MAANDBRIEF Juni 2011                                 Print

In juli zal er geen maandbrief zijn.

DANK- BAAR ZIJN

Om te beginnen

We zullen moeten samenwerken. Liefst bewust en echt gewild, van binnenuit. Zoniet zullen we in versneld tempo alles uit elkaar zien vallen, in een verwarrende hopeloze chaos. Tekenen van dit laatste zien we al volop. Het is geen fraai gebeuren. Meer dan ooit klampen oude conservatieven zich vast aan verschrompelde idealen en bekrompen individualisme. Ze schuwen nieuwe verantwoordelijkheden. Alle samenwerking blokkeren ze door een gemis aan openheid en respect. Ze trekken oude grenzen weer op, of het nu het eigen volk eerst is, eigen godsdienst, eigen nationalisme, eigen gelijk…

Die verdeeldheid trekt een wirwar van sporen. Groeven van malcontentement. Er worden momenteel boeken geschreven over geluk. Een teken dat we het kwijt zijn. Decennia lang hebben we het gezocht in bezit, in het hebben van alles wat ons materiëel zou kunnen bevredigen. Zelfs in een waaier van verstuivende luchtige relaties.Tot in alle exreme en duistere hoekjes toe. Gezocht in het horizontale, in het platte, vooral het individuele, maar helaas zo weinig gevonden. Samen-werken is de verbinding tussen vertikaal en horizontaal, tussen breed en diep.
Het is heel merkwaardig dat er nu een hype is van koken.  Blijkbaar staat voeding nu centraal: dagelijkse kost of gastronomie, veggie of sushi, westers of oosters… Prima. Maar mondjesmaat zorgen we voor inwendige voeding. We denken nog altijd dat materiële kost voldoende onze ziel voedt. Dat is nochtans niet zo. Ook op dat vlak is uitwendig en inwendig complementair. Zelfs hier is samen-werking absoluut noodzakelijk.
In de vorige maandbrief schreef ik dat de ervaring van ‘in het grondweefsel te zijn een zalig gevoel geeft. Hoe het ons optilt en ons individuele zijn transcendeert. Dit bewustzijn gaat samen met een stroom van dankbaarheid in alles en voor alles.
Daarover willen we het in deze maandbrief hebben.

Dank
Gewoontegetrouw kijken we eerst naar de  betekenis  van het woord dank. Het stamt uit denken, gedachte. Zoals in het gezegde: ik heb jou in gedachte. Het is dus geen abstract denken, zoals in logica. Geen hersenwerk. Het is een verbonden denken. Danken staat nooit apart: ik dank iemand, ik dank voor iets. We zeggen quasi nooit: ik dank. Wel, ik dank je voor… Danken staat dus niet los, niet op zich. Het is een relationeel gebeuren. Als er alleen maar een uiterlijke beleefdheidsdank wordt geformuleerd, dan is er geen eigenlijke dank, maar eigen-belang. Er is dus ook geen relationeel gebeuren, tenzij deze met het eigen ik.. Het klinkt dan vals, niet authentiek. Inhoudsloos.

Dank wordt uitgedrukt als er iets is gebeurd. Het erkent en bevestigt een daad. Het wijst op een ervaring die deugd heeft gedaan. Het gewone denken mist dit. Er hoeft niets te gebeuren, er hoeft geen relatie te zijn. Het gebeurt onafhankelijk in mij. Niemand dankt mij om mijn denken. Pas als ik mijn denken uitdruk en dit iemand raakt, is er dank mogelijk. Dan komt het denken uiteraard in relatie.
Bij vals danken denken we niet aan oprechte dank. Het is een formule. Alles wordt overwoekerd door vele andere bijgedachten, motieven. Men heeft iets achter de hand. Men spreekt dubbel. Indianen noemen het ’met een gespleten tong’. Met een verdeeld hart dus.
Echte dank heeft behoefte om zich zichtbaar en voelbaar uit te drukken: in woorden, een blik, een glimlach, een geschenk, een bevestigend gebaar, een brief, een zoen…Denken kan perfect bestaan  zonder zich uit te drukken. Ik denk. Dikwijls remt het denken het spontane uitdrukken van dank af. Men denkt dan: ‘Wat gaat die wel niet denken van mij als ik dank’. Denken vindt veel argumenten om niet te danken bv. ‘dat had je echt niet moeten doen’. Denken ondermijnt het danken. Denken bedenkt allerlei excuses en sluipwegen.

In het weefsel
In de vorige maandbrief schreven we over een oerweefsel. Het is de diepste werkelijkheid van ons bestaan. We zijn allen in dit totaalweb verbonden. Dit besef is de grond van ons samen-werken. Danken ontstaat uit dit oerweefsel en keert er telkens weer naar terug. Danken schept gemeenschap. Beter uitgedrukt nog: het brengt( ons terug binnen het bewustzijn van dit verbonden oerweefsel. Poëtisch uitgedrukt: danken zijn de bloesems op dit weefsel. Het is de Levensboom die gaat bloeien.

Gemeenschap kan men maar vormen als men innerlijk weet heeft van wat ik met de/het andere gemeen heb. Ik vereenzelvig me dan met die diepste gemeenschappelijke grond. Ik herken het als mijn thuisland. Wat niet in de gemeenschap wordt ervaren is vreemd en verdeelt. Het eigenaardige is dat wij als moderne mensen meer prat gaan op het apart-zijn, anders zijn, op ons individualisme, dan op wat we gemeen hebben, onze verbondenheid. Het is in feite de epidemische ziekte van onze tijd. De politiek staat er bol van en vindt uiteraard geen uitwegen. De godsdiensten beconcurreren elkaar met het mes tussen de tanden op dit soort monopoliedenken. Amerikanen voelen zich unieker dan de Chinezen en de Russen. Sommige Vlamingen vinden geen gemeenschappelijke grond meer met de Walen en viceversa. Het is een vilein trekje van de mens om altijd op zoek te gaan naar hoe hij zich kan onderscheiden van de ander. Meer wil zijn. We willen koppig niet zien wat we met elkaar gemeen hebben en dat dit fundamenteler is.
Toch zoeken we tegelijkertijd naar een groep, een gemeenschap, waarin we ons kunnen vinden. Golfers zoeken andere golfers. We richten een postzegelverzamelaarsbond op, wereldwijd. Gelovigen schurken zich veilig tegen andere gelovigen. Of leuk orchideeën kweken. Maar opmerkelijk sluipt ook daar de drang binnen om zich te onderscheiden. Wat is chiquer? Golfen of paardenpolo? Welke god is de ware en enige, die van de Islam of van het Christendom? En ga zo maar door…Heel opvallend dat het dan niet meer gaat om de inhoud, maar dat men struikelt over de vorm(en). Men stikt in de vormen en die gaan elkaar beconcurreren.

Gemeenschap echter plaatst respect als fundamentele grond en is gelukkig en dankt omdat de ander in zijn sport, zijn godsdienst, zijn thuisland…een stuk eigenheid kan vinden. Die eigenheid staat niet vreemd of afkerig tegenover de eigenheid van de ander. Ze is een tak van dezelfde boom.

Mogelijkheden
Woorden met als achtervoegsel –baar, geven een mogelijkheid aan bv. eet-baar, raak-baar, bereik-baar. Ze duiden dus op kansen, niet op verplichting of dwang. Je móet dat niet eten, je móet dat niet raken, je kàn dat bereiken. Het is een open weg.
Dankbaar-zijn is ook zo. Het schept een mogelijkheid, het wijst op een moment waaruit dankbaar-zijn kan opborrelen. De bloesemknop is er, maar die gaat pas open als er warmte, zorg en aandacht zijn. We laten dus veel knoppen niet bloesemen omdat we de kansen onaandachtig laten voorbijgaan. Dankbaar-zijn is aandacht voor de kansen. Het is een houding van permanente openheid en respect. Het is in feite een synoniem van liefde. Die twee gaan hand in hand.

Dankbaar-zijn is een vorm van ontspannen alertheid. Het is een surplus bij elk gebeuren. Iets dat er door aandacht bij komt. In het begin is het oefenen.  Gaandeweg wordt het een vanzelfsprekende stroom. Ze zijn dan geen aparte dankmomentjes meer, maar ze zijn als het borrelen van een bron die nooit opdroogt.

Het meest merkwaardige van dankbaar-zijn is – en sceptici zullen hun neus krullen – dat men om alles dankbaar kan zijn.  Ook om negatieve ervaringen, ook om pijn en ziekte en… Omdat dankbaar-zijn een vanzelfsprekende alertheid veronderstelt, is men alert voor de betekenis achter elk gebeuren. De dingen gebeuren niet zomaar. Ze hebben hun context. Ze gebeuren in mij en met mij. Ik gebeur.
Dat is dus een fantastische en bovendien gratische leerschool. Men is dan ook niet dankbaar om de pijn, de ziekte of het negatieve, maar de lering die die pijn en ziekte meebrengen. Alles is gegevenheid, ik krijg alles. In het Engels heet dit gratische mercy. Helaas vertaalt men het dikwijls als medelijden, zoals gratie ook gebruikt wordt (gratie verlenen). Een beladen woord bij ons is genade. Gratis komt van het Latijnse woord gratia. Het betekent genade, dank, maar ook sierlijkheid, vanzelfsprekende harmonische beweging.  Mercy komt van het Latijnse merere = verdienen, wat iemand overkomt, tegemoet komt op zijn levensweg. In het Frans zegt men : hij heeft zijn mérites. En als wij bedanken zeggen we ook wel ‘merci’.
Kortom, het kan een gewoon bedankje zijn, maar dieper kan het ook de dankbaarheid inhouden wat je in de levensschool kan ervaren. Het is een hele kunst van de danser om het struikelen toch gratieus te doen. Het struikelen is niet het gemiste doel. De totale bezieling van de dans is dat wel. Dankbaar-zijn ziet het geheel van het gebeuren, omdat ze gedragen wordt door de gedrevenheid van het leven.

Gelukkig
Basis voor gelukkig-zijn is dankbaar-zijn. Zure mensen zijn kniezers. Ze mokken voortdurend. Hun onderstroom is verzet tegen het leven, tegen de  kleine leventjes binnen het grote leven, de gebeurtenisjes. Ze hebben nood om het leven te mijden en gaan dus op zoek of ze verzinnen allerlei, wat hen van het dagelijkse leven afleidt. Afleidingsmaneuvers, daar zijn we goed in. We gaan niet graag naar school, we worden niet graag met onze neus op de werkelijkheid geduwd. We spartelen tegen. Geluk is echter het meestromen met ‘ik gebeur’. Ik verdwijn dan in het gebeuren. Het opgeven van de weerstand is voorwaarde voor geluk. Dankbaar-zijn omdat ik mag gebeuren. Zoiets als ‘als je niet wordt als kinderen… zal je de ruimte van het geluk niet binnengaan.

Ik ben altijd geïmpressioneerd geweest door mensen die dankbaar-zijn uitstralen. Geen gekneuter, geen eisende gedrevenheid, geen haastigheid. Leven in het nu, dit moment. De alertheid van het hier. Nog niet opgeslokt door wat nog volgen kan. Ze nemen de tijd om het nu en hier te smaken. Ze haasten zich niet naar het volgende. Dankbare mensen incarneren aanwezigheid, wat er ook gebeuren mag. Ze zijn er. Ze zijn altijd thuis en voor anderen zijn ze een thuis. Ik ben hen dankbaar.

Prettige vakantie !

up naar boven


Terug