MAANDBRIEF Januari 2010                                 Print

TEDERHEID en ONVERSCHILLIGHEID
Start

We eindigden het jaar 2009 met een maandbrief over aanwezigheid.
Zo kunnen we 2010 beginnen in eenheid, laat ons hopen. Een jaar om ons te oefenen in aanwezigheid. We ontdekten dat ons eigen zijn onvervreemdbaar is. Het is er altijd. Het is ons alpha en omega. Het geeft een vaste zekerheid altijd terug te kunnen vallen op die basis. Verrassend merkten we dat alle wezens dezelfde ongrond hebben. Als we alle lagen van ons ego afschrapen, één voor één, tot op het bot, tot onze ziel, dan is er geen enkel verschil meer. Alle grenzen, opgeworpen door vormen, lossen zich op. Wat rest is de eenheid van alles. Geen rest dus, maar de eigenlijke volheid, allesomvattend. In feite starten we 2010 met een overvolle volheid. Alleen dit: we lopen alweer de kans om het te missen, omdat we ons laten verleiden door het blinkieblinkie van de enorme verscheidenheid die uit de eenheid spettert. We zien dus wel het vuurwerk – en dat is best prachtig – maar we merken niet meer de oorsprong van het feest. Waarom feesten we eigenlijk? Is de confetti de zin van het vieren? Elk feest, ga maar na, vertrekt vanuit eenheid. Feesten verdiept en verrijkt eenheid, behalve wanneer we ons laten verleiden door de buitenkant, als we daaraan blijven klitten. Aanwezigheid ontdoet zich van alle prullaria. Ze denkt en rekent niet. Ze is er.  Aanwezigheid toont zich concreet in een aantal bijzondere kwaliteiten. Deze maand bespreken we er eentje van: tederheid.

Lang geleden

In de vorige eeuw! (1978) – dus lang geleden – schreef ik het boek ‘Geef me wat warmte. Over tederheid’. Ik omschreef tederheid toen als kwaliteit van aanwezigheid’. Nadenkend over wat ik zou schrijven in deze maandbrief besefte ik pas hoe belangrijk tederheid eigenlijk is. Ze is de meest authentieke concrete uitdrukking van aanwezigheid. Ze maakt aanwezigheid echt voelbaar en zichtbaar.
Ons diepste wezen – je weet wel – lijkt veraf, wat abstract. Tederheid brengt dat wezen aan in ons dagelijks leven. Ze brengt ons nabij onze eigenheid. Korter en korter bij.
Het gaat dus over de manier waarop we omgaan met de dingen, de dieren, de planten, de mensen, de gebeurtenissen, het leven. In tederheid gebeurt er een authentieke ontmoeting tussen onszelf en het wezen van het andere. Alle overbodigheid valt weg en ik en het andere vallen samen. Er openbaart zich eenheid. Zuiverste kwaliteit van leven.

Tederheid

Meestal denken we over tederheid als een rij van zachte lichamelijke handelingen. We aaien, strelen, zoenen raken op een lieve manier. Een houding van niet-bedreigende erotiek. We verzachten de handen, de huid, de ogen, de mond… Natuurlijk is tederheid dat ook. Het is dus ook lichamelijke kwaliteit van nabijheid. Maar het is meer. Deze fysieke kant is bij wijze van spreken de eerste buitenste cirkel. Maar er zijn binnen deze cirkel nog andere kringen. Dan kijken we dieper en intenser. Ik denk aan genegenheid en vriendschap. Iets verder ligt interesse, aantrekking en verbondenheid. Nog verder het gevoel van zielenverwantschap. Hier spreken we van innigheid. En nog verder is er vervloeiing: helemaal opgaan en ingaan in één.
Van niveau naar niveau – als men zo kan spreken – is er een andere rijkere vorm van aanwezigheid. Het heeft te maken met aandacht. Het bewustzijn verschuift naar een andere dimensie.
Alhoewel ingebed in het lichamelijke trekt dit zich meer en meer in de achtergrond terug en verschijnt het andere explicieter op de voorgrond. Daardoor ontstaat er een ruimte waarin het andere zich kan manifesteren. Mijn ik eigent zich niets meer toe. Naargelang het niveau trekt het zich terug, lost het  op in de ontmoeting met het andere. Er ontstaat dus letterlijk een ont-moeting. Niets moet nog, er is geen opvordering meer, geen eis, geen vraag.  Alleen nog slechts beaming van een ruimte voor openbarende herkenning: ik ken dàt omdat ik dàt ben.

Als ik streel is de afstand tussen mijn huid en de huid van de andere flinterdun. Als ik bemin wordt die minimaal. Maar er is nog altijd een gevoelde en geweten grens: ik en de ander. Naarmate ik van niveau naar niveau rijp, verdwijnen er steeds meer grenzen. Mijn aan-wezigheid gaat over in in-wezigheid, in eenheid. Niets heeft dan nog behoefte aan een naam.
Soms kan je de pijn voelen, de onmacht, om tot een diepere eenheid te komen. Misschien heb je al ooit in een verliefde bui gezegd: ‘Ik zou je willen opeten’. Een diep verlangen naar eenheid kannibalistisch fysiek uitgedrukt. Elk niveau heeft zo zijn pijnlijk verlangen naar een volgende verdieping: smachten, tranen, donkere nachten… We botsen dan op grenzen.

In-wezigheid

Zoals ik bij fysieke tederheid al mijn zintuigen kan mobiliseren om op te gaan in het spel van raken en geraakt worden, van proeven en geproefd worden, van geuren en gegeerd worden, van noemen en gekoosd worden, van zien en bekeken worden, zo worden al mijn innerlijke zintuigen losgeweekt en opgevorderd in een ander subtieler speelser spel. Het is alsof mijn fysieke zintuigen buiten hun dimensies golven. Heel het gebeuren voltrekt zich binnenin.
Het meesje, acrobatisch aan de zaadbol bengelend.
Het helder witte sneeuwdeken buiten over de velden.
De witgebroken maan schuinlachend aan de horizon.
Een dikingeduffelde postbode, een rode vlek in de wintermist.
Een vriendentelefoon vol nieuwjaarswensen.
Alles gebeurt rondom mij, in mij, door mij, door het gebeuren zelf. Zijn er andere dingen dan de dingen die gebeuren? Gebeur ik anders dan de dingen? Overal priemt aanwezigheid door, zoals krokussen en winterklokjes plots explosief gebeuren. In alles is aanwezigheid aanwezig. Als een buitenbinnenstaander ben ik in alles aanwezig. Hoe meer ik in de fysieke cirkel leef, hoe meer ik getrokken word naar de opper-vlakte. Hoe dieper ik in het gebeuren verdwijn, des te meer los ik op in in-wezigheid, de inner-ruimte. Ik hoef aanwezigheid niet te zoeken. Ze is inniger met mij verstrengeld dan ik besef. Niets is tederder dan het gebeuren want ze omhult me helemaal.
Het leven aait me, draagt me, schudt me, omarmt me, slaat me, stikt me, doorstraalt me, vangt me op, laat me vallen,wiegt me, pijnigt me, leeft me, doodt me, doet me opstaan, doopt mij onder…
Ken jij een andere weg? Is er iets dat mij meer doordringt? Kan ik het uit mij drijven, kan ik er naast gaan staan? Kan ik doen alsof het gebeuren niet in mij gebeurt?
Ik kan doen alsof ik afwezig ben. Zeggen: Ik ben er niet. Hypocriet gaan leven in een pseudoleven. Een andere wereld creëren: mijn wereldje. We kunnen samen onze eigen hypocriete wereldjes bij elkaar puzzelen, doen alsof de stukjes in elkaar passen en kijken naar het kartonnen beeld. Maar weet wel dat deze hypocriete megagepuzzelde wereld dan eigenlijk toch deel uitmaakt van die onmetelijke inwezige totaliteit. Niets ontgaat haar tederheid. Zoals niets aan mijn en jouw tederheid kan ontsnappen. Begrijpe wie kan.
Langzaam zullen de pellen van onze ogen vallen. Langzaam ook zullen de kringen van buiten naar binnen ademen. We zullen zien.

Onverschilligheid

Buiten de eenheid kent alles zijn tegengestelde. Zo ook tederheid en onverschilligheid. Onverschilligheid zegt ons: Het kan me niet schelen, het raakt me niet, het laat me koud. Ze breekt elke band en verbondenheid. Ze is asgrijs van kleur, ze zaait kilte en kou. Graniethard. Onverschilligheid is als woord bijzonder eigenaardig. Het drukt emotioneel uit dat het je niet kan schelen, dat er geen wil is tot eenheid. Maar bij nader toezien zegt het on-verschil. Geen verschil dus. Verschil is precies wat scheidt, wat grenzen trekt: jij daar en ik hier, een appel is geen peer, een democraat wil geen republikein zijn. Verschil. Maar wat dan met on-verschil ? Als er geen verschil is dan is er eenheid.
In feite drukt onverschilligheid dus eenheid uit. Het woord is een contradictie in zijn betekenis.
Het latijnse woord indifferentia (fr.:indifférence)= uiteenlopen,van mening verschillen. We kennen in onze Nederlandse taal het woord geschil= onenigheid. Hé, kijk eens aan: on-enig, niet-één. Een ingesteldheid die niet uit is op eenheid, die kiest voor verschil en geschil. Het is de houding van iemand die aan de buitenkant leeft, nog niet wakker is voor de innerlijke kringen. Het latijnse dif- (in-dif -  ferrentia) duidt op gescheidenheid. Ferre betekent  dragen. Iemand dus die niet draagt en niet gedragen wil worden. Het voorvoegsel in (in-differentia) accentueert het negatieve in het kwadraat.
Ik zie in onze tijd een steeds duidelijk wordende onverschilligheid. We kiezen blijkbaar voor een doorgedreven individualisme. Dit leidt tot grote vereenzaming en kille afstandelijkheid. Er  is zo’n grote behoefte aan solidariteit, warmte en verbondenheid. In wezen een behoefte aan herkenning van tederheid: kwaliteit van aanwezigheid.
Onverschilligheid leidt tot agressiviteit. Miskenning van het wezen van mensen, dieren, planten, dingen. Het is het vernietigen van de banden, verbondenheid. Uit alles wordt de ontmoeting geschrapt.
Andere invalshoek

Onze wereld heeft zich geleidelijkaan gericht op technologie. Vroeger lag de klemtoon op intermenselijke relaties. We vonden levenszin in een relatie met een persoonlijke god, in een relatie met een persoonlijke partner en persoonlijke kinderen en persoonlijke vrienden. Met al die persoonlijke relaties hebben we nu technisch contact. De gsm, laptop, facebook, games… staan nu korterbij, zijn op elk moment beschikbaar, zijn intiemer, zijn ons meer eigen dan die ‘persoonlijke relaties’. Zin in en naar afstandelijkheid?
Misschien staan we hier voor een totaal nieuwe invalshoek. Misschien leren we om materie gans anders te ontmoeten. Misschien leren we – al hebben daarin nog een lange weg af te leggen – om teder om te gaan met materie.
Zou materie in zich ook niet cirkels en kringen in cirkels dragen van diepte en bezieling? Als we haar ontdoen van die buitenste lagen stoten we wellicht op hun eigenlijke wezen. Hoe groot zal onze verwondering wel niet kunnen zijn als we constateren dat hun wezen en ons wezen dezelfde zijn, één wezen?
Misschien is het moment aangebroken om een bijzonder taaie cirkel rondom ons eigen wezen los te laten: de illusie van onze menselijke superioriteit, onze blik van dédain voor dieren, planten en materie op te geven.
Als we dat zouden kunnen zouden we een enorm breder veld onthullen van aanwezigheid, levende zich openbarende aanwezigheid in alles. We zouden geen verwoestende ravage meer aanrichten op wat wij denken ‘mindere wezens’ te zijn.

Zie je de ontzaglijke mogelijkheid van tederheid?
Op dat ogenblik wordt mystiek geen monopolie meer van enkele exquise ‘verlichte zielen’, maar zal het licht, de geest weer zweven en waaien en doorstralen in en uit alles en voor allen.

In feite: alles is er al. Ook je ogen om het te zien.

up naar boven


Terug