MAANDBRIEF December 2011                                 Print

DE SMAAK VAN SEIZOENEN

De vier jaargetijden

Vorige maand hebben we het gehad over duurzaamheid. We moeten het leven durven aangaan door het te harden, te verduren. Het is het terrein bij uitstek om door de wisselvalligheden te leren in goede en kwade dagen. Een leerschool die ons heel flexibel maakt. Een atelier dat ons uitdaagt tot creativiteit, beoefening van een kunst om nieuwe oplossingen te vinden. Het is tegen de geest van deze scholing om zich vast te pinnen op één methode. Er is diversiteit nodig om vruchtbaar te zijn. Alleen zó kan duurzaamheid gedijen, in wisseling van opstaan en onder gaan. Het is wars van alle behoudsgezindheid, vooral van macht. Macht is het bankroet van vruchtbaarheid. Ze verstikt creativiteit. Ze laat niets ontstaan.
Duurzaamheid laat bestaan spijt de wisseling van seizoenen. Er is een onderstroom van leven die duurt. Alleen de vormen wisselen.

Wisseling van seizoenen
Hoe dan ook, we zitten altijd in een of ander seizoen, in de natuur of in een eigen levensfase. Dat is zo voor ons individueel, maar evenzeer maatschappelijk als mondiaal. Het leven verloopt in fazen, zoals dag en nacht, eb en vloed, of zoals de seizoenen. Het is belangrijk om die in het eigen bestaan te onderkennen en te respecteren. We kunnen fazen zo maar niet door elkaar husselen. Dat gebeurt helaas op grote schaal. Gevolg: we roeien tegen de bioritmische tijd in. We creëren enorme weerstanden. We verzeilen in een chaotische kolkende zee. We lappen de natuurlijke golvingen aan onze scheepslaarzen. We ontwortelen en verliezen de eigen identiteit. We verliezen het vermogen om te luisteren. Alles kakelt door elkaar. Niets heeft nog zijn eigen plaats en ritme. Het getoeter en getater gunt ons geen seconde rust. We krijgen geen tijd meer om de dingen en gebeurtenissen op hun plaats te zetten. Het is een enorm pakhuis waar alles op en door en over elkaar ligt, een magazijn waarin een kat haar jongen zelfs niet terugvindt. Kortom:er is geen dynamische natuurlijke orde meer. We hebben dus te leren, opnieuw, van de wisseling van seizoenen.

Winter
Gewoonlijk beginnen we spontaan te tellen vanaf de lente. We vinden de lente het begin van de reeks. Maar eigenlijk is de winter de alfa en omega, begin en einde.
Winter is het nulpunt. Ze is de open ruimte. Ze is leegte, tabula rasa. Alles is herleid tot het minimum. Alles heeft ze losgelaten. Alle vroegere projecten zijn afgestorven. Winter gaat door de dood. Er ontstaat een ontzaglijke ruimte, tegelijkertijd én transparant. De natuur ademt nauwelijks, net als in de slaap. De smaak van diepe rust en stilte.
In de winter regresseert alles. Geen druk meer, geen pressie. Wel een soort de-pressie, als je het vergelijkt met de andere seizoenen. Blijkbaar is de energie uitgeput, tenminste de oude. De natuur trekt zich terug om te bezinnen. De oude zin is op, is vruchtbaar geweest. Moeder natuur heeft er geen zin meer in. Alleen in de rust kan men een evaluatie maken van wat geweest is. Dat vraagt tijd.
Opvallend hangt er een ijlheid. Geluiden klinken anders, gedempt. De lucht is dunner. De mist verhult het landschap. De winterzon is doorschijnend. Weinig beweging van de dieren. Sneeuw en rijp roven de kleuren en maken alles sober: wit-zwart. Men trekt zich terug in behoedzaamheid. De natuur is in beraad.
lente

Tijd van verlangen. Het heeft nu lang genoeg geduurd. De natuur wordt zenuwachtig. Er ontstaat een stuwend verlangen naar nieuw leven. Ontwaken. Herwonnen krachten. Het wriemelt en krioelt overal. Er zijn nog wel geen vaste plannen zichtbaar. Het kiemt, barst, breekt open. Onstuimigheid, dans zonder regie. Lente is explosie, onstuitbaar, zich verliezend, euforisch. Net zoals in de liefdesdaad: miljoenen cellen worden geëjaculeerd, waarvan er uiteindelijk één of enkele bevruchten. Lente ordent niet. Het spring-t. Pas als de maartse buien en aprilse grillen over haar heen zijn gewalst, met massale verliezen tot gevolg, krijgen de nieuwe energieën vastere vormen. Er komt tempering. Plaats voor geduld. Na een tijd lost de euforie zich op. De overdadige bloei verwaait, verbloesemt. De tooi wordt dagelijkse werkkledij. Nuchterheid doet de lente pijn. De zachtheid loopt over naar de harde werkelijkheid.

Zomer
Dit is het levensseizoen van het doen. Zomer is daadkracht, vormkracht. De projecten worden concreet omgezet. Terwijl lente een belofte is, een droom, is zomer een praktisch nu. Geen uitstel. De zon staat hoog. Landschappen krijgen hun volle reliëf. Overal is er beweging en drukte. Zelfs de temperatuur is druk, warm, heet. Soms overdruk, die zich ontlaadt in onweer en onverwachte stortbuien. Hoognodige afkoeling. De kleuren zijn niet meer pastel, maar foncé. Er is vroeg licht en het blijft lang. Mens en natuur hebben dorst. Krachten werden roekeloos verbruikt. Het is alsof het leven niet op kan. Er is veel. Op het hoogtepunt van de energie is er een labiel evenwicht. Alles kan omslaan in het tegendeel. Een manisch-depressief syndroom. Er is een sterke drang naar buiten, heel extravert. Tegengesteld aan de winter. Tijd om te trouwen, te feesten,te reizen, de wereld te verruimen door te trekken en te zwerven (vacare). Er wordt volop geproduceerd. Activiteit. Ongedurigheid. Een op en neer gaan van ijver en loomheid. Zomer is hard en droog, vol en vochtig. Het seizoen van extremen. Wat na de explosie van de lente nog overschiet tekent zich nu scherp af. Het sprookjesachtige wordt ontdaan, ontkleed, en verschijnt in een scherpe werkelijkheid. Niets zo nuchter realistisch als de zomer. De schaduwen zijn korter dan in welk seizoen ook.
herfst. Wat een vreugde ! gouden kleur. Dans zang en feest. Nu gaan we oogsten. De tijd is volwassen en vol. Er breekt een blije bedrijvigheid aan. Nuttigheid en genot. Een sfeer van openheid, overvloed, behulpzaamheid, samenhorigheid. Herfst is het rijkste seizoen.

Twee kanten wel: ofwel vrijgevig ofwel bezitterig. Herfst openbaart het project, gepland in de lente, uitgevoerd in de zomer. Herfst installeert de definitieve keuze. Wie ben ik als mens? Welke zin heb ik aan mijn bestaan gegeven? Mijn innerlijke landschap bekent nu kleur. De kwaliteit van mijn oogst breng ik op de markt. Aan de vruchten kent men de boom. Herfst liegt nooit. Wat ik in mijn seizoenen heb geleefd, openbaart ze feilloos. Ze is duidelijk zoals de jaarringen van een boom.
Tijd ook van loslaten. Niet alleen het plukrijp zijn (pluk me, pluk me!), niet alleen de bomen en struiken die hun blad verliezen, maar vooral een innerlijke instemming om niet te behouden. Alles wat de boom niet wil loslaten rot als vrucht. Geen treurige gelatenheid, maar binnenin een uitgelatenheid om vrij te kunnen zijn. De blijheid dat er nieuwe ruimte mogelijk is voor weer ander leven.
De herfst heeft dus twee gestalten: de volheid en overvloed, een gouden tijd, én een toenemende naaktheid. Soms gaat het er stormachtig aan toe. Soms worden we gedwongen om op te ruimen. Alleen de totale naaktheid openbaart de essentie. Dan staan we weer in het nulpunt winter.

Tussennota

  • winter: verwant met water en wit (sneeuw) = het witte seizoen
  • lente: verwant met lengen (het lengen van de dagen = seizoen waarin de dagen stilaan langer worden.
  • zomer: etymologie onbekend. Mogelijk: summer, summum, summit: de zon die op haar hoogste punt staat.
  • herfst: engels harvest = oogst. Seizoen van de oogst.
  • Jammer
    De hamvraag is nu: wat schiet er in onze moderne maatschappij nog over van dit ritmische golven van de seizoenen? vooral van het natuurlijke proces en de eigenheid van elk seizoen, zoals we dit beschreven hebben? Eigenlijk niets. Jammer, heel jammer. Meer nog: gevaarlijk. We hebben er een janboel van gemaakt, chaos, een zootje. Je kan op elk moment van het jaar in elk grootwarenhuis tegelijkertijd alle producten van elk seizoen kopen. Seizoenen zijn koopwaar geworden.
    Leegte, ruimte, nulpunt in wintertijd hebben we gezegd. Tijd voor bezinning en stilte. Alleen uit het volslagen donker kan het licht ontstaan. We hebben er nochtans een tijd van drukte, lawaai, schreeuwerigheid en kitsch van gemaakt. We baden in overtollig, nutteloos licht. Geen greintje soberheid. Zomer is eigenlijk het seizoen van overdaad, zon-licht op en top. We hebben beide seizoenen door elkaar gehusseld. In volle winter eten we aardbeien, frambozen, exotische vruchten. We reizen à volonté. Skiën kan je op elk moment van het jaar enz. Je kan zelf talloze voorbeelden vinden van die chaotische mikmak. Zoek maar even, liefst in jouw eigen leven.
    Mag dat dan niet? alles mag en kan. We zijn geen krenterige bekrompen kribbebijters. Waar het op aan komt is de proportie. Er is geen evenwicht meer en geen bewustzijn van het impact van dat husselen. Verkeerde energie op verkeerde momenten en daardoor een desoriëntatie in onze fysieke en innerlijke omgeving. Het ontregelt en vervlakt ons. Het ontneemt ons accenten in het jaarproces.
    We verlangen niet meer. We kijken niet meer uit naar een vernieuwend gebeuren. Alle feestdagen zijn eender geworden, zonder betekenis. Ze zijn gedegradeerd naar niet meer dan een vrije dag, verlofdag. De advent (ad-venire = een gebeuren komt op ons af) was een voorbereiding op de doorbraak van het licht, een ommekeer). Men stak voorzichtig een kaars aan, één per week. Vier tot Kerstmis. Veertig dagen bereidde men zich voor op de doorbraak van de sol invictus, de schitterende hoogstand van de zon, de onoverwinnelijke, de belofte van de hoorn van overvloed, opstanding, Pasen.

    Onze welvaartmaatschappij heeft verlangen uitgeblust. De grootwarenhuizen bulken uit van overdaad. We weten zelfs niet meer wat te kiezen. De cadeau-stress. Op elk moment van het jaar is alles binnen handbereik, grijpbereik. Wie weet er nog wat oogst is? Hoever van de natuur leven we in opgehoopte appartementen? Met de regelmaat van verdwazing moeten we de artificiële vruchtbaarheid massaal dumpen op verzuurde gronden of vervuilde zeeën…of in derdewereld landen: melk, kippen, tomaten, komkommers, fruit… of moeten we dieren afmaken en verbranden in ontelbare vuren van vernietiging, de moderne brandstapels.

    We komen niet meer toe aan het nulpunt van de winter. De economie laat ons dat niet toe. Van alles hebben we hopen nodig, eigenlijk zonder hoop. We hebben schrik van de leegte en het stille niets. Ze beangstigen ons. We willen niet geconfronteerd worden met de eigen verdwazing en ons schromelijk tekort aan een inwendig ontwikkeld ethisch en spiritueel bewustzijn. Het winterseizoen zou ons nochtans met mildheid en verzoening tot het wezenlijke kunnen brengen. Wat oud is geworden - zij het goed of kwaad - werd vroeger verbrand in helende vreugdevuren. Een pasgeboren baby stond daartoe garant. Het had een heel vers leven vóór zich. De fenix die uit zijn as verrees. We moeten weer reliëf brengen in onze levensgang. Ieder van ons moet in zichzelf de eigen nieuwe seizoenen gaan ontdekken. De wereld is veranderd. De ritmes en golvingen ook. Een veranderde wereld vraagt om een veranderde kijk op wat er in ons individueel en collectief gaande is. Op zoek dus naar een evenwicht in de eigen klimaatverandering. Het meest dodelijke zou zijn als we alles vervlakken en een bestaan gaan leiden van ver-veel-ing. Doodgaan aan de opwarming, oververhitting van teveel.
    Herontdekken van de smaak van seizoenen en de vreugde van te dansen op dat ritme.

    up naar boven


    Terug