MAANDBRIEF Mei 2010                                 Print

KLIEF HET HOUT…

Oude wijsheid

In vele geschriften zijn verrassende wijsheden opgetekend. Je kijkt er even van op, zeker als je westers kijkt.
In het evangelie van Thomas vinden we het volgende: ‘Klief het hout en ik ben dààr…’ (logion 77).  Waar? Ik zie niets.
Als het morrende volk van Israel door de woestijn tjokt dragen ze de Verbondsark mee. Twee kerubs, met hun gezicht naar elkaar, overspannen met hun opgerichte vleugels een leegte. ‘In die leegte zal ik mij aan u openbaren.’ (Ex. 25, 20-22)
In de Tsjandogya Oepanisjad staat er:
‘Breng mij een vrucht van de vijgenboom.’
-Hier is hij, heer.
-Splijt die open!
-Zij is gespleten, heer.
-Wat zie je daar?
-Heel kleine zaden,heer.
-Splijt er een open.
-Het is gespleten,heer.
-Wat zie je daar?
-In het geheel niets, heer.
-Welnu, dat ijle, dat je niet ziet, dat heeft de ganse wereld als haar ziel. Dat is de werkelijkheid. Dat ben jij!

Mogen of moeten we, in ditzelfde perspectief, ook niet enkele bijbelse teksten verstaan?
-Mc.14, 22-24
Terwijl zij nu aten nam Jezus brood, zegende het, brak het, gaf het hun en zei: ‘Neemt, dit is mijn lichaam. Daarna nam hij de kelk, sprak een dankgebed uit, en gaf hun de kelk. En zij dronken er allen uit. En hij zei: Dit is mijn bloed van het verbond.’
-Lc.28-32
Toen ze bij het dorp waren aangekomen, waar ze naartoe gingen, deed hij alsof hij wilde verder gaan. Maar ze drongen bij hem aan: Blijf bij ons want het wordt al laat. Hij ging dus naar binnen om bij hen te blijven. Nadat hij met hen aan tafel was gegaan nam hij het brood, sprak een dankgebed, brak het en reikte het hun toe. Nu gingen hun ogen open en herkenden ze hem… Brandde ons hart niet in ons, toen hij onderweg tot ons sprak…?
Wat de leerlingen zien – met de nuchtere kijk van vissers – is brood en wijn. Niets meer. Ze kijken met gewone ogen. Maar er is een werkelijkheid achter de werkelijkheid. Hun ogen gaan maar open als ze hun hart openstellen. ‘Brandde ons hart niet…’

Bijzonder aan deze ervaringen is dat zij nooit ontkennen dat zij niets zien. Het zijn nuchtere mensen. Toch zien ze iets dat niet te zien is. Toch is er die werkende werkelijkheid, die niet te noemen aanwezigheid. In de meest eenvoudige dingen van elke dag: een vijg, een stuk hout, een steen, brood en wijn… ‘Klief het hout en ik ben dààr. Hef de steen op, dààr zal je me vinden.’ ‘Eet het brood, drink de wijn, dààr ben ik aanwezig…’
Ieder van ons weet dat er aan alles een buiten- en een binnenkant is. Of degraderen we de binnenkant tot een buitenkant? Kijken we wel goed en aandachtig om een inner-ruimte te ontdekken? Zelfs religies en hun experten-theologen hebben zich laten verleiden om een onzichtbare werkelijkheid in meetbare dogmata te gieten. Regels en wetjes en een verpletterende logica.

 

In vogelperspectief
Eigenlijk zijn we al een lange tijd bezig met van alle kanten het thema van deze maand te belichten. In de maandbrief van april 2010 hebben we getracht op een speelse manier korter bij ‘een andere ruimte’ te komen. De tijd dat de dingen en dieren nog spraken roept in feite op dat er nog veel meer ruimtes bestaan dan deze waarin we ons klassiek  en behoudend bewegen. Taal is ruimte. We hebben die ruimte ingeperkt door heel veel te verstommen. We kennen allemaal wel het fenomeen dat we in een bepaalde stroom van redeneren doordrammen en in die stroomversnelling niet meer in de gaten hebben hoeveel neventerreinen we verwaarlozen. We zijn ziende blind. Verblind. Te vergelijken met een vogelperspectief: we zoomen in op één bepaalde plek. Al het andere zien we niet meer. Tunnelvisie. Overboord gooien van het totale beeld. Verarming en verschraling. Heel ons politiek systeem, het financiële reilen en zeilen, het onderwijs, de godsdienstige rivaliteit, de machtsblokken… ze zijn allemaal in hetzelfde kingsize bed ziek.
Elk van deze domeinen dragen in zich een ontzaglijke mogelijkheid van diepgang, maar zakken weg in moerassen van functionaliteit en kortzichtigheid. We zijn zoomers, inzoomen zoals met een camera op segmenten, delen van deeltjes. Er is niets omvattends meer. Alles versplintert. Blijkbaar vinden we dat leuk, hanteren we dat handiger, overzichtelijker, bekrompener. We hebben het geduld niet meer om een brede kijk te ontwikkelen, meer talen,meer ruimtes. We willen en moeten alles zien, terwijl we blind zijn voor wat ons overstijgt. Ziende het onzienbare. We zijn als vogels met ingeknipte, gekortwiekte vleugels. We scharrelen rond in ons beperkte kippenren en leggen dààr en daar alleen onze eieren. Geen arenden hoog, geen leeuweriken. We willen en moeten zelf alles raken – als ongelovige thomassen, zelf onze hand steken in de wonden. Maar we zijn ongevoelig geworden voor wat ons raakt. Geraakt worden, bewogenheid, goden en godinnen die ons begeesteren: we kennen het niet meer. We lijden aan spirituele anorexia, zegt Thomas Moore, d.i. zonder begeerte zijn. We hebben geen honger naar wat ons overstijgt.
Opper-vlakte
Een eigenaardig woord is dat: oppervlakte. Het is samengesteld: opper en vlakte. Vlakte kennen we. Het is het gebied zonder bergen of dalen. Het is tweedimensionaal. Het houdt op als het tegen een hindernis botst. Ze heeft dus een begrenzing. Opper wordt zuinig gebruikt bv. oppergod, oppermachtig. Het is een vergrotende trap van op. Op, opper, ( opst). Klinkt speels en leuk. Maar wat kan er nog vlakker zijn dan vlak…oppervlak? Het onderlijnt dus met nadruk dat iets echt, maar dan ook echt vlak is. Onbetwistbaar.
Van een oppervlak kan men alles meten. Dat is belangrijk aan een oppervlak. Alles is bereikbaar. Als men zelf in het oppervlak gaat staan – en een dimensie van onszelf behoort daartoe – is men zelf ook meetbaar. Vlak maakt dat alles overzichtelijk is. Men kan alles een plaats geven. Oppervlakte is de wereld van het materiële, fysische. We exploreren het door middel van onze zintuigen of verlengstukken van onze zintuigen: microscoop, röntgenapparatuur, sterrenkijker… Die verlengstukken kunnen heel ver , breed en diep kijken, maar blijven altijd in het fysische vlak. Opper-vlak.
Ze geven ons wel de indruk van multidimensioneel te kijken, maar in feite hoeden ze zich ervoor om in dimensies te duikelen die buiten hun vlak liggen, buiten hun gezichtsveld. Alles wat niet in het opper-vlak ligt wordt dan ook aanzien als irrationeel. Alles moet kunnen verklaard worden. M.a.w. wat duister, ongrijpbaar, mysterieus of numineus is, moet binnen het verhelderende, opklarende vlak van de ratio worden gebracht. Dan pas bestaat het. Hoe bestaat het!
Deze opper-vlakte-ingesteldheid is zeer nuttig en efficiënt. Het is de grondslag van de moderne wetenschap, de creativiteit van de technologie, de gedrevenheid van de medische wetenschap, de nieuwsgierigheid van de ontdekkers. Binnen het vlak is ze fantastisch. Maar jammer, daar stopt het.     
Bruikbaarheid
We gebruiken in ons dagelijks leven deze oppervlakte-ingesteldheid voortdurend. Het is onze automatische piloot. Het is een vanzelfsprekende logica. Op die manier kunnen we dan ook oppervlakkig leven. Dit hoeft helemaal niet negatief te klinken. Het is ons dagelijks alaam, ons voor de hand liggend middelenarsenaal. Het is de meest gemakkelijke dimensie, de minst complexe. Bovendien is het bijzonder geschikt om erin te experimenteren. Als we factor x veranderen, wat gebeurt er dan met de factoren y en z? In andere ruimtes en dimensies liggen de gevolgen niet zo voor de hand. Bv. als ik in mij een diepe emotie verander ken ik bijlangena niet de gevolgen daarvan in mijn omgeving… Het is dus veel veiliger om zich te bewegen in het opper-vlak dan in de andere ruimtes. Daarom is de directe bruikbaarheid van opper-vlak veel evidenter. Met recht en rede draagt de oppervlakte-ingesteldheid de absolute voorkeur van de positieve wetenschappen.        
Als we in ons leven in situaties komen die ons verstand te boven gaan (lijden, dood, verliefdheid, zingeving etc.)) dan hebben we gemakkelijk de reflex om de andere dimensies te trekken binnen opper-vlak. Bv. hoe kan God (= andere dimensie) de dood (opper-vlak) toelaten van dit onschuldige kindje? We sjoemelen dan met verschillende dimensies. We husselen ze door elkaar. We doen dat omdat we de oppervlakte-dimensie goed kennen. Het is ons normale bewegingsveld. De andere dimensies zijn vreemd voor ons, ongewoon. We kunnen ons daarin niet behelpen met wegenkaarten of een gps. We riskeren ons niet. Opper-vlakte is zeer behoudsgezind: safety first.
Inner-ruimte
Het woord inner-ruimte bestaat bij mijn weten niet. Het is selfmade. Het heeft een vergrotende trap in zich nl. in, inner, (inst), zoals op, opper, (opst). Het woord duidt dan ook op een ruimte die een zeer grote innerlijke ruimte aanduidt, ruimer dan ruim.
Alles wat bestaat, bestaat binnen en dank zij de energie van deze ruimte. Het is de stuwende oorsprong van alle schepping. De inner-ruimte manifesteert zich in alle vormen van de opper-vlakte. Wat wij met onze zintuigen zien, horen, voelen, ruiken of smaken zijn openbaringen, veruitwendigingen van de inner-ruimte. Er bestaat een onmiddellijke wederkerigheid tussen inner-ruimte en opper-vlakte. Het ene omvat het andere. Het andere manifesteert het ene.
In alle religies vindt men die beweging terug: de Vader openbaart de Zoon, schepper en vernieuwende vernietiger, uit de bigbang ontstaan werelden.
Eigenlijk zien we de inner-ruimte nooit. We vermoeden haar, verlangen haar, ervaren haar. We voelen haar aanwezigheid. We leven in haar kosmische schoot. Alles wat we zijn en hebben wordt uit haar geboren.Voor haar aanwezigheid is er voor de oppervlakte-kijker  geen enkel bewijs, omdat die zich slechts laat zien via alle vormen in de opper-vlakte. We moeten dus altijd passeren langs en door die vormen. Wie echter blijft hangen bij die vormen, niet verder kijkt dan zijn neus lang is – en sommige kiezen daar uitdrukkelijk voor – kan dan ook nooit de inner-ruimte ervaren. Hij barricadeert met zijn scepsis.
Ogenschijnlijk krimpt elke manifestatie van de inner-ruimte in de oppervlakte in. Vormen zijn altijd beperkingen. Ze kruipen in begrenzingen.  Maar elke vorm bergt in zich altijd de ziel van het oneindige. Elke microkosmos is een replica van de macrokosmos. ‘Zijn beeld en gelijkenis’. ‘Klief het hout en dààr ben ik aanwezig.’ ‘Wie mij ziet, ziet de Vader.’
Er moet gekeken worden met andere ogen. Er moet een opening komen, een doorbreken van de inperkende begrenzing. Pas als men de eigen inter-ruimte ontdekt, kan men maar voeling krijgen met de oneindige Inner-ruimte. ‘Het Koninkrijk is in U’.
Ieder van ons is zelf een manifestatie van die Inner-ruimte. Dus leven we concreet in de vormenwereld, in de opper-vlakte. We moeten dus niet alleen het onnoembare in deze concrete materiële fysische wereld zoeken en onthullen, maar evenzeer in onszelf. Het is letterlijk een openbreken, een dòòrbreken. We zijn ziende blind.
Die blindheid vinden we in veel culturen met andere bewoordingen terug. Plato zegt dat we slechts de schaduwen zien omdat we opgesloten zitten in de grot van onszelf. Oosterse wijsheid spreekt over maya. Het woord maya komt uit het Sanskriet. De stam ma betekent meten, begrenzen. Dus datgene wat we met onze fysieke ogen zien – en daarom begrensd is – is maya.
Het betekent ook meedelen, aan anderen geven. De godin Maya is de vrouwelijke scheppende energie en deelt zich in dit proces uit. Wat wij zien is dus openbaring vanuit de goddelijke inter-ruimte, maar is door zijn vormen vergankelijk. Het ontstaat en gaat weer ten onder, een eeuwig cyclisch proces. In feite is dat de betekenis van het doopritueel. Maya is dus geen illusie, zoals wij westerlingen dat graag definiëren.
In ons rechtlijnig (lineair) westers denken is er geen plaats meer voor verwondering. We blijven muurvast hangen aan nuchtere objectieve logica. In die zoektocht naar inner-ruimte dansten mensen zich in trance, namen hallucinogene stoffen, trokken zich ascetisch terug in woestijnen en sobere kloosters… Precies met dezelfde obsessieve verbetenheid hechten mensen zich nu aan de opper-vlakte.
Het hoeft echt niet zo extreem. In ieder mens is die inner-ruimte. Eigenlijk is hij in die inner-ruimte. We zijn als de vis in de zee die op zoek is naar water. Hij weet niet meer dat hij erin zwemt.

Heilige onwetendheid
We hebben het almaardoor gehad over zien, anders zien. Het griekse woord voor god is theos (werkw.: theëin)en betekent zien. Wonder, toch?
In de koepel van vele antieke gebouwen is dikwijls een ronde opening gemaakt, een oculus (oog). Doorheen deze leegte kunnen we datgene zien wat ons transcendeert. En het Transcendente ziet ons. (Bv. in het Pantheon in Rome).
Ons moderne zien is afgestemd op kennis. Inner-ruimte kan niet gekend worden. Het is geen kwestie van intellect, maar van ervaren van aanwezigheid die ons overstijgt. Daarom vinden we aanwijzingen naar woorden als leegte, niet-iets, niet-weten.
Nicolaas van Cusa noemt het ‘heilige onwetendheid’. Een anonieme schrijver heeft het over ‘De wolk van niet-weten’. De Tao zegt: ‘Hij die weet dat hij niet weet, kent de Tao’.
Terwijl onze westerse wereld alles doet om kennis te verwerven – kennis is macht -  en dat we van kleinsaf worden opgevoed en ‘geschoold’ in weten, wordt ons sinds eeuwen voorgehouden dat er naast dit weten nog iets bestaat als ‘heilige onwetendheid’. Die werkelijkheid die we niet kunnen zien en uitpuren in weten, is de inner-ruimte.

Vindplaatsen van inner-ruimte
Letterlijk genomen is het zoeken naar vindplaatsen voor de inner-ruimte een wat domme vraag. Het is als de vis in de zee die naar water zoekt. We zijn altijd en overal in de inter-ruimte.. Maar goed, misschien zien of ervaren we ze niet of nog niet of te weinig. Er zijn wel bevoorrechte plaatsen en bezigheden, gemakkelijke ingangen.
Verbondenheid met de natuur. Als je een tuin hebt zorg dan met liefde voor dit stukje aarde. Of breng de natuur in huis door bloemen of planten. Tuinieren is een prima ingang. Wandelen of stappend mediteren. Genieten van de rust. Eén worden met het landschap.
Zorg voor dieren, in hun aanwezigheid zijn. Zelfs een goudvis in een bokaal, een parkiet, de mussen op het dak, het lammetje in de wei, de merel ’s morgens, de wriemelende ijverige kevers, de dans van de vlinders…praat met dieren.
De zon en de maan zijn belangrijke poorten. Eigenlijk alle sterren en planeten. Ze getuigen van enorme krachten en tillen ons over onze grenzen heen.  
Alle soorten kunst, zowel zelf doen als ervan genieten.
Muziek.Kies muziek zorgvuldig. Niet alle soorten muziek maken het je gemakkelijk om inner-ruimte te vinden. Na een tijdje aandacht vind je wel wat er  bij jou de opper-vlakte doorbreekt. Vergeet niet te zingen.
Schilderen, tekenen, werken met kleuren brengen je naar meer dimensies. Boetseren, beeldhouwen… je hoeft geen beroemdheid te worden of te zijn. Niet de muren zijn belangrijk, wel de ontmoeting binnen de ruimte.
Schrijven, dichten…ze breken de gesloten werkelijkheid open. Ze breken de schrijver en de dichter open. Ze ontwerpen nieuwe ruimtes. Woorden klieven de werkelijkheid en in die leegte dààr is het.
Bidden.Het is  zich openstellen, vragen aan wie of wat je ontmoet de eigenheid te delen. Vragen aan het brood, aan de stoel, de tafel, de wind, een kind, het weer, de dood, het lijden…’zeg me wat je bent, openbaar me jouw wezen.’

Eigenlijk, eigenlijk is alles inner-ruimte. Jijzelf incluis. Duik erin. Dompel je erin onder.

up naar boven


Terug