MAANDBRIEF Juni 2010                                 Print

BIDDEN

voorportaal

Wie heeft het in deze postmodernistische geseculariseerde wereld in godsnaam nog over bidden? Wie krijgt dit woord nog over de lippen zonder aanzien te worden als seuterig of verdacht fundamentalistisch?
En toch. In onze stapstenenreeks en na de maandbrief ‘Klief het hout!’ is bidden een logische stap. Maar wellicht is bidden voor velen een zeer beladen woord. We zullen het moeten ontdoen van taai verstrengelde woeker. Er groeit harige schimmel op, ontstaan door schuldgevoelens en onderdanig gejengel. Afkoopmentaliteit. Als ik mijn eigen leven bekijk dan moet ik tot mijn diepe spijt constateren dat men mij nooit echt heeft leren bidden. Hoe kan dat nou? Net als iedereen ken ik natuurlijk de klassieke soorten gebed: dankgebed, smeekgebed, lofgebed, recitatief bidden, zang… Wellicht is iedereen in die sfeer opgevoed. Het was het normale patroon en in het gezin waarin ik ben grootgebracht waren deze soorten bij wijze van spreken dagelijkse kost. Ik heb me in deze geborgenheid altijd goed gevoeld en ben daar dankbaar om. Ik leerde later ook mediteren. Elke dag een uur en soms frequenter in tijden van bezinningsdagen. Mediteren was dan eigenlijk een intellectuele bezigheid, een overdénken, een oefening in het volmaken en vervolmaken. Er was eigenlijk ook geen enkele begeleiding, geen Meester. Er werd wel meditatiestof aangereikt, maar in feite geen gebedswegen, geen innerlijke essentie (bv. de waarde van innerlijke stilte, leegmaken…). Teveel in de hersenen.
Nu vind ik dat dit in de grond eigenlijk geen bidden was of is. Het blijft hangen binnen het zelf, binnen het ego. Integendeel, het versterkt het ego. Binnen het perspectief van ‘Klief het hout en dààr ben ik!’ en ‘Hef de steen en dààr zal je me vinden!’, wordt bidden anders, verdwijnt het en is het niet iets aparts. Hoe is het dan?

Sereniteit

De basishouding bij bidden veronderstelt sereniteit. Zoals een onbewolkte Italiaanse avond (sera), kalm, helder, opgewekt. Zo’n avond waarop alles bezig is om geboren te worden. Nog ongeboren dus en fris. Het is het moment waar er niets van mij is, van mezelf uitgaat, Maar waar alles is wat het is. Het gebeurt. Als er geen sereniteit is dan verploeter ik in emoties, in denken en verwachtingen. In alle geval in dualiteit, in versplintering. Er is dan : hier en daar, ik en een god, ik en overledenen, ik en heiligen…en dan wil ik ongewild dat zij mijn emoties sussen, dat zij mijn tekorten en behoeften aanvullen. Niet-sereniteit is altijd onvervuld. Mijn kalmte slaat over in paniek, wolken pakken zich samen tot een donkere hemel, opgewektheid verdrinkt in depressie. Mijn ego is aan de macht. Ik zie het geheel niet meer, de ongeboren avond, maar mijn wereld verkavelt zich. Het eigenaardige is, als er sereniteit is, dat de behoefte om te bidden volgens de oude patronen, er niet meer is. Alles is bidden. Je bent bevrijd van dat oude soort bidden. Er is geen drang meer om te vragen. Niet mijn wil. Alles is er eigenlijk al. Er is geen nood meer om een bovenwereld te bevolken omdat boven en beneden één zijn. Er is geen verplichting meer om te aanbidden en te vereren want er is geen tweespalt meer tussen het goddelijke in mij en het goddelijke buiten mij. Er is slechts goddelijk gebeuren. Deze sereniteit maakt dat ik anders ga ademen. Het is een verademing. Geen onderdanigheid meer, geen schuldgevoelens. Een diep gevoel van rust. Een spontane vanzelfsprekendheid: zoals een baby aan de moederborst, of man en vrouw in één ervaren verstrengeling, of een monnik verzonken in het Al, of zoals ‘geborgen in de palm van zijn hand’.

Aanwezig zijn in de aanwezigheid

‘Gebed is aanwezig zijn in de aanwezigheid. Dan is er niets anders meer dan aanwezigheid. Dan is alles zoals het is, zonder inmenging van wat dan ook. Dan zijn wij de adem die in ons ademt, de stilte die in ons stil is. Een dankbaarheid zonder iets dat dankt, zonder iets dat bedankt wordt. Er is een toestand zonder vragen en zonder ontvangen. De identiteit van onze essentie met de universele essentie.’ E. van Ruysbeek, De eeuwigheid is nu. Servire, Utrecht, 1998, p.44. Het lijkt weer zo’n speciale, wat moeilijke uitdrukking: aanwezig zijn in de aanwezigheid. Wat is dat dan? Hoe doe je dat? Het staat evident nogal haaks op de moderne manier van leven.   We hoppen immers van de ene impuls  in de andere. We willen altijd bij alles erbij zijn. We staan nooit stil. En stilte is onverdraaglijk geworden. Het is stilaan in onze ‘way of life’ ingebakken.

Laten we eens proberen.
- Ga eens even in de tuin zitten (of in de huiskamer…). Kies een voorwerp uit  bv. een boom, een plant, een steen, een stoel of tafel…). Tracht nu daarbij aanwezig te zijn. Hoelang hou je het vol? Misschien begin je allerlei dingen te zien rond jouw gekozen voorwerp. Die leiden je af. Dan ben je eigenlijk afwezig. Er is teveel aanwezig. Je kan nu merken dat er twee zijn: het voorwerp en jij als toeschouwer. Dat is tegelijkertijd aanwezigheid en afwezigheid. Twee. Tracht nu eens jezelf als toeschouwer los te laten: jij en het voorwerp één. Dàn is er aanwezigzijn in de aanwezigheid. Geen bedenkingen meer, geen onderscheid. De boom, de plant, de steen…en jij zijn er ononderscheiden. Er is alleen aanwezigheid.
- Een ander voorbeeld. Je lijdt erg onder het verlies van jouw partner. Dat doet pijn. Er is dus jij en de emotie van verdriet en pijn.  Wat je ervaart is verlies en gescheidenheid. Onvermogen. Er is afwezigheid. De ander is er niet en dat ankert je in de emotie. Je kan nu trachten die pijn te zien. Dan zijn er nog twee: de pijn en jij die die pijn voelt. Nu heb je een keuze: deze twee twee laten of aanwezig zijn in die aanwezigheid van de pijn. Je ben dan aanwezig in de aanwezigheid van de pijn. Ze lossen in elkaar op.

Ingewikkeld?
Het lijkt ingewikkeld, maar in feite maken we het zelf gecompliceerd.  We zijn niet aanwezig omdat we ons laten afleiden en leiden door onze emoties en ons denken. We zijn niet aanwezig in het gebeuren zelf. We willen het sturen door emoties en denken. Erik van Ruysbeek citeert Madame.J.M.B. de la Motte-Guyon: ‘Een bootje gaat te water. Het zeil wordt gehesen. De wind blaast het zeil bol en het bootje glijdt door het water. Ik heb  niets te doen. Ik houd alleen mijn handen op het roer. Boot en wind sturen mij vanzelf naar mijn bestemming. Indien ik roeide zou ik mijn krachten verspillen en veel minder ver geraken.’  E.van Ruysbeek, ib., p.91. Ik hoef niets te doen. Niet sturen. Je laten dragen. Gewoon aanwezig zijn in het gebeuren. Ik gebeur. Dat is bidden. Heel dikwijls is in het oude patroon bidden een tijdspanne van intense emotie: ik smeek, ik verheerlijk, ik werp me aan de voeten.  Meestal zoeken we een afgescheiden stille plek, maar is het in onszelf niet stil. Pas als we uitgeëmotioneerd zijn komt er kalmte, bewegingloosheid, stilte, leegte, niets. Rust. In het oude patroon is mediteren een over en weer van denken. We willen een tekst uitpluizen en doorzien. Er is een doel, een drang om te begrijpen (en dus te grijpen). Bij echt bidden stopt het denken. Het is doelloos. Het wil niets. Mediteren is trouwens verwant met het latijnse modestia wat  bescheidenheid betekent. Daarom dat in bidden het eigen ik terugtreedt. Het verdwijnt in het aanwezig zijn in de aanwezigheid. Merk hier het verband met de leegte van ‘Klief het hout’ en ‘Hef de steen’. Er is in het bidden niets meer dan aanwezigheid. In de diep beleefde liefdesdaad is er precies diezelfde leegte. Man en vrouw verdwijnen in de eenheid. Er zijn geen lichamen meer, geen woorden. Alleen de volheid van het niet-ervaren. Alleen aanwezigheid.

focussen
Je zal het ook wel een keer gezien hebben: boven een veld of een landweg een sperwer of valk die daar op één plek hangt te fladderen, surplace. In geijkte termen noemt men dit: bidden. De valk hangt te bidden. Merkwaardig beeld en woord.
Wat doet die vogel eigenlijk? Hij focust zich éénpuntig op zijn prooi: een woelmuis of vogelkuikentje. Hij heeft een doel, concentreert zich, laat zich door niets afleiden. Maar er is wel een tweeheid:  valk en  woelmuis. Er is een soort eenheid in tweeheid. Zolang de focus duurt.
Bij het bidden in de oude patronen gebeurt iets dergelijks. De oude rituelen dienden eigenlijk als focuspunten. Ik herinner me nog levendig de avonden dat thuis het rozenhoedje werd gebeden. Mijn broer en ik baden voor. Evident dat we na een tijdje de tel kwijt waren. Gegarandeerd dat vader in slaap viel. Het ritueel had een effect van rustbrenger. Alle beslommeringen en bezigheden van de dag vielen langzaam weg. Er ontstond een leegte. We waren alleen nog aanwezig in de aanwezigheid.
In de parochiekerk was ik gefascineerd door een altaardoek. Vlijtige en devote zusters hadden wellicht met engelengeduld over de ganse breedte van het altaar geborduurd: De Meester is daar en roept U. Het was een intrigerende focus: ik keek en keek om maar iets te horen. Hoe meer ik keek hoe meer ik versmolt met orgelmuziek en wierook, totdat ik nergens meer was. Weg. Leegte. Aanwezig in de aanwezigheid. Alle rituelen hebben diezelfde ondergrond. Zelf zijn ze volkomen onbelangrijk. Ze hebben alleen zin en betekenis als focus. Ze zijn de stapstenen naar aanwezigheid…als ze verdwijnen. Vanuit de verpakking naar sereniteit, die de ruimte opent naar aanwezigheid. Stilte is het wegzinken van alle impulsen prikkels. De Mester die dààr is, is de volle aanwezigheid. Wat roept is de zonder-maten ruimte van de volle leegte. Niets is zo aanwezig als de leegte. Bidden is het amen, het woordeloos be-amen. Het is zo. Het is wat het is. Niets anders. Zeg ik nu: geen litanieën meer, geen praten met heiligen of overledenen, geen zegeningen meer van huwelijken, dopen en dood? Natuurlijk kan en mag dat wel als je ze beleeft als stapstenen, als zich focussen waarbij het focuspunt uiteindelijk smelt als sneeuw voor de zon. Jammer, heel jammer is men de rituelen heel belangrijk gaan vinden. Men heeft ze machten toegekend die ze in feite op zichzelf niet hebben. Men heeft de heilige leegte opgevuld met allerlei marktstandjes vol prullaria. Koopmansmentaliteit. Een rovershol dat moet leeggeranseld worden. Aanwezigheid ligt voorbij dit alles, voorbij de tempeldoek. Ook in ons moet die openscheuren.

Niet meer focussen
Eigenlijk begint bidden dus voorbij het focussen. Ignatius van Loyola had het over ‘contemplativus in actione’, contemplatief zijn in de actie. In feite komt dit neer op aanwezigzijn in het doen. Of gewoonweg zijn in het zijn.
Godsdiensten hebben een sterke neiging om mensen te trekken buiten het gewoon-zijn. Men had een soort misprijzen voor het aardse zijn. Het doel lag ergens anders, ergens hoger, ergens ver weg. Bidden gebeurt in de aanwezigheid van het hier en nu aanwezig zijn. Bij Ignatius is er nog twee: de toeschouwer en de actie. Kortbij, maar niet één. Boven al de overhoringen en huistaken schreven we als leerlingen steevast AMDG, ad maiorem Dei gloriam, tot meerdere eer van God. Het was als een watermerk (misschien ook wel een handelsmerk). Ik heb dit altijd nauwgezet gedaan. Met overtuiging en fierheid. Het was als een gebed ‘bij het beginnen van een belangrijk werk’. Nu denk ik dat er aan het goddelijke niets toe te voegen valt (ad ‘maiorem’= tot meerdere) of niets af te nemen. De volheid is altijd. De totale aanwezigheid is er altijd en wij zijn, ieder van ons én de boom én de plant én de steen én de tafel en stoel…,aanwezig in de aanwezigheid.
Bidden is bewust aanwezig zijn in die aanwezigheid, niets meer, niets minder. Vol.

 

up naar boven


Terug