MAANDBRIEF April 2010                                 Print

IN DE TIJD DAT DE DIEREN NOG SPRAKEN…

Een april-starter
Eindelijk lente. Het was lang en rillerig wachten. April is dan ook zo’n beloftevolle maand, opstanding, nieuw leven. Zoals elk jaar willen we onze lezers eraan herinneren dat het de maand is voor een eventuele hernieuwing van een vrije bijdrage.
Ook voor de nieuwe jaargang voorzien we traditiegetrouw vier categorieën:

  1. Je vindt deelnemen belangrijker dan bijdragen. Dan hoef je niets over te schrijven. Pluk de maandbrief gratis van jouw computer.
  2. Je haalt een bronzen medaille. Dat houdt in dat je 15 euro stort.
  3. Je hebt zilver veroverd en dat verzilver je door 20 euro over te maken.
  4. Je gloriëert met goud en dat wil je afstralen met 30 euro.
  5. Hors catégories: je stort vanuit een Olympisch vuur wat jouw hart je ingeeft. Plus est en vous.

Ieder handelt naar eigen inzicht en vermogen.
De voorbije jaargang was voor mezelf één lange meditatie. Ik hoop dat de nieuwe reeks opnieuw mag verdiepen.
BR. 735-0147481-29 met vermelding: Marcel Ploem Nulpunt

Ter memorie
Het ging over soberheid vorige maand. We zochten wat ‘zuver’ is, de essentie. Het is een zoektocht: door ervaringen allerlei leren onderscheiden waar het op aan komt. Dat doen we niet alleen met ons intellect, maar met heel ons wezen. We ziften met onze intuïtie, door onze emoties, door onze zintuigen, door de fijnmazigheid van onze ziel.
We zijn afgestapt van de idee dat soberheid een kwestie is van ‘versterving’, zoals men ons dat vroeger heeft aangepraat. Wel het deskundig snoeien van onnodige wildscheuten. Het gaat om meer bloei, meer vruchten, een rijkere oogst, dan wel om magerzuchtige tekorterigheid. De schepping staat haaks op schraalheid. Het griekse ideaal van kalokagathia, waarin schoonheid (kalos) en dat wat goed is,
zuver,  (agathos), drukt perfect uit wat de essentie is.

Toen de dieren nog spraken…
We zitten met deze kortzin meteen in de sprookjeswereld. Zo beginnen we het vertelmoment voor de kleine kinderen. We roepen een sfeer op van het vreemde, het onmogelijke. Of liever, we maken van dieren mensen. Da’s herkenbaarder. Geleerd gezegd: we anthropomorfiseren. We lenen een tijdje typisch menselijke eigenschappen uit zoals spreken en denken. Een spel, een manier van vertellen. Maar we geloven er in feite niks van. Misschien krijgen we zo dingen gezegd die we als mens niet durven of kunnen uitspreken. Als een ezel, schaap of papegaai iets zegt hoeven we dat niet au sérieux te nemen. Het is maar dierenklap, irrationeel. Maar het is fijntjes toch maar gezegd.
De tijd dat de dieren nog spraken is een primitieve tijd. We beginnen verhalen ook met ‘heel lang geleden’. Natuurlijk weet geen kat hoe lang geleden dat wel was. Je hoeft dat dan ook niet te verantwoorden. In feite bedoelen we ‘nooit’. Er is nooit zo’n tijd geweest. Dat is fantasie. Kortom, besluit de mens, dieren spreken niet en hebben ook nooit gesproken. En naarmate onze kinderen en  onze maatschappij ’volwassen’ worden, verdwijnt de behoefte om te geloven – en eigenlijk om te zien – dat dieren wel degelijk iets te zeggen hebben en hadden. We hullen ons in de nevelen van het rationele. Dat heeft sowieso altijd gelijk.

Een dunne lijn
Heel lang geleden, toen mijn kinderen nog kind waren, moest ik in onze tuin op het grasperk paard spelen. Ik kroop op handen en knieën. Ze zaten schrijlings op mijn rug en riepen beurtelings: ‘Ju, Max!’ Max hinnikte dan en zij hinnikten van plezier als ik steigerde en hen wild afwierp. Soms moest het paard eten. Dan trokken ze wat gras en met hun kleine handjes voederden ze mij. Ik speelde mijn rol perfect. Maar ik, paard, dacht: ‘Als ik nu eens echt gras eet…’ Groot was hun verbijstering! ‘Papa, riepen ze, niet echt eten. Je bent geen echt paard!’ Het spel eindigde abrupt. De tover was gebroken Eerst was papa even weg geweest. Hij was toen paard. Toen was het paard plots weg en was papa weer daar.
De lijn tussen de twee werelden, deze van de tover en deze van de realiteit, is erg dun. Als er al een lijn is, want misschien is die even denkbeeldig als deze tussen papa en paard of paard en papa.

De tijd dat de dingen nog spraken…
Tijd is een raar ding. Ze kringelt zich als een slang. Ze komt en ze gaat. Niemand kan haar vasthouden. Elke seconde verdwijnt in de happende muil van de volgende seconde. Als mensen hebben we wellicht gulzig de tijd binnengeschrokt, de tijd van toen de dieren nog spraken. Zou het kunnen zijn dat de dieren de periode hebben opgepeuzeld, de tijd dat de dingen nog spraken? Survival of the fittest? Gaat evolutie zó te werk dat ze elke vorige periode doet verstommen? De mens de dieren, de dieren de dingen? Wat of wie zal dan de mens doen verstommen? Worden wij slachtoffer van onze eigen ongeremde veroveringsdrang?
De kapitale vraag voor mij is: hebben we winst door de taal van de dingen en de dieren te verdringen? Misschien wurmen we ons met een ongeziene zelfdestructie de trechter van de eenzijdigheid in. Ontegensprekelijk heeft de school van het rationele ons veel geleerd. Maar moeten we dan daarom per se heel de wereld van de tover, de verwondering, het magische, het mythische overboord kieperen? De vraag is of we dan moesten gaan schelden en schimpen en al die andere werelden gaan bestempelen als irrationeel. Zeg me eens hoe naakt Keizer Rationeel is als hij niet gekleed en gekleurd is met de burgers tover, wonder, fantasie, stilte en stamel…  
Keizer Denken en Prinses Vraag
Wellicht heb je jouw spreken nog nooit onder de loupe genomen. Ik bedoel niet jouw woordenschat, of jouw al dan niet beschaafd of dialect spreken, of je een redenaar bent of een stotteraar.
Ons spreken  is eigenlijk een constant denken. We denken dat we zinnige dingen moeten zeggen en daarom repeteren we vooraf zeer snel in ons hoofd. Er is een gestage stroom van denkrepetities in ons hoofd voor elke situatie. Eigenlijk spreken we hoofdzakelijk met ons hoofd, onze hersenen. Lichaamstaal, laat staan zielentaal, is een vrij recent gegeven. We hebben vooral geleerd om met een pokerface te communiceren. Ons spreken is het openen van de sluisdeur van ons denken.
Daarom hebben we denken tot Keizer gekroond. Hij is alleenheerser, dictator. Hij heeft het om zeggen. Hij is een goede organisator. Zijn land wordt rechtlijnig efficiënt bestuurd. Hij heeft bodes en controleurs over zijn ganse rijk verspreid, tot in de kleinste gaten, maar hij merkt niet dat alles zwijgt uit angst.
Maar Keizer Denken is kinderloos. Er is geen droom, er kan niets zijn dat onmogelijk en onvoorspelbaar is, er is geen verrassing. Zijn rozentuin hoort hij niet geuren, zijn watervallen en vijvers ziet hij niet klaterend vertellen, de sequoias waaien woorden te hoog over zijn vlakte, de statige houten poorten kennen perfect de zielen van de bezoekers maar hij vraagt het hen niet. Hij bepaalt denkend wat binnen mag, wie buiten blijft. Hij meent dat zijn tijd kostbaar is. Hij moet besturen. Het dringt niet tot hem door dat onzichtbare krachten hém besturen, dragen, onderdompelen, beangstigen, verheugen… Voor alles wat vijandig is heeft hij een leger. Voor alles wat kostbaar is heeft hij een schatkist. Voor alles wat nodig is heeft hij overvloed. Hij is een geweldige denker. Hij bedenkt voor alles een oplossing.
Maar hij is kinderloos. Alleen in de zalen en gangen van zijn denkpaleis. Er is geen Prinses-Vraag.
Ik weet nog, intussen al weer heel lang geleden, dat mijn kinderen eindeloze vragen aan elkaar breiden. ‘Papa, waar komt de wind vandaan?’ ‘Van het Oosten of het Westen…’ ‘Papa, waar is dat, het Oosten en het Westen?’ ‘Kijk daar, daar is het Oosten en daar is het Westen.’ ’Papa, wie blaast er daar dan zo hard?’ ‘Grote reuzen.’ ‘Papa, hoe groot zijn die reuzen?’ Vroeg of laat moet je ‘ik weet het niet’ zeggen. Ze blijven vragen…
Keizer-Denken kan niet, omwille van zijn ego en imago, zeggen ‘ik weet het niet’. Hij kan Prinses-Vraag niet binnenlaten in zijn kasteel. Zijn kasteel is nooit een droomkasteel. Er gebeuren geen wonderen, er zijn geen reuzen, geen kabouters. Alles wat tover is – de gouden kandelaren, de marmeren trappen … - het is berekend, door hem zelf ontworpen, bevolen, gecalculeerd. Maar echte tover is ongemaakt, is onzegbaar, sprakeloos, sprankelend, is er plots, verdwijnt plots, kondigt zich niet aan, vraagt geen audiëntie, verrast. Echte tover tovert.
De Keizer is kinderloos. Alleen verlangen en droom en het onzegbare en het niet-aanwezige zijn vruchtbaar. Alleen de vraag is vruchtbaar.

De vraag
Wil je de vraag verstaan dan moet je de taal kennen. Hoe meer we deden verstommen, hoe ontoegankelijker die werelden werden: deze van  de dingen en deze van de dieren. Stom hoe we stom werden.
O, we hebben alles wel benoemd, geanalyseerd en gecatalogiseerd. Maar we hebben ze behandeld als stomme wezens: ‘Stomme fiets, stomme hond, soms zelfs ‘stom mens’. Ai.
We snoeren niet alleen de mond maar vooral de ziel. We doen alsof we alles weten (of tenminste kunnen weten) en dus mag er geen vraag meer zijn waarop een antwoord onmogelijk is. Het taboe van de onmogelijkheid, van het wonder, de tover. Niets mag ons overstijgen. Op alles is er een rationeel antwoord. Lukt dat niet dan is het wapen van de intellectueel: scepsis en sarcasme. De kalasjnikovs van de ratio.
Ik hou van de vraag. Ik verwacht op een vraag niet ipso facto een antwoord. Het is niet omdat je van een boom de botanische latijnse naam kent, zijn celstructuur, zijn beste biotoop, de hardheid van zijn hout, zijn bruikbaarheid, zijn marktwaarde, dat je zijn ziel kent, zijn taal, zijn liefde. Bomen hebben lief, bomen treuren, bomen kennen, bomen wortelen, bomen ademen, bomen leven, willen zich met ons verbinden, beschermen ons, voeden ons… Bomen zijn een vraag, zoals wij mensen.
Vraag naar wie of wat? Daar gaan we weer. Dat is een denkvraag. Iets wat boom en mens overstijgt, blijft een onzegbare vraag. Het ‘zuvere, de essentie’ van mens en boom is zijn. Alle tover, geloof, magie, wonder, mythe hebben één ding gemeen: zijn. Ze zijn vraag naar zijn en zin. Maar ze zijn sprakeloos. De taal leren van sprakeloosheid, het onzegbare, het numineuze, geeft je toegang tot zijn.
 Weet je, numineus komt van het latijnse numen. Het werkwoord nuere betekent knikken, een knik maken. Een bekendmaking, een openbaring door een knik. We zeggen trouwens ook: een knik maken in een redenering. Willen we het onverstaanbare verstaan dan moeten we een knik maken. Een andere wending nemen. Als je de knik niet maakt, als je niet gebroken wordt als het riet, verandert van zienswijze, zie je het niet, versta je het niet.
De grote onmacht van de ratio is haar logica. Die knikt niet. Logica kan niet kwetsbaar zijn. Zij plooit niet.
Pas als Keizer-Denken Prinses-Vraag toelaat begint het paleis te leven, te schitteren en te stralen. Het paleis wordt bevolkt. Kinderen kwetteren, zien kabouters en trollen in de gangen hollen, narren halen hun fratsen uit, kunstenaars verzinnen de gekste vormen en eindelijk draagt de Keizer kleurige kleren. Mensen met vragen zijn weer welkom in het paleis. De Keizer speelt weer paard met zijn kinderen en de clown mag weer dansen op een grote ronde bal en, hou je hart vast, hij zweeft weer over de dunne koord tussen ratio en tover in een perfect evenwicht.
Alles mag zijn eigen taal spreken, multicultureel. Het is pas wanneer alles wat onzegbaar is en stom, weer verstaanbaar wordt, dat alles is zoals het is.
Leren in de toverschool

Om de andere talen te leren moeten we terug naar school. Een alledaagse school. Die is er overal rondom ons: het huis, de tuin, de lucht, de planten, de meubelen, de groenten, de kevers, de vogels, de insecten… Zij zijn ‘ de school’.  De leraren zijn de dichters, de muzikanten, de tekenaars en schilders, de dromers, de fantasten, de clowns, de zangers. Kortom, dat soort ‘anderen’.
Er is een andere ingesteldheid vereist. Bereid en gedreven zijn om andere zintuigen te gebruiken: naïviteit, intuïtie, dromerigheid;, speelsheid, kinderlijkheid, overgave… Men moet de gaten vinden in de objectieve vlakke wereld, de toegangen tot andere werelden. Soms zijn dat konijnenpijpen of voorbij nevelen, soms bang! door de geluidsmuur, of doorheen de huid, de pel, de bolster. Het is de durf om in de vlakwereld een teken-, gebaren-, woord- en symbooltaal te gebruiken van de innerwereld. Het is riskant want de objectieve geleerden benoemen die ingesteldheid als waan. Waan heeft als stam wan en betekent verkeerd ( bv. wan-beleid, waan-zin). Je kan het eigenlijk ook zien als anders gekeerd (hetzelfde als de knik, weet je nog). We keren ons dan naar een omgekeerde wereld, waarbij alles op zijn kop staat. Anders. De negatieve betekenis is door de objectieve geleerden binnengesluisd. Misschien leven zij meer in een waanzinnige wereld, een zeer éénzijdige obsessie. Misschien zijn onze gewone scholen geen toverscholen meer, geen verwonderingsscholen.
Niet toevallig gebruiken mystiekers, magiërs, tovenaars, sjamanen, priesters en kunstenaars een gans andere taal. Hocuspocus, abracadabra, trance, brabbel, dans… Waarom denken wij a priori dat de wetenschappelijke taal de enig juiste is? Gaan we niet voorbij aan een belangrijke (ook niet de enige) communicatie met dingen, dieren, omgeving, gebeurtenissen. Zij seinen hun eigen be-teken-is.
Soms krijgen we buitengewone staaltjes van mensen die nog voeling hebben met die andere taal. Ik verwijs hier graag naar Paul van Ostaijens ‘Marc groet ’s morgens de dingen. Of ‘De kleine Prins’ van Saint-Exupéry. Hij praat met zijn rozen, zijn kratertjes, zijn vriend de vos. Of lees eens een boekje van Tellegen of beleef de avonturen in ‘Het klein insectenboek’ van Godfried Bomans.
Een dichter is een dichter omdat hij soms dichter bij de werkelijkheid vertoeft. Hij ziet meer, voelt meer en brengt het ongeziene dichterbij. Dichters zijn zieners.
Kom uit de dwangbuis

Onbetwistbaar heeft de ontwikkeling van wetenschap en technologie ons enorme vooruitgang bezorgd. Ze haalden de wereld uit een eenzijdige magische begoocheling. Maar ze doken daarbij in een eenzelfde valkuil. Ze riemden ons in een strakke dwangbuis: de bangelijke obsessie van de ratio, die alle andere invalshoeken uitsluit. Daar moeten we nu uit. Een ware Houdini-stunt. We moeten een evenwicht vinden tussen ratio en wonder. In alle geval een bevrijde ongedwongen houding.
We moeten weer durven praten en schertsen met dieren en dingen à la van Ostaijen…
-dag frisse wind die muizenissen uit mijn hoofd waait
-hé zon, je warmt me en licht en lucht me op
-dag dartele vlinders
-dag stenen pad dat me draagt en stuurt
-dag pink-magnolia, viooltjes, sleutelbloemen, dank om de lente
-dag zachte zetel die het knus maakt
-dag mussen die fladderen in een morgenplas
-dag duif op het dak, dag merel in de vroegte
-dag gras dat groeit en groent
-dag…

Je moet het echt doen, dagelijks, voorbij de ingebakken schaamte, voorbij het risico dat men jou een idioot vindt. Doe het zachtjes en stiekem, want anders – weet je wel, de ‘normalen’ – zouden je wel eens in een dwangbuis kunnen wurmen. Waarom? omdat zij de taal niet verstaan, omdat zij, ocharme de stumperds, niet geloven dat dieren en dingen nog altijd spreken. Ik vrees dat ze nooit verliefd zijn geweest.
Maar jij weet beter, toch?

up naar boven


Terug