MAANDBRIEF Februari 2011                                 Print

WIE IS BANG VAN STILTE?

Ten geleide
Vorige maand schreven we een brief over ‘Geroepen tot vrijheid’. We zijn minder vrij dan we denken en vooral doen. Onze diepste kern, onze ziel, heeft wel een grondplan dat ons oproept tot vrijheid. Het is de hoeksteen, de steen der wijzen, waaraan we kunnen kappen en slijpen tot  de gepaste maat, het sluitstuk dat heel ons wezen schraagt. Maar er is werk te doen in ons atelier. Vooral moeten we weer voeling krijgen met en zicht krijgen op het grondplan. Het is vertroebeld, verwaterd en verweerd door weer en ontij.

Architect is een samengesteld woord uit archè en tecton. Archè betekent vòòr (voornaamste), begin. Tecton betekent handswerkman, kunstenaar, schepper. We zitten hier dus weer bovenop het scheppingsverhaal. Er wordt gerefereerd naar het allereerste begin, vóór het eerste woord, vóór de eerste scheppingsactiviteit. De architect moest nog de eerste lijn tekenen van het masterplan.
Dit sluit naadloos aan bij de betekenis van stilte. Het woord heeft als stam stillen, zoals in ‘de honger stillen’. Stillen is bedaren, roerloos maken en tot kalmte brengen. De grondbetekenis: onbeweeglijk, vaststaand zoals een boom (steel).
Wie het stil maakt in zichzelf, keert bewust terug naar zijn vaststaande grondplan. Niet alleen dat van zichzelf, maar dat van alles, de onversneden ongevormde eenheid. De  roep tot vrijheid borrelt op uit die stilte. Paradoxaal zegt de stilte ons welke de krijtlijnen zijn van het eigen individuele grondplan. Stilte is dus de architect. Willen we de architect ontmoeten dan moeten we de stilte ingaan. Voor de moderne mens is dat bijzonder moeilijk. Hij is bang van stilte, van zijn eigenlijke grondplan.

Wie is bang van stilte?
Het boek van Sara Maitland ‘Stilte als antwoord’ heeft me veel geleerd. Zij heeft me, naast de helende mystieke kant van stilte, ook de bedreigende aspecten getoond. Nu versta ik beter waarom de meeste mensen bang zijn van stilte. Zij is een genadeloze spiegel, waarin we confronterend ons eigen beeld zien.  We kijken ‘in de wateren waarover Gods geest zweeft’. We kijken tegelijkertijd naar ons grondplan én  naar het concrete bouwsel dat we van ons leven hebben gemaakt. En dat is schrikken!
In een poging om God te beschrijven  gaf men als kenmerken aan: fascinosum, tremendum et majestuosum. Fasces betekent een bundel hout, zoals de heksen hebben (hun bezemsteel). Fascineren is dan ook betoveren, beheksen. We worden door het goddelijke betoverd, aangetrokken. In het woord daimon vinden we deze betekenis ook terug, zoals in de uitdrukking ‘er is een daimon, een god in mij gevaren’ (en-theos, enthousiast).

Tremendum komt van het latijnse tremere.  Het betekent sidderen en beven. Het goddelijke doet ons op onze grondvesten daveren. Kortom,er is nogal wat te bibberen als we in contact komen met ons diepste wezen en de schaduwen die wij erop hebben laten  woekeren.
Sara Maitland documenteert uitvoerig in haar boek hoe men door afzondering en stilte volkomen tureluut kan worden. Als tussenbedenking wil ik even meegeven dat de gewoonte om gevangenen op te sluiten  in een cel of ze dagenlang in een isoleercel te stoppen, een bijzonder slechte methode is. Men duwt ‘delinquenten’ in een positie die ze niet aankunnen. Niet toevallig tieren hier welig drugs, kettingroken en emotionele erupties. Stilte is voor hen een gekmakende situatie waaruit ze koste wat kost willen ontsnappen.
In haar boek ‘De smaak van stilte’ laat Bieke Vandekerckhove dikwijls het beangstigende en bedreigende van de stilte doorklinken. De stilte als verpletterende spiegel. Een citaat:
‘…Die woestijn ontvlucht ik. Ik schuw haar meedogenloze hardheid. Ik ben er als de dood voor. Ik kan de kille aanblik niet verdragen. De spiegel waarmee ze mij aan mezelf toont, boezemt mij angst in. Ze toont mij dingen die ik liever niet zie. Ik ervaar haar als afschuwelijk niemandsland… Toch is het de enige woestijn die voor mij werkelijk woestijn is. Het is mijn woestijn. Als ik ergens in de woestijn wil gaan zitten, is dat de woestijn die ik moet durven betreden. Op hoop van zegen.’

Ontsnappen
We willen dus ontsnappen. We zijn bang voor de confrontatie. Elke spiegel is keihard en ijzig koud. Hij reflecteert dat wat de buitenkant is, het ego, genadeloos. Het is toch bijzonder dat we zoveel werk maken van onze buitenkant, ons ego, terwijl we (zouden kunnen) weten dat het precies deze kant is die vervreemdend werkt. We zijn onszelf niet meer, we zijn afgeweken van ons grondplan.
Dàt is precies onze schrik: de confrontatie met onze oneigenlijkheid. Te moeten constateren dat we in feite niet zijn wat we zouden kunnen zijn. Om gek van te worden. We willen dat niet zien. Het ego verzet zich tegen deze constatering. Het wil zijn vermeende zelfbeeld fraai zien. Het duldt geen deuk.

Op zoek dan maar naar schone schijn. Ontsnappingsroutes om niet geconfronteerd te worden. Vertroebeling van ons vermogen om scherp te zien en accuraat te horen. Een pertinent middel is ons onder te dompelen in lawaai. Bovendien ervoor te zorgen nooit stil te zitten. Zorg voor een constante stroom van beweging, fysieke onrust. Babbel en tater er op los. Laat binnenin de gedachten holderdebolder over elkaar buitelen.  Chaos, hersenkortsluitingen , zielsverwarring.

Om deze non-confrontatie te bewerken overspannen we onze zintuigen. Alle zintuigen. Ons synesthetisch vermogen slaat tilt. Het is het vermogen waardoor alle zintuigen tegelijkertijd samenwerken (sunaisthanomai- samen ervaren). Een soort overkoepelend zesde zintuig.    
We eten ons te pletter of vernietigen onszelf door anorexia. We vibreren op overdosissen vibes om ons gevoelsvermogen te overstressen. We verzieken onze lucht zodat ons reukvermogen ons niet meer kan oriënteren. We willen ons laten bombarderen door een nucleaire versplintering  van miljoenen beelden. Nooit nog is datgene wat we zien datgene wat het is. Totale verwringing van ons synesthetisch vermogen. Kortom, eigenlijk slaan we tilt. Alle rode lichten knipperen. Resultaat: perfecte overwoekering en camouflage van ons diepste wezen. De afwezigheid van stilte heeft de architect dodelijk ziek gemaakt. Hoe kan ik nu nog mijn grondplan terugvinden? Hoe kan ik bouwen aan mijn tempel zonder te kunnen werken aan mijn hoeksteen?

Versoberen

Het ligt er vingerdik op dat we zintuiglijk zullen moeten versoberen. Van de ruwe brok steen moeten er stukken afgehouwen worden. Het leven is de slijpsteen van onze innerlijke diamant. Stilte is niet het ontbreken van geluid, niet een woordeloos zwijgen. Het gaat niet om de fysieke stilte, ook al is die een eerste poort en een noodzakelijke toegang. Sara Maitland spreekt over een luisterende stilte. Het initiatief (initium= begin) ligt niet bij mij, maar bij de stilte. De stilte komt naar mij, is eerst. Zij spreekt mij aan.
Hier raken we de diepste grond. Voor de moderne mens wellicht zo onverstaanbaar omdat hij het luisteren heeft verleerd. Hij is luister-onvermogend. Luisterende stilte is de stilte die vòòr alles is. Het is de bereidheid om terug te keren naar vòòr het begin, naar de oorsprong van het grondplan in mij.

Wat voor mij altijd zo openbarend is en heel bijzonder, zijn de momenten – ze overvallen mij of vallen mij in – dat ik ervaar hoe alles met alles in stilte verbonden is. Zó stil. Het is die stilte van aanwezigheid. Contradictorisch woord als ik het uitspreek als van-zelfsprekend. Het is geen spreken, het is ook geen zwijgen. Het is zijn. Er is niets zo stil als zijn. Dit zijn zit luisterend te wachten tot iets openbreekt, zich openbaart. Dan pas komt er geluid, een beweging, een woord.

Ik schreef dat zo’n moment me overvalt of in mij valt. Zo voel ik het. Het gebeurt alleen als ik niets doe, niets denk, niets voel, niets verwacht. Als ik niets anders ben dan aanwezig tussen al dat en mij. Alleen zijn, in-wezigheid. Ik zou het in metaforen kunnen uitdrukken: een onbegrensde ruimte, een ongevulde openheid, een overal aanwezige ongevoelde zachte bries. Meer nog dan ‘God is liefde’ zou ik het benoemen als ‘God is luisterende stilte’. Daaruit kan alles ontstaan, om het even  wat. Dat wat opgeroepen kan worden.
We moeten sober zijn in het doorbreken van die stilte. Doen we dat teveel dan raken we verstikt in onze eigen scheppingen. Er ontstaat chaos, torens van Babel, spraakverwarring. Door overwoekering vinden we de weg niet terug naar de ‘luisterende stilte’. Er is niet meer de ervaring van één aanwezigheid die alles omvat, maar een scheidende veelheid, een nucleaire versplintering. Er is geen ruimte meer waarin stilte me kan overvallen of in mij vallen, omdat een overlast van allerlei aanwezigheden me heeft bezet. Al die dingen scheiden me van al die dingen. Het wordt té druk in mij.

De momenten dat de stilte me overvalt of in mij valt – het is een gratis geschenk – glijdt geluk onmerkbaar binnen. Een stille bezoeker. Hij komt en gaat, ongebonden. Als ik tracht hem vast te houden, is hij al vertrokken.  Niets komt dus van mij, uit mij. Ik ben een doorgang, of liever: ik maak deel uit van die aanwezigheid. Hoe minder ik, hoe meer en hoe langer aanwezigheid.

Ik heb de stellige overtuiging dat die aanwezigheid er altijd is, een duurzame ongrond. Alleen, ik positioneer mezelf al te dikwijls buiten die aanwezigheid. Ik ben een te propvolle ruimte zodat er geen plaats is om de luisterende stilte te herbergen.
Meestal duren die geluksmomenten maar de duur van enkele ademhalingen. Da’s kort van tijd, maar lang van smaak. Het heeft niets te maken met ademhalingstechnieken of meditatie. Wel met een levensingesteldheid. Als ik een houding heb van bereidheid en een gevoel van volkomen onbelangrijkheid. Mezelf niet méér voelen dan een insect, een struik, een boterham, een stuk asfalt, een mus, regen of een wolk vòòr  de zon… Onderdeel te zijn van alles zonder deel te zijn. Verbonden zijn met alles zonder zichtbare band. Hoe kan je non-duaal uitdrukken dat je in iets één bent. Als het duale wegsmelt, dan… is er alleen het uitdrukkingsloze, woordloze. Dan is er luisterende stilte.

De zin van lawaai

In een tijd waarin er zoveel lawaai is, uiterlijk en innerlijk, kunnen we ons de vraag stellen welke zin lawaai kan hebben. Wat mij opvalt is dat elke crisis gepaard gaat met herrie, lawaai, emotionele en fysieke uitbarstingen. Lawaai is een barometer. Het zegt iets, wil verduidelijken. Wat opgehoopt is, opgekropt,veretterd, wil eruit. Zoals bij een vulkaan of een zweer of een verbitterd hart. Eruptie. Het rommelt, sist, verbreekt, verbrokkelt, alarmeert, gist… Een lawaaierige cultuur is een crisiscultuur. We zitten daar nu middenin.
Ik denk dat de zin daarvan is om ons te verwittigen dat er hoognodig komaf moet gemaakt worden met voorbije verrotte structuren. Het moet kantelen. Er breekt een tijd aan dat we onderscheidend moeten oordelen (krinein= onderscheidend oordelen, weten waar het op aan komt).

Na een explosie is er altijd een confronterende stilte, adembenemend stil. Back to basics. Terug naar het grondplan. Nood aan de gezonde architect die nog weet hoe het grondplan was.

In bepaalde culturen is (was) het ‘zinvolle’ lawaai maken traditioneel ingebouwd. De Chinezen verjagen de kwade geesten met veel herrie  door duizende knallertjes, het slaan op trommels en cimbalen, het laten dansen van de schrikwekkende monsters. Onze gewoonte om vuurwerk af te schieten op oudejaar is het uitdrijven van het kwaad en  toegang geven aan het nieuwe. In Spanje gooit men met veel gerommel alle oude spullen op straat. Het uitdrijven van slechte oude geesten gebeurt  onder krijsen, in trance dansen, in verlies van bewustzijn (zoals bij ons met carnaval er sloten alcohol wordt verbruikt). Altijd volgt er op deze catharsis een tijd van voelbare stilte en bezinning (de vasten).

Toegangspoorten

Er zijn een aantal toegangspoorten die de inval van de luisterende stilte faciliteren. Ik zeg wel faciliteren, het gemakkelijker maken, maar laat het wel wezen: ze geven geen garantie dat het dan sowieso ook gebeurt.

Ik noem er een aantal: de natuur, meditatie, vakantie, stilteoorden zoals deze van monniken, bidden, lezen, muziek, woestijn, een maagdelijk sneeuwlandschap, de zee, een opgaande of ondergaande zon, een volle maan, zitten op een bergtop… Er zijn tal van mogelijkheden. We moeten meteen zeggen dat luisterende stilte  ook kan gebeuren, iemand overvallen in doe-momenten: strijken, wieden, tijdens een ochtend- of avondspits, op een rockfestival, in een hospitaalbed, in loodgieterij of schrijnwerkerij, in een witte-boorden stiel…

Kortom, eigenlijk kan men geen sluitende condities maken. In om het even welke omgeving, activiteit of non-activiteit – totaal onverwacht en onvoorspelbaar – kan luisterende stilte zich openbaren. Ze is volkomen vrij. Ze is ongrijpbaar en niet te regisseren. Ze is soeverein. Alleen een niet geconditioneerde openheid, een bereidheid om veel te laten vallen en aansluiting te vinden  met het oorspronkelijke zielenplan, laat ruimte voor luisterende stilte.

De stilte van de dood

Onze cultuur, ook niet het christendom en de andere monotheïstische godsdiensten, zijn klaar met de dood. Ze ademen luchten van schuld en angst. Ze zijn heel dubbel in hun houding tegenover de dood. Dood heeft uiteraard met stilte te maken. Vóór de oerknal en vòòr het Woord.

Er zijn tal van beelden die deze angst concreet maken: magere Hein met de zeis, de duivel die jouw ziel heeft gekocht, vagevuur en hel, de genadeloze rechter die je oordeelt, de bodemloze val in duisternis, het dolen van de ziel… Natuurlijk zijn er ook beelden  van bevrijding, verlossing, hemel, zeventig maagden, stralend martelaarschap, verrijzenis en folkloristische rijstepap met gouden lepeltjes… Maar al bij al zijn de denkbeelden dubbel.

We hechten zoveel belang aan leven, dat er geen ruimte is voor de overgang naar een verder leven. We hebben een onverbiddelijke grens getrokken, een pikdonkere muur geprojecteerd. Er is geen perspectief. Eigenlijk vertrouwen we het leven niet. Gedaan is gedaan. Uit. Hoeveel belang we ook hechten aan het leven, toch vertrouwen we de levenskracht van het leven niet. Wetenschap en godsdienst hebben het leven sterfelijk gemaakt, dodelijk sterfelijk. Alleen het lichaam staat in het vizier. Men kijkt enkel naar één aspect van het geheel:de fysiek materiële kant. Er is geen andere kant, geen overkant. Je kan geen kant meer op.
Er is geen voeling meer met het zielengrondplan. Overwoekerd door ons rusteloze doen. Met de dood is er niets meer te doen. Het valt stil. De luisterende stilte overvalt ons, valt in ons. De dood als de grote confronterende stilte. We zijn bang om in de spiegel te kijken: wat we van ons grondplan hebben gemaakt en hoe er nu verder kan gebouwd worden. Vreest niet.
Eigenlijk is de dood een enorme kans. We kunnen een nieuwe bestemming kiezen. Het is zo’n geluksmoment zoals ik hoger beschreef, waarop de luisterende stilte tijdloos en ongebonden in ons stroomt en ons terug plaatst in de eenheid. Van daaruit kan dan weer het woord gesproken worden dat schept en schept en eeuwig schept.

Witte zwanen zwarte zwanen

Als kind heb ik dikwijls een spel gespeeld. Ik zal het even schetsen.
Er zijn twee kampen. Van het ene kamp moeten er zoveel mogelijk  trachten over te lopen (een strook aan de overkant). Het andere kamp moet dit beletten. Wie getikt wordt moet in een wachtzone blijven tot iemand van de overlopers deze groep verlost. Dit gebeurt als hij erin slaagt zonder getikt te worden de overkant  bereikt. Zo gebeurt het spel onafgebroken opnieuw, tot iedereen ‘over’ is of ‘gevangen’ is.
Het spel zit verwoord in een kinderlied.

‘Witte zwanen, zwarte zwanen, wie wil er mee naar engelenland varen? Engelenland is gesloten. De sleutel is gebroken. Is er dan geen man in ’t land, die de sleutel maken kan?

Loop over, loop over , de poort  die is weer open…’
Zoek de link van dit spel met wat we schreven over deze kant en de andere kant en het zoeken van de sleutel van ons grondplan.

up naar boven


Terug