MAANDBRIEF Juli 2010                                 Print

STILTE, men draait

Pianissimo
In de vorige maandbrief hing een sperwer of valk in de lucht te bidden. In stilte, bijna bewegingloos. Of zoals een buizerd, hoog, roerloos zwevend in grote brede kringen. Ze worden zeldzaam, met uitsterven bedreigd. Zoals bidden trouwens en de kunst van sereniteit. Misschien is voor de vogels de lucht verpest of is er geen geëigende prooi meer te speuren. Dat geldt wellicht ook voor de sereniteit, geen sfeer meer, geen biotoop. Op vakantie zei een wijze wijnbouwer me, tevens geneesheer: 'C'est l'époque, monsieur…alles moet tegenwoordig rap gaan. Ils manquent le base.' Ze hebben geen basis meer, geen ondergrond, geen authenticiteit. Het enige wat telt is vlugge prestatie met snel geld. Veel gemakkelijk geld. Wat ik me nu afvraag is: wat is dan die basis? Zo kwam ik uiteraard naar één van de vele stapstenen over de stroom van het leven: stilte. We zijn de stilte kwijt geraakt, opgeofferd aan 'l'époque'. De moderne tijd, de verkavelde, versnipperde, drukke, zich opvretende tijd. Tijd is onze vijand geworden. We moeten die klein zien te krijgen. En toch zit iedereen aan het einde van zijn voorraad tijd. Niemand heeft nog tijd.

Stilte is de eeuwigheid en vraagt dus heel veel tijd. Sereniteit is het stilleggen van de tijd. Stilte is de maker van tijd. Vòòr alles was er de stilte. Het stilleggen van het gonzen in ons hoofd en hart, het flitsen in onze ogen, de dreun in onze oren. Sereniteit heeft als basis de stilte. En die zijn we kwijt. We zitten vol niet-stilte, vol gewirwar. Nog nooit heeft de mens zoveel lawaai geschapen. Het is ongetwijfeld het meest geproduceerde product met een wereldwijde afzetmarkt. Zo worden we al horende doof. Er is een contradictorisch bevel dat de wereld rondgalmt: Stilte, men draait. Men draait dol, ja, en dit waanzinnig draaien overstemt de stilte. Geen mogelijkheid meer om dit dolle draaien een andere richting uit te sturen. Geen kans meer om vanuit de stilte nieuwe inspiratie te laten ontkiemen. Als een pletwals rolt een aanhoudende tsunami over ons heen… en niemand die het wil zien. Misschien toch wel, een handjevol. vluchten Ik ken een man die 's morgens gewekt wordt door zijn radio. Eerste nieuws. Dan gaat hij naar zijn badkamer en draait daar een andere radio aan. Nieuws, muziek en reclame. Dan gaat hij naar de keuken en zet daar de radio aan en hij ontbijt met het tweede nieuws. Dan stapt hij in zijn auto en bij contact springt de radio automatisch aan. Gans de dag nieuws, muziek en reclame…Nergens zet hij de radio af. Zijn echtgenote maakt een averechtse toer om alle radio's te 'doven. Hij duikelt van de ene lawaaistroom in de andere, non-stop. Zoals deze man is een massa mensen onderweg, op de vlucht voor de stilte. Paradox: hoe meer gesetteld het land is, des te meer mensen er constant vluchten. Vluchten voor de stilte, bang voor de confrontatie met de rust van de leegte. Niet zozeer zijn de politieke en economische vluchtelingen op de vlucht, maar de grote massa van de rijke landen. Emigratie uit hun ziel. Immigratie in de wereld van het lawaai. Maar ze zijn zich van geen kwaad bewust. Het typische symptoom van verslaving: verdwazing. In feite is de ganse wereld op de vlucht, op een kleine groep uitzonderingen na. Het pijnlijke van de zaak is dat de luxe-vluchtelingen-uit-hun-ziel eigenlijk de oorzaak zijn van de ontheemde arme vluchtelingen-uit-hun-land. Zelfontheemding in schuldig verzuim. Overstemming van hun ziel door ont-luistering.

Ze luisteren niet omdat er, om te kunnen luisteren,eerst stilte moet zijn. Luisterbereidheid. Pessoa noemt ons 'aangeklede zielen' die 'verlering' nodig hebben. Afleren dus, af-denken. Ons bevrijden van het geroezemoes in wat we 'de beste kamer' durven noemen, onze hersenen waar we het zover mee geschopt hebben. Uitgeroepen tot hét centrum van de mens. Daarom heet hij ook 'mens' (van het latijnse mens, mentis= verstand). Waarom en waarvan zijn we bang? Van de koude zilveren reflectie van onszelf, want stilte is een gave spiegel ? van de diepte van oog in oog met onze ziel? Van de rustige leegte naar binnen? Weet je wat eigenlijk nog het meest verrassend is? elk geluid, elke toon, elk lawaai, elke kreet heeft als ultieme ondergrond de stilte. Om het even welke klank sterft in de ongrond van de stilte. Geen enkel gewoel kan blijven duren. Vroeg of laat vergruizelt het in de geluidloosheid. Ook het gewoel in ons: verdriet, pijn, ontgoocheling. Onze partner, kinderen, vrienden, werk, bezittingen, onze liefde: ze vergruizelen in de stilte. Is dat onze angst, is dat ons vluchten: weten dat we dit gaandeweg zullen moeten loslaten. We lopen weg omdat we niet willen te pletter lopen tegen die muur. Dus maken we omwegen, afleidingen, omleidingen… om te ontkomen aan die botsing. Botsen op onze aangeklede, onherkenbaar gemaakte, overwoekerde ziel. Die muur hebben we zelf opgetrokken, met eigen hand en eigen denken. We hebben er geen benul van dat het breekijzer om die muur te slopen, of de sleutel om de poort te openen, precies te vinden is in de stilte. En dat we dan onze eigen ziel, ons eigenste eigen en al de eigens van alle andere wezens en van hen die ons zo geliefd zijn zullen vinden in hun verbluffende naakte eigenheid.

De sleutel
Stilte kan je niet horen. Stilte kan je niet smaken.
Als Bieke Vandekerckhove haar boek titelt 'De smaak van stilte', dan gebruikt ze een beeldloos beeld. Het wondere van de stilte is dat ze met de zintuigen niet te vatten is. Zintuigen kunnen maar pas iets zeggen over stilte als deze zich geopenbaard heeft in de buitenwereld. Pas achter dit 'buiten' woont zij van oudsher in het allesomvattende 'binnen'. Gemakshalve zouden we kunnen zeggen dat er een uiterlijke stilte is en een innerlijke. Als ik ergens alleen ben, in de natuur of op mijn kamer, kan ik zeggen: 'Het is hier heel stil'. Soms zeggen we: 'Je kon daar de stilte horen'. In feite horen we dan objectief niets of bijna niets. Een voorbeeld geven van innerlijke stilte is veel moeilijker. Eigenlijk is het onzegbaar. Over die stilte kunnen we alleen maar bazelen. Het is een verwijlen. Het is een stil-staan, op een plek die geen plaats is, in geen tijd. Uiterlijke stilte helpt natuurlijk om innerlijke stilte mogelijk te maken. Monniken en monialen hebben dit altijd geweten en beoefend. Daarom is de heilige stilte voor hen evident. Ze zwijgen om zo weinig mogelijk afgeleid te worden. Innerlijke stilte helpt om uiterlijk stil te zijn. Het is de oergrond, ongrond van alles. Dus ook van de uiterlijke stilte. Kortom, ze zijn vruchtbaar voor elkaar. De moderne mens is die vruchtbaarheid uit het oog verloren. Wie in de stilte is merkt dat zijn zintuigen veel scherper zijn. Of liever: er komen zintuigen bij. Zoals bij dichters en musici en…Men voelt een grote verbondenheid met alles en allen, men ziet de dingen zoals ze zijn in hun diepste wezen, men hoort de vreugde en pijn, verdriet en zorg, men staat open en ontvankelijk… Het is duidelijk dat lawaai in de omgeving en in onze eigen denk- en gevoelswereld onze ziel aankleedt, zodat we voor onszelf onherkenbaar worden. Het vertroebelt en geeft ons een valse identiteit. Er ontstaat een groeiend proces van vervreemding. Dit betekent dat we vreemd worden in ons eigen leven, maar ook vreemd tegenover anderen en alle dingen. Het verklaart waarom mensen veel egoïstischer zijn geworden. Men heeft minder en minder empathie. Logisch want wie of wat men ontmoet is niet datgene wat het eigenlijk is. Men kijkt scheel. Het is nep, on-eigenlijk. Men loopt tegen de muur van het andere en bouwt zelf een muur rond de eigen kern. Men is de sleutel kwijt. Alles wordt beangstigend vreemd.

Wachten
Stilte ontstaat niet. Onder en in en achter en rond is de stilte. Je zou kunnen zeggen:'God is stilte' of 'de ongrond is stilte'. Als er in de bijbel staat: 'In het begin was het Woord', dan was er nog vóór het Woord de Stilte. 'Gods Geest over de wateren'. Stilte is absoluut ongeboren.
Wil ik de stilte vinden dan moet ik wachten, leren wachten tot alles wat in me geboren en geopenbaard wordt verdwenen is. Alles wat in mijn denken dwarrelt zich als stof neerlegt. Alles wat in mijn emoties golft zijn einde vindt als stromend water dat in de oneindige zee uitdeint. Alles wat in mijn lichaam kriewelt zich als in een verkwikkende slaap verzinkt. Ik merk bij mezelf hoe moeilijk het is dat hersengewoel te laten uitfilteren. Constant knettert het daarbinnen. Er is een onophoudelijk gebabbel gaande. Een overproductie van scenario's. Allerlei linken haken zich tot eindeloze redeneringen. Bij alles en iedereen hebben we bedenkingen. We laten niets met rust. We manipuleren alles wat er in onze zintuigvelden komt. Onze emoties kleuren de rasters van ons denken in. We kunnen het niet laten. In feite zijn we vibratie-verslaafd. We laten niets zoals het eigenlijk is. We doen van alles met alles en we doen hen van alles aan. Vooral verwringen, fabuleren, veranderen, verbouwen, wantrouwen, beoordelen, veroordelen…

En ons zogezegde geheugen gooit wolken olie op het vuur. Het stookt, verhit, verhevigt. Het trekt grote diepe sporen en telkens tuinen we weer 'in die gracht met oude koeien'. Die raken nooit uitgemolken. We houden ze op stal en geven ze krachtvoer. We voeren onze eigen scenario's vet. En dat gaat zo maar door en door. Tot we het door hebben en erbij gaan zitten. Gaan zitten kijken naar dit gebeuren. Als geamuseerde toeschouwer. Ik gebeur. Maar ik wil me niet langer laten gebeuren door die snelle lopende film van miljarden beelden. Ik ben die beelden niet. Ik kan de passieve toeschouwer zijn. Laat het maar gebeuren, als iets buiten mij. Ik neem afstand. Ik onderga niet meer. Ik laat. Ik wacht. Telkens weer wil de stroom beelden me overspoelen. Telkens weer neem ik afstand. Kijk. Laat. Wacht. Zo van: 'Oh, ben je daar weer, louter verdriet?' of 'O, ik zie je wel, snoepzucht!' Je kan het zo gek niet bedenken of het springt in me op, vindt er zijn eigen beeld en gaat dan met je aan de haal. Het roezemoest in ieder van ons. Je hebt er geen gedacht van! Tenzij, na een tijd van oefenen en oefenen, van wachten in stilte. Tot het kantelt in innerlijkheid, zegt Bieke Vandekerkchove. Wacht tot de smaak van stilte je eigen is geworden. Thuiskomen bij jezelf en allen en alles. Het parfum van Gods Geest. ziek We zijn wellicht de meest ongeduldige generaties ooit. We zijn ziek, trappelziek zoals verwende kinderen. Alles moet onmiddellijk en overvloedig aanwezig zijn. We kunnen onze goestingen niet ophouden. We respecteren de natuurlijke groei niet meer. Voor alles hebben we snelgroeiers. De ongeduldsziekte. Uit eigen ervaring weet ik dat telkens ik ongeduldig ben, ik zelf een muur optrek of ze aandik en er dan onbarmhartig tegenaan knal. Alleen als ik vòòr de muur ga zitten, lang genoeg, brokkelt ze langzaam af of ontdek ik een doorgang. Vòòr de muur is de plaats waar de stilte op me wacht, oneindig geduldig, wacht waar ik wacht. Want eigenlijk woont de stilte in mij. Zolang mijn ego de bewoner is, huist hij met een bende vreemden. Pas als de stilte de deur opent, ben ik thuis. Eindelijk.

up naar boven


Terug