MAANDBRIEF Maart 2010                                 Print

SOBERHEID

Even de draad opnemen van vorige maand.
We hadden het over dienstbaarheid en gelatenheid. Het ene is creatief en aanwezig, het andere ongeïnteresseerd en afwezig. Een hemelsbreed verschil. We kunnen de eenheid dus openbaren of ze in gelatenheid ongeboren laten. Licht of duisternis. Het is een oeroud gevecht. Het speelt zich af in de kosmos, in mijn omgeving, in mij. In alle tijden en met alle schakeringen van wit over grijs tot inktzwart. Zolang het goddelijke zich ontledigd heeft en alles ‘uit handen heeft gegeven’ in het risico van de geschapen vrijheid.
Ontledigen betekent dat er een ruimte ontstaat, een open veld voor een ‘andere schepping’. Nieuwe woorden, nieuwe gestalten. De mens op zoek naar het eigen beeld dat zijn oorspronkelijke beeld gespiegeld weet in het goddelijke, of verloren lopen in de chaos.
Welke referentiepunten, welke coördinaten, welke sporen kan ik vinden om tot mijn diepste beeld te komen? Stapstenen naar bewustzijn hebben we ze genoemd. Haalbare stappen, maar je moet wel de bereidheid hebben tot alertheid en , zegden we, dienstbaarheid. Zowel naar onszelf als naar alle dingen, planten, dieren, mensen, gebeurtenissen. Voortdurend staan in de stroom van het gebeuren. 
Deze maand zullen we ons bezighouden met een belangrijke ingesteldheid: soberheid.

Sober
Het woord sober gebruiken we gewoonlijk in de betekenis van matig, schraal, dunnetjes, niet overvloedig. Maar eigenlijk komt het van het latijn: se – ebrius. ‘Se’ betekent ‘weg van’, een voorvoegsel dus dat verwijdering aanduidt. ‘Ebrius’ betekent ‘dronken’. Dus ‘weg van dronken, niet-dronken, nuchter’.
Het is uiteraard verwant met ons woord zuiver, suver.  In het volkse latijn suber, of het middelnederlandse suver. In mijn noordlimburgse dialect zeggen we: ‘Dat is zo zuver als kristal’. Wat deze betekenis van zuiver betreft bespreken we verder.
Het lijkt, doorheen de geschiedenis, altijd wel een probleem te zijn geweest en nu nog. Men vervalt gemakkelijk in extremen (denk maar even aan ‘diëten’!). Extreem sober wordt dan ascetisch, een neurotische obsessie. Men legt zich strenge patronen op in eten, drinken, kleding, gedrag. Gewoonlijk gepaard met zich isoleren en zelfbestraffing: in de woestijn, in afzondering, in rituelen, in depressie… ‘Sober’ wordt dan vrij misprijzend en destructief gebruikt: iemand die geen maat kan houden, niet kan genieten, er onderkomen uitziet. In tijden van crisis moeten we versoberen, de broeksriem aanhalen.
Daar tegenover staat boergondische overvloed. In zijn extreme vorm wordt dat verkwisting, uitlopend op decadentie. Het ene bezondigt zich aan een overvloed van strenge regels. Het andere kent en wil geen regels, en kickt op het voortdurend schenden van de regels. Ik hoef wellicht niet erg te overtuigen dat onze leefwereld op het snijpunt staat van die twee polen. We hebben het erg moeilijk met soberheid. Onze welvaart-staat staat haaks op soberheid. Waarom?
Omdat we een verkeerde invulling gaven aan soberheid. We zien ze als een beperking. Ze klinkt zo tekorterig. We hebben angst van tekort. We doen alsof het niet op kan. Genoeg is niet genoeg. We nemen geen genoegen met genoeg. Onze economie is afgestemd op meer. En nog meer. Dus moeten behoeften worden gekweekt en onderhouden. Voortdurend worden nieuwe markten ontgonnen en constant worden we aan de monitor van de reclame gelegd. Het druppelt als uit een baxter gestaag in ons lichaam en onze ziel. Behoeftenbevrediging is een contradictorisch proces: er is nooit vrede. Economie is verworden tot oorlog: met alle middelen veroveren.

Waarom soberheid?
Hoor je mij nu pleiten voor ascese, een chagrijnerig gepreek en een malcontente aanklacht tegen een gelukkige welvaart? Verre van. Ieder zijn meug.
Ik wil stapsgewijs, haalbaar, verder gaan op onze tocht naar meer bewustzijn. Hierin waren tederheid (kwaliteit van aanwezigheid) en dienstbaarheid belangrijke stapstenen.
We moeten ons dan ook logisch de vraag stellen of we wel teder aanwezig kunnen zijn en dienstbaar kunnen zijn, als we voortdurend leven vanonder een lawine van teveel.
De grond van het woord sober kan ons daarbij helpen. Sober wijst niet naar tekort, maar haar diepste betekenis is zuiver. Hoe kan ik bij mensen, planten, dingen, gebeurtenissen zuiver aanwezig zijn? Wanneer is iets ‘zuiver op de graat’, zuiver van hart? Wanneer staat iemand zuiver in zijn schoenen?
Als het gaat om de ‘essentie’, zonder fikfak, zonder smoesjes, zonder kleine lettertjes, zonder gekonkelfoes. Als het ontdaan is van alle blinkieblinkie, de schijn, de voorgelogen illusies. Als de waar wáár is.
Het teveel chaotiseert. Het maakt er een potje van. Het leidt af en verleidt. Teveel heeft geen waarde. Het loopt ongezien voorbij. Kwantiteit betonneert kwaliteit in. Eigenaardig genoeg maakt een grote hoop stekeblind. Door het bos de boom niet meer zien. Door de menigte de mens niet meer.  Teveel maakt blind, hypnotiseert.
Precies  daarom kan men niet meer in tederheid aanwezig zijn. Het teveel schept paradoxaal afwezigheid. We moeten dan onze betrokkenheid en zorg spreiden over teveel. Het vertroebelt ons. We geraken verward. We zijn innerlijk niet meer zuiver, zoals een huis dat is volgestouwd met rommel. We denken ook niet meer zuiver omdat onze gedachten verstrooid zijn. We voelen ook niet meer zuiver  omdat we teveel ongezuiverde impulsen binnenkrijgen. We luisteren ook niet meer zuiver omdat er constant storende ruis zit op onze communicatie.
Soberheid is dan ook de kunst van  balans, een evenwichtsoefening, het vermogen om te doseren. Geen pietepeuterige angst voor tekort, geen roekeloze gedrevenheid door teveel. Wel een flexibele vastheid zoals bij een koorddanser.

Zuiver
Wanneer is iets ‘zuiver’?
Als het ontdaan is van alles wat er niet toe doet. Zuiver goud is wanneer er geen andere bestanddelen in zitten. Het gaat om de essentie. Als je in een redenering appelen met citroenen omwisselt dan argumenteer je niet zuiver. Onzuiver heeft altijd een zweem van frauduleus. Het bedriegt. Het is onwaar.
We hebben jammergenoeg zuiver vereenzelvigd met proper, hygiënisch netjes, gewassen… Mister Proper staat garant voor dit soort clean. Zelfs religieus is de gelofte van zuiverheid verengd tot het zich onthouden van seksualiteit. Seksualiteit was uiteraard onrein (lees er de kerkvaders maar eens op na). In wezen is deze gelofte echter een engagement waardoor men zich verbindt om altijd ‘de essentie’, het wezenlijke, het juiste te zoeken. Niet alleen in lichamelijkheid, maar ook in gedachten, in de gewone dagelijkse praktijken. Men heeft het fundamentele voornemen om te leren onderscheiden waar het op aan komt, zich niet te laten afleiden. De spirituele drie geloften duiden in wezen drie keer naar eenzelfde kern. Gehoorzaamheid tracht gehorig te zijn, intens te luisteren naar wat het gebeuren in wezen zegt. Armoede wil zich ontdoen van alles wat ons verwart en op een dwaalspoor brengt (arre= van het latijnse errare= dwalen, zich vergissen). Teveel verwart ons. De gelofte van zuiverheid is, zoals we aangaven, een engagement om te zoeken wat in het gebeuren de kern is: zuver op de graat. Drie keer wordt degene die de spirituele weg wil bewandelen gefocust op zijn zoeken naar de kern, het wezenlijke, het authentieke.
Soberheid is dus geen hang naar minder, maar naar meer, in de betekenis van meer kwaliteit, meer helderheid, meer vrijheid.

Lang geleden ben ik naar een éénakter gaan luisteren, gespeeld in een minitheatertje in een wat verloederde Antwerpse buurt.  Het was er echt primitief. In de onjuiste betekenis van het woord: heel sober. Versleten stoelen, grauwe afgebladderde muren, krakkemikkig.
Het podium bestond uit een slordig opgestapelde aantal vieze matrassen. Het stuk begon maar niet, het duurde en duurde. Goesting om op te stappen. Uiteindelijk kwam er een ladderzatte acteur aangelald. Hij excuseerde zich uitvoerig voor zijn laatkomen. Hij had ruzie met zijn impressario. Je zou voor minder, dacht ik.
-Jullie zullen me wel zien als een dronkaard, als een viezerik, een mislukkeling… (Ondertussen haalde hij een fles jenever van tussen de beschimmelde matrassen). Maar, nou, laten we eens proberen om het buitenste laagje vernis van ieder van ons af te schrapen. De chique kleren, de Armani-pakken, de Rolexen, de armbanden en gouden kettingen, de diamanten oorbellen. Het laagje daaronder: de dure lingerie, de machoboxershorts…en dan beginnen we aan het echte schraapwerk: de make-up, of het bruin van de zonnebank… Ieder schraapt zijn eigen gevel. Wat schiet er dan nog over? En we scalperen onze titulaturen, meneer de rechter, mevrouw de schepen, burgemeester, chef…En wat schiet er dan nog over? En we schrapen ons man- of vrouw-zijn weg…elke volgende laag tot op onze blote ziel. Vroeg of laat constateren we dat we allemaal gelijk zijn, als we maar tot in het putteke van, ja van wat, durven gaan.
Naarmate hij al stotterend, zoekend en met lange tussenpozen zijn dronken betoog deed, werd hij nuchterder en nuchterder. De oorspronkelijke wrevel van het publiek verdween. Hij acteerde subliem. Het werd heel stil in het grauwe zaaltje en in de ontpelde mensen. Alles werd meedogenloos herleid tot zijn essentiële proporties, tot de naakte kern.. Langzaam maar helder drong het tot iedereen door. Ieder zat met zichzelf. Er hing een sfeer van herkenning, verheldering en bevrijding. Hoe buitengewoon ook geacteerd – je moet het maar kunnen – er was bij niemand de behoefte om te applaudiseren, want iedereen herkende zich in zijn eigen verhaal: hoe onze buitenkant de zuiverheid van onze binnenkant camoufleert. Hij had ons voor de spiegel gezet, getoond wat soberheid eigenlijk is: de zuiverende en zuivere essentie.

Wat is jouw essentie?
De vraag, die als een raket opschiet in ieder van ons, zou dan kunnen zijn: Wat is mijn essentie, welke weg heb ik te leven?
Er zijn veel wegen, zoveel als er mensen zijn. In het huis van de Vader zijn er vele woningen. Het ligt niet voor de hand. Het is dus zoeken. De enige weg voor ieder van ons is ‘dat we hem gaan’. Maar je kan die weg niet gaan zonder je eerst met allerlei te bekleden. We trekken ons veel aan. Door onze keuze om in deze wereld te stappen (uit het paradijs) zijn we begonnen met ons te omkleden, met meer dan een vijgenblad, met meer dan schaamte. Met om het even wat. We zijn vindingrijk, we vinden constant allerlei uit zowel materiële dingen, als emoties en gedachten, allerlei systemen. We zijn beroesd om alles te labelen. We nemen het op tot in onze cellen, het stroomt door ons bloed, geven het met ons DNA door, generaties ver. Omwegen dus. Evaringen, verrijkingen, verarmingen. In dit enorme veld leven we al zoekend en zoeken we al levend, naar onze essentie. Dat is wording, evolutie, bewustzijn, op en neer. Persoonlijkheid en onze subpersoonlijkheden die als een geschuwd harnas onze ziel doorheen deze wereld worstelen. De diamant van onze ziel wordt geslepen in veel  facetten.

We leven in een tijd waarin soberheid en zuiverheid voor ons vreemd zijn geworden, bevreemdend.
Op de Eén-zender loopt een reeks ‘In Godsnaam’. Dubbele bodems: wie, in godsnaam, zoekt er nu  nog naar het gezicht van het Onzichtbare? Of anders: Gods naam gezocht. Het is een meerdelige reportage waarin een journaliste zich inwerkt in een vorm van godsdienst gedurende een week. Meemaken van binnenuit: in een zenklooster, een ashram, een slotklooster…
Wat opvalt zijn de reacties van de kijkers: enerzijds geboeid, anderzijds bevreemd. In het zazen klooster zien we hoe een gezonde Vlaamse jongeman gekozen heeft voor een extreme vorm: urenlang in stilte zitten, in volkomen innerlijke leegte. Uiterste soberheid en zuiverheid, jarenlang. In het slotklooster leven een aantal zusters in totale afgescheidenheid van de buitenwereld. Een wereld van stilte en overgave, met zo weinig mogelijk uiterlijke prikkels. In beide gevallen is er een verbijsterende eentonigheid. Zij stemmen zich inderdaad af op een inwendige toon, een inwendige gedragenheid, een ziele ‘cantus firmus’.
Hoe bevreemdend voor de moderne mens die zich elk moment laat overdonderen door een kakafonie van tonen en prikkels. Hij laat zich niet alleen overspoelen maar zoekt gedreven naar die chaotische kolkingen. Hij kan niet zonder. Hij denkt dat het in het leven daarom gaat. Dat lijkt zijn kern te zijn.
Extremen dus: ofwel naar de ontpelde essentie ofwel de zich omhullende, zich in- en verpakkende, nooit tot rust komende gedrevenheid. In de geschiedenis zijn er pogingen geweest om een verzoening te vinden tussen die twee uitersten. Ignatius van Loyola wilde ‘contemplativus in actione’ zijn en legde dat patroon aan zijn gezellen op, d.i. in de activiteit zelf beschouwend zijn, het doen zelf doorschouwen, terwijl je handelt en in het gebeuren de kern, de essentie zoeken. Wat kan ik uit deze situatie, in deze omgeving, samen met deze mens puren als de zuivere essentie, waar gaat het in wezen om? Oefening dus met alle zintuigen, alertheid, bewustzijn.
We hebben, denk ik, gaandeweg de essentie verlegd naar het vele, onmiddellijke, efficiënte. We grabbelen maar wat met onze robothanden van de technologie. We staan vreemd tegenover onze eigen kern en intiemer met allerlei behendige apparatuur. We weten beter hoe een Ipod werkt en in elkaar zit, dan hoe we zelf zijn. We hebben daar blijkbaar geen behoefte aan of misschien ervaren we ons als té complex. Dat zijn we ook, complex. Té omvattend, té verstrengeld en verweven met alles. Dat is ons mens-zijn. Daarom wellicht zijn we zo geboeid door die vreemde wereld van zazen en de ingrijpende eentonigheid van slotzusters. Zij hebben iets dat wij niet (meer) hebben. Beter: wat wij nog wel hebben, in onze kern, maar wat overwoekerd is. De huidige mens is ingewikkelde camouflage.

Uitnodiging
Moeten we nu terug naar de extremen: iedereen zen, iedereen teruggetrokken in zijn kluis? Tuurlijk niet. Wel een uitnodiging dat iedereen zijn eigen weg mag gaan en zijn essentie vinden. Uitnodiging om toch maar doorheen de woeker en de camouflage te kijken. Ook spiritualiteit kan camouflage zijn: schrik om te aarden en te leven in de ploeterbak van het aardse. Een modderbad kan nochtans heel helend zijn!
Hoe dan ook: de eigen kern zoeken, misschien met grote omwegen of door een woud van niet zo zuivere paadjes. In feite ontsnappen we daar niet aan. Vroeg of laar heeft het leven ons bij het nekvel, zoals een leeuwin haar welpen draagt, met tanden van liefde en zorg.

 

up naar boven


Terug