ogen. Geloken vinden we terug in de luiken van een raam. Het is verwant met het engelse to lock, wat sluiten betekent. Kijken, inzien met geloken ogen om niet misleid te worden door de al te opdringerige uiterlijke impulsen. Oordelen, in zijn stamwoord, keert zich naar het oor-spronkelijke, naar zijn diepere wezen, naar het eigenlijke proces. Vooroordelen hebben een soort stiefzus: ergernis. Een gevolg, een bittere vrucht van vooroordelen, is ergeren of zich ergeren. Daarom bespreken we deze maand die kwaaie tante of norse nonkel ergernis. Het is een onkruid met een breed net van taaie wortels. Het groeit welig op elke ondergrond en verovert steeds meer terrein, zodat ze andere plantensoorten stikt. Als je zorg wil dragen voor jouw tuinstaat van bewustzijn moet je absoluut die parasiet grondig uitwieden.

Erg
Als we het woord erg gebruiken voorspelt dat niets goeds. ‘Da’s erg’. Maar het kan nog  slechter nl. erger. Ergst gebruiken we zelden, tenzij in: het ergst van al. Het is een kort woord. Het wringt in de keel en blaast dan tussen tong en gehemelte  naar buiten. Spreek het maar eens hardop uit. Soms wordt het wel gebruikt als een uiting van medeleven: da’s toch erg. Het moet een heel oud woord zijn, want over de oorsprong is men het lang niet eens. Erg en arg, arag en earg: al naargelang de verschillende talen. Een oerwoord waarin wellicht het klanknabootsend effect besloten ligt. Vanuit de keel – chakra van de communicatie – gorgelend en schrapend. Als je in jouw oude woordenschat gaat grasduinen, vind je o.m. arglistig (= iemand die met een list kwaad wil berokkenen) of argeloos (zonder kwaadheid of gaaf). We kunnen van dit adjectief een werkwoord maken: ergeren, verergeren. ‘Iets erger of slechter maken. ‘Dat gezanik ergert me’. Alles kan onderwerp zijn van  erger, angel tot ergernis. Alles kan stekelig worden, onverdraaglijk, op de zenuwen werken.  Het werkt accumulerend tot het de grens bereikt: erg, erger ergst.

Bemerk dat ergst in de keel begint, tussen tong en gehemelte blaast en tenslotte tussen tong en tanden naar buiten sist. Letterlijk: het komt me de strot uit! Het accumuleren steunt dus op een meervoud van zich herhalend gedrag dat storend werkt. Hier ligt het verband met vooroordelen. Die stoelen ook op dit werkingsprincipe. Verschil is dat ergernis een proces doorloopt als een stoomketel: de druk wordt alsmaar groter…tot het er langs spleten en kieren uitsist. Maar ze liggen wel in hetzelfde beddeke ziek: vooroordelen en ergernis. Het werkwoord ergeren gebruiken we meestal wederkerig nl. zich ergeren. ‘Hij ergert zich rot.’ Als iets of iemand mij ergert ligt de actieve pool buiten mij. Als ik mij erger aan iets dan heb ik het gebeuren van mij uit laten vertrekken. Ik heb het in mij getrokken en het daar …laten gisten. Een soort verrottingsproces. Het stinkt. Als iets of iemand mij herhaaldelijk heeft geërgerd en ik kan daar concreet geen oplossing aan geven, dan ontstaat er in mij een gevoel van ongenoegen en machteloosheid. Dat is het begin van zich ergeren’. Ik krop het op, ik stapel de kwaadheid op… tot ze er vroeg of laat – meestal verbaal – uitfloept. Het deksel  vliegt van de overkokende pot. Zich ergeren is het ergst. Het uiterlijke heeft zich verinwendigd.

On-genoegen

Ergernis is een jeukende vorm van ongenoegen. Ze krabt aan jouw gevoel van goed in je vel voelen. Soms tot bloedens toe. Het stopt maar als het bloedt, tot het venijn eruit kan. Ongenoegen is het averechtse van genoeg. Het woord genoeg gebruiken we om een kwantiteit aan te duiden, nl. een voldoende maat. Maar het heeft ook een binnenkantse betekenis nl. geneugte, genieten. De voldoende maat is dan precies wat mij deugd doet. Ongenoegen zegt niets over de buitenkantse kwantiteit. Wel over de innerlijke beleving. Ik kan aan iets of iemand geen genoegen beleven. In feite heeft het te maken met de manier waarop ik naar het gedrag of de aanwezigheid van het of de andere kijk. Ik zie dus iets dat wellicht erger is dan het in feite is. Mijn perceptie vervormt. Door wat? Door mijn vooroordelen. ‘Nu is het meer dan genoeg geweest!’ Plots wordt geneugte ( de binnenkant) vervormd tot een maat, een kwantiteit. De maat loopt over. Ik kan van het of de andere niet meer genieten. Het wordt een vervelend object, een vreemd lichaam, zoals een splinter. Het wordt erger en erger. Tot het ergernis wordt. Geïnstalleerd. Erg, erger, ergst…ongenoegen. Het is dus van ontzaglijk belang voor mijn groeiende staat van bewustzijn om zicht te krijgen op mijn zintuigen. Hoe kijk ik, hoor ik,smaak ik, ruik ik, voel ik? Elk van deze zintuigen spelen een rol in mijn vermogen om mij te ergeren of er geneugte aan te beleven. Gezonde zintuiglijkheid  vraagt een bepaalde soberheid (geen krenterigheid) in het toelaten van impulsen. Ergernis daarentegen is onverzadigbaar. Ze zoekt nijdig naar alle mogelijke informatie om zich te rechtvaardigen. Alle middelen zijn goed: erg, erger, ergst… Een noodzakelijke correctie op mijn zintuiglijke perceptie om mijn zintuigen te verinwendigen: in-zien na kijken,luisteren na horen, smaken na proeven, in-voelen na tasten, opnemen na ruiken. Je merkt zelf wel dat deze innerlijke zintuigen de impulsen vertragen, tijd geven. Precies wat we ook ontdekten bij emoties, vooroordelen en nu dus ergernis.
Vertraag het proces, kijk en ontdek opnieuw de eenheid in plaats van verdeeldheid, de open ruimte in plaats van ongenoegen.

Argeloos

Arge-loos of zonder erg.  In mijn streek zeggen ze nog: ‘Dat deed hij zonder erg’. Zonder kwaad opzet  dus. Men kan dus argeloos zijn. Zonder een greintje kwaad in zich, onbevlekt ontvankelijk. Ik vind het een prachtig woord en een droom van een ingesteldheid. Compleet zonder erg, nooit erger en verre van ergst. Het is hemels. En dat nochtans met beide voeten op deze aarde. In ons taalgebruik laten we het dikwijls wat degraderen tot naïef, wereldvreemd. Jammer, want in wezen zijn we argeloos, ware het niet dat er nogal wat wild vlees is op gegroeid. Het is in oorsprong onze diepste zijnstoestand, onze zuivere staat van bewustzijn. Het lijstje zouden we dan ook moeten corrigeren als volgt: argeloos (erg-eloos), erg, erger ergst. Er is dus heel wat woeker gegroeid bovenop ons oorspronkelijke zijn. Groei in staat van bewustzijn veronderstelt dus dat we het rijtje omkeren. Niet van kwaad naar erger, maar naar argeloos. Het betekent dat we zouden leven zonder enige bedenking, zonder argwaan. Zonder de waanzin van arg of erg, zonder de spinsels van onze vooroordelen. Leven zonder de gekte, de waanzin waarmee ons denken onafgebroken bezig is. Is het mogelijk om zo te leven? ‘als je niet wordt als een kind?’ Is dit naïef?   Het is ontegensprekelijk zo dat we blijkbaar door het erge heen moeten. Erg draagt ook de betekenis in zich van het griekse ergon = werk. Net als Heracles moeten we een aantal werken doorlopen, een complete rij zoals Heracles 12 werken. Ze brengen ons in allerlei moeilijke situaties, we moeten allerlei opdrachten vervullen, soms op zijn ergst. Ze testen ons, doen ons ervaren, louteren ons. Daar gaan we in onder. Daar sterven we in. Maar we worden onoverwinnelijk herboren. Onze tweede geboorte in naïeviteit, in onschuld, argeloos. Naïef stamt immers van het latijnse nasci= geboren worden. De werken hebben ons gesterkt, verrijkt. De proeven hebben we doorstaan. Het ergste is geleden. Er ontstaat een nieuw bewustzijn, een nieuwe aarde en een nieuwe mens.

‘Zie, ik maak alles nieuw!’

up naar boven


Terug