VERHAAL September 2010                                 Print

Licht

Hij verveelde zich dood. Tijd had hij immers een eeuwigheid. 'Ik moet iets doen, dacht hij, leven in de brouwerij'. Dat woord zal hij wellicht niet gebruikt hebben. Hij bedoelde: 'Ik moet leven scheppen'. 'Hoe doe je dat?' vroeg hij zich af 'die grijze tijdloze eeuwigheid kleuren.'
Hij glimlachte bij die ingeving. De boel opfleuren met kleur.

Als een kind fingerpainte hij en trok op de ganse breedte van de hemel met grote halen ovale strepen, rood en groen en blauw en geel… van de ene einder naar de ander. 'Precies een boot, zei hij, ar-en-ciel'.

Het was een eerste kinderlijke schilderpoging. 'Niet slecht, zei hij, voor een beginneling'. Hij zag dat het goed was, dat het deugd deed.
In een bui van overmoed kleurde hij de mens. Verdund roze, bruin, geel en rood. De buitenkant was verschillend maar binnenin gelijk. Eigenlijk vond hij het niet zo'n réussite. Maar gedane zaken nemen geen keer. 'Ze zullen ermee moeten leven, mompelde hij, dat ze hun plan trekken'.

Als tegenreactie begon hij wild te experimenteren. De kaketoe en de papegaai verfde hij bont. Hij trok strepen over de zebra, wit-zwart, en geel-bruine op de tijger. De pauw kreeg stippen als ogen in zijn staart. De kameleon was een huzarenstukje van kleurtechnologie. Toen hij de dieren had ingekleurd, soms buiten de lijntjes, kwaste hij kwistend op de bomen en de planten. Soms pointillistisch, soms dik erop met het verfmes. Klassiek lukte hem wel, maar hij vond het wat stijf en streng.

Hij was zó in de kleuren opgegaan dat hij helemaal bekliederd was. 'Ik lijk wel een clown', zei hij. Zelf was hij nu één kleurenweelde. Hij schitterde aks een fonkelende diamant. Hij schaterde van plezier. 'Plezant, boeiend', zei hij tevreden. En hij zag dat het goed was en dat alles er vrolijk uitzag. Hij had leven in de brouwerij gebracht.

Toen rustte hij. Maar niet lang, want hij had de smaak te pakken. 'Ik verveelde me dood, mijmerde hij, maar nu is er leven'.
Toch had hij nu een probleem. 'Wat doe ik nu met de dood?'
Hij zag heel opmerkzaam, dat na een tijd de kleuren wat verbleekten. Waar hij de verf dik had gelegd zelfs wat afbladderden. Ze bleven niet. Ze hadden hun beperkte tijd. 'Jammer, zei hij, wat nu?'

Hij zat daar een hele tijd stil. 'Leven scheppen is relatief, zag hij in, het is vergankelijk.' Hij werd er wat mistroostig van.
Toen viel hem een geweldig idee te binnen. 'Ik heb nog nooit met licht geschilderd' zei hij hardop.
Hij nam totaal ander gerief. Hij mengde geen verven meer. Hij retoucheerde vroegere werken niet meer. Hij liet wat oud was en versleten helemaal zijn weg gaan, vergaan, tot er alleen nog de essentie overbleef. Zo ontstond het puurste licht. 'Schilderen met licht', glimlachte hij, 'schilderen met leegte, met niets'. Nog nooit had hij zo'n prachtige wezens gezien. Die ontstonden uit henzelf.

'Weet je, dacht hij, nu kunnen ze zichzelf helemaal anders inkleuren, naar hun eigen ervaring en smaak. Ze kunnen een nieuw leven scheppen. Ze gaan zich niet dood vervelen, maar fingerpainten en kliederen en eruit zien als goddelijke clowns, net zoals ik,op mij gelijkend'.
En hij zag dat het goed was, buitengewoon goed. 'Nu kan ik op pensioen, zei hij, ze hebben zelf gevonden hoe ze leven kunnen scheppen. Uit licht.'

Marcel Ploem

up naar boven


Terug