MAANDBRIEF Januari 2011                                 Print

TOT VRIJHEID GEROEPEN

Nieuw
In de maandbrief van december 2010 schreven we dat we van alles teveel hebben. Ik hoop dat je dat voor jezelf eens bent nagegaan, niet alleen in de themata die ik bij wijze van voorbeeld heb aangehaald, maar ook op elk ander willekeurig vlak. Als je wat in de recente literatuur rondstruint, kan je daar heel wat stof vinden. Een nieuw jaar kan een welgekome start zijn om het soberder te doen, met minder teveel en meer diepgang. Een nieuwe tijd geeft ons de kans om veel af te schudden. De winter is het seizoen waarin alles krimpt. Alle vruchten trekken zich terug in zaadjes. Ze  worden kern, pit, essentie. Elk zaadje bergt in zich, hoe klein ook, alle mogelijkheden om later, doorheen de seizoenen, uit te groeien  tot wat de eigenheid is, elk naar zijn soort. Al wat teveel is – de bladeren, de dorre takken, de bolsters – worden afgeworpen om te komen tot het wezenlijke. Zo ook groeien wij, mensen, doorheen weer en wind, doorheen allerlei ervaringen. We groeien uit, we worden gesnoeid, we doorstaan woestijn en onweer, we dragen vruchten, we werpen het overtollige af. Een jaarring rijker in onze levensboom. Daarover willen wij het in deze maandbrief hebben: Waar groeien wij naartoe?

Een taaie misvatting

‘Vrijheid is het hoogste goed.’
Elke stad of dorp telt wel zijn eigen standbeeld van vrijheidsstrijders. Het Vrijheidsbeeld van Amerika is zo’n torenhoog symbool. Het land van de vrijheid. Het lijkt wel een bezit, een verworvenheid. Sinds de Franse Revolutie is liberté een kernwoord geworden van de democratie. In ons rechtssysteem is vrijheid een onvervreemdbaar goed van elke burger. Vrijheid van meningsuiting, vrijheid van overtuiging, vrijheid van handel en verkeer, vrijheid van onderwijs…Allemaal excellente dingen. In het gewone alledaagse leven gebruiken we het woord vrijheid echter heel vlotjes in afgeleide betekenissen. ‘Niemand hoeft mij te zeggen wat ik moet doen of laten. Ik ben een vrij mens.’ ‘Ik doe mijn goesting. Dat is mijn volle recht.’ ‘Regels zijn er om overtreden te worden. Leve de vrijheid.’

We zijn nogal een goesting-volkje en gaan nogal vrij om met de vrijheid. Is dat de eigenlijke eigenheid van vrijheid, een domein waarin men naar willekeur zijn gang kan gaan? Men doet alsof elke mens een vrij mens is, alsof hij kant en klaar hierover op elk moment kan beschikken. Maar dat is niet zo. Zijn we niet verblind door het principe, de theorie? Wat bakken we ervan in de praktijk? Hoe geven we onze zogezegde vrijheid concreet gestalte? Het is een taaie misvatting dat de mens, iedere mens, al vrij is. We zijn geroepen tot vrijheid, dat wel. Vrij-zijn is een lange levensweg. Het is geleidelijk een vrij-worden, Een zich vrij-maken en vrij gemaakt worden. De dagelijkse realiteit – in en rondom ons – toont hoe onvrij we nog zijn en precies deze realiteit kneedt ons.

 In onze ziel

In ons diepste wezen zijn we inderdaad vrij, totaal. Noem het ziel. Hierin zitten alle mogelijke mogelijkheden. Een diamant met oneindig veel facetten. Men noemde ons dan ook ‘kinderen, zonen en dochters van god of het goddelijke’. In de bijbel: naar zijn beeld en gelijkenis. Sommige zullen die enorme mogelijkheden in de hersenen leggen. We hebben nog maar een klein deeltje  van de hersenen geëxploreerd. Noem het zoals je wil, maakt mij niet uit. De ziel is het architectenbureau dat alle plannen in zijn archief heeft en kan laten uittekenen. Ons fundamenteel grondplan en dat van alle wezens of vormen. Het Duitse ‘das Ziel’ betekent doel, bestemming. Dit masterplan is onze bestemming: tot vrijheid geroepen. Maar als we geroepen zijn, dan zijn we er nog niet. We moeten nog antwoorden. Dat veronderstelt uitvoering van het plan, ons eigen ver-antwoorde handelen. We moeten willen, bereid zijn. Nou, dat loopt niet van een leien dakje. Onze bouwwerf is dit leven, in deze fysieke materiële wereld. We zijn terecht gekomen in dit aardse bestaan. We kunnen hierom zuchten en klagen, maar eigenlijk is het een plek waarin we onze ‘roep naar vrijheid’ bijzonder goed kunnen trainen. Het is een verdomd moeilijk circuit, zeer gevariëerd en uitdagend om creatief te zijn. Je moet wakker zijn. Je moet voortdurend keuzes maken. Je hebt een grootwarenhuis van keuzemogelijkheden. Het bizarre is dat je kan verdrinken in die keuzes. Je kan de verkeerde kant op. Maar je kan ook leren om de juiste beslissingen te nemen. Het is eigenlijk een soort  ‘trial and error’, gissen en missen. Onze diepste kern – je weet wel: dat wat totale vrijheid is – geeft ons de vrijheid om die keuzes te maken. De totale vrijheid onderwerpt zich als het ware aan beperking. Dat heeft ze gemeen met liefde. Liefde omvat alles, zelfs haat. Zo omvat ‘ziel’ alles, ook beperking. Ze geeft zich over.

Materialiseren
In één van de weinige slapeloze nachten kreeg ik volgende ingeving. Naar het mij voorkomt hebben we ooit een fundamentele foute interpretatie gemaakt. Helemaal in het begin.
In de Bijbel staat het scheppingsverhaal. Maar er is ingesloten eigenlijk nog een voorafgaand verhaal. Vóór het begin, vóór het Woord (= eerste vormgeving) was er chaos, de nog ongevormde oermaterie vóór de schepping. Het woord chaos is verwant met het griekse chaskein en betekent de mond openen om te gapen. Ik denk daarbij aan verwondering waarbij we ook de mond openen van verbazing. Wellicht om de enorme mogelijkheden die in die oermaterie besloten liggen. Het Lege Niets of het Al. Gods geest lag als een ongrond, een oerlaag, een ziel over de wateren. Symbool van alles wat tot bestaan kan komen. Dat was vóór de schepping, vóór elke vorm, vóór alle materialisatie. Maar in die ongrond wordt de wil, de beweging tot schepping uitgedrukt. Er is een intense drang naar openbaring, tot gekend worden  in de meest verschillende vormen. HET wil dat alle mogelijke mogelijkheden worden gematerialiseerd.  Het wil zich uitdrukken in eindeloze vormen. Jahweh is de god van de schepping. Hij was dus niet eerst. Hij was een vorm, een eerste beweging uit die oerlaag.
Deze uitdrukkelijke wil van HET tot materialisatie heeft men overgeslagen, in feite genegeerd. Alle aandacht is naar het scheppingsverhaal gegaan en dus naar de scheppende Jahweh. En toen liep het mis. Want materialisatie, het uitdrukken in vormen heeft uiteraard het kenmerk van beperking. Het is maar een vorm. Men zag niet meer dat het de spetterende tinteling is van HET dat zich openbaart. Men keek zich te pletter op het onvolmaakte, niet meer op AL. Zo werd de mens gezien naar deze vorm en niet  ‘naar zijn beeld en gelijkenis’. Zo werd de mens een schamel creatuur, weliswaar de heerser van de schepping. Maar het was een gammel en wankel koninkrijk. Bovendien kreeg hij de schuld van schuldig verzuim en slecht bestuur. Hij was al even stoffig (van stof en as) als heel het aardse bestaan. Eigenlijk was hij ontstaan uit de goddelijke oerlaag. Da’s andere koek.

Deze misvatting heeft in onze wereld een enorm impact gehad. Men ging dématerialiseren . Godsdiensten en esoterische groepen wilden zo snel als mogelijk af van materie en van het aardse tranendal. Men wilde naar de hemel, het nirvana, de verlichting… The great escape. Terwijl precies deze aarde de perfecte site was om onze taak in het geheel op te nemen: tot uitdrukking brengen van de openbaring van HET in zijn eindeloze schittering.
Men gaf het monopolie aan de pure rede, de objectieve wetenschappen. Er ontstonden twee kampen: de materialisten en de geestelingen. Jammer toch dat ze zich barricadeerden in hun eigen grote gelijk. Want eigenlijk missen ze een enorme kans om tot een unieke harmonie te groeien.

Men is te vroeg gaan dématerialiseren. Men sloeg de fase over waarin we het goddelijke HET tot openbaring konden brengen. We maakten ons huiswerk niet, maar wilden wel al meteen de lauwerkrans van grootste onderscheiding. Op de keper beschouwd: we waren lui, of beter gezegd nog te kortzichtig. We hadden geen zicht meer op het masterplan. We hadden geen weet meer van de opdracht: de diamant te slijpen in fantastische schittering, in ontelbare facetten.

 Terugkoppeling

Misschien liepen we wel verloren in de oneindige mogelijkheden, beroesd en bezat. Verblind wellicht door de schittering van die vele facetten. We gingen of gaan zo op in de materie dat we vergeten ons terug te koppelen naar de oorspronkelijke  ‘geest over de wateren’. Of we gingen zo op in de eenzijdigheid van het pure spirituele dat we ons niet terugkoppelden  naar  onze biotoop, de aarde. Dus doen we chaotisch maar wat in het wilde weg, maken onszelf tot middelpunt en lopen trots met een gezwollen kop.
We hebben slechte ervaringen overgehouden aan te vroege hemels en verlichtingen. Té overmoedig en vroegtijdig gaan inwonen in het Beloofde Land brak ons zuur op. De opgelegde druk was een fata morgana, een holle afspiegeling. Er ontstond een afkeer. Dus smeten we ons volop in de materie, omdat die tastbaar was. We wilden concrete waar voor ons geld.

Eigenlijk zijn we, zij het volkomen onbewust, teruggeslagen in het land waarin we de facto behoorden te zijn, hier op deze aarde, onze evidente biotoop. We doen  hier pakken ervaringen op. Stapelen die in onze magazijnen van geheugen en wetenschap. Enorme rijkdommen. Maar we kennen de weg niet meer om ze terug te koppelen naar de oorsprong. Elke vorm, zo ook elke mens, creëert in wezen nieuwe vormen, nieuwe energieën. Die worden opgeslagen in de kern. Elke ziel verrijkt zich dus, wordt méér ziel, meer zin. Het is een vermenigvuldigingsproces dat nooit stopt. En al die individuele verrijkingen verrijken tenslotte het geheel, het Al. Dàt te zien en te beleven is het terugkoppelingsproces naar HET, waarvan het allemaal is uitgegaan. Samen met het vermogen tot materialisatie  ( = het creëren van nieuwe vormen en nieuwe energieën) heeft de mens het vermogen tot dématerialmiseren d.i. het terugbrengen tot het oorspronkelijke masterplan, het  ZIEN van het geheel.

Tot vrijheid geroepen
Dit proces, dit werk, waarbij we als mensen de energieën laten geboren worden (méér doen open-baren)  is het gebeuren van vrijheid. Wat nog niet is, kunnen we doen zijn. Wat nog niet rijp is, kunnen we doen groeien. Wat nog zinloos is, kunnen we zinvol maken. Vrijheid is dus wroeten en werken, geen evidente verworvenheid op voorhand. Elke scheppingsdaad moet ontbolsteren en getoetst worden aan het masterplan. In die zin wordt alles, van de geringste gedachte tot de meest ingewikkelde machine, van mier tot mens, geroepen om ‘te voorschijn te komen’ uit het Niets, uit de wateren van de oorspronkelijke oerlaag. Dat is maieutiek, de kunst van de vroedvrouw, laten geboren worden.  Dat is geroepen tot vrijheid. Om te zijn wat het is. En vruchtbaar te zijn, honderdvoud, schepper te zijn van een constante stroom van vormen en deze af te stemmen op het oorspronkelijke Woord. Ze te potentiëren met energie.

‘Als we terugkomen uit de ballingschap en ons nieuwe land zien, dàt zal een droom zijn’.

up naar boven


Terug