MAANDBRIEF September 2011                                 Print

MOED MOET

Starter

Vorige maand maakten we een analyse over de trend dat 'alles moet kunnen'. Langs de ene kant wil men ervaren en genieten van de onbeperkte mogelijkheden. Anderzijds is men blind voor de beperkingen die aan ons begrensde bestaan eigen zijn. Terwijl wereldwijd verzet groeit tegen de oude systemen, zwelt de angst aan dat een verkeerd gehanteerde vrijheid ons duur te staan zal komen. Toch doet men maar verder. De graaicultuur, ontstaan door een verrotte democratie of stinkende dictaturen, schijnt maar niet te willen stoppen. Het is hoogst nodig om een nieuwe ethiek te ontwerpen die een nieuw evenwicht vindt tussen vrijheid en beperking, tussen bezit en delen, tussen individu en gemeenschap. Geld en macht mogen niet langer de enige parameters zijn. Schaamteloosheid is een schimmel, een parasiet die moet uitgeroeid worden. Bescheidenheid en terughoudendheid moeten de mens weer eigen worden, waardoor hij zijn plaats binnen het grote geheel opnieuw en anders gaat beseffen. Ruime plaats voor transcendentie en een spiritualiteit van eenheid en waardigheid. We hielden een pleidooi voor het herijken van de waarden, verloren en vooral nieuw te ontdekken waarden. Niet de nucleaire bedreiging staat vooraan, maar de uitholling door ontwaarding van het goddelijke, de natuur en de mens. Dat zou onze wereld fataal worden. Pas dan slaat de wereld op hol.
Moed moet

Wie nog nuchter kan waarnemen, met een vrije kijk op het reilen en zeilen van onze wereld – en ik bedoel de politiek, het bankwezen, het rechtssysteem, de godsdiensten, de economie, de sociale structuren, de verzekeringsmaatschappijen…- voelt in zich de sluipende ontmoediging opkomen.

Men kan deze realiteit swingend en feestend overstemmen. Overgieten met festivals, evenementen, vuurwerk, citytrips, drugs, alcohol – waar is dat feestje, ons dagelijks brood? – en ze gaan aan jou voorbij alsof het er niet is. Tot nu toe lukken de meeste mensen hierin, meegedreven met de massa. Ziende blind. Het is alsof alles zijn gewone gangetje gaat. Het loopt wel. De diepere desinteresse is enorm. Een dodelijke kanker die men niet bewust is of wil zijn. Laten we vrolijk wezen! Er woedt een fatale onverschilligheid, een gevoel van onmacht: wat kan ik er aan veranderen? wat kan ik als klein individuutje eraan verhelpen? We zijn er in geslaagd het individu los te koppelen van de gemeenschap. Bovendien alles los te koppelen van wat alles overstijgt. Er is geen ruime dimensionaliteit meer, vooral geen perspectief. Einde van een inzicht van ziel en zin en het oneindige.

We hebben onze handen vol met nu, met het onmiddellijke, met ons vrolijk overleven, blijven bestaan, blijven blijven. Met werk, geld, partner, huis, kinderen, weekends, carrière, vastgoed, beleggingen, vrienden, vreemden, stress… Met overvolle handen waar niets meer bij kan. Het is vechten, tegen de bierkaai, en als we het vechten moe zijn, dan vechten we tegen het vechten door de rush in ontspanning. De inspannende spanning om te ontspannen. En dan weer terug naar onze handen vol. We worden er gek van en ziek…de banken, de economie…je weet wel. Maar we doen door als muizen of ratten in een nutteloze looptrommel.

We krijgen het niet meer op een rijtje. We slagen er niet meer in de juiste prioriteiten te stellen. We hollen teugelloos de apathische ontmoediging in.
Tegen deze radeloosheid in, tegen deze sluipende ontmoediging in kunnen we kiezen voor moed moet. Dat is tegendraads, rebels. De vastgeroesten zullen het meteen labelen als naïef en dwaas. Dat is precies wat we nu zien in de landen waar men op pleinen verzet pleegt, ongewapend, in vrede. Dat is precies wat machthebbers meedogenloos neerslaan, met geweld. Zo was Christus, zo was Gandhi, zo was Martin Luther King, zo was Mandela…Onverzettelijk naïef. De dwazen. Tegendraads, rebels. Anders. Ze herijkten de waarden, brachten nieuwe waarden in een nieuw perspectief.

Moet. In een wereld waarin onbeperkte vrijheid is (voor hen die de macht hebben) moet niets. Hun vrijheid definiëren ze als 'alles mag'. De anderen moeten, de minderwaardigen. Of het nu een ras is, een kleur of wat dan ook… Sommigen doen dat in het groot, dictatuursgewijs. Maar deze machtsmicrobe is uiterst besmettelijk. Onbeperkt 'niet moeten' wordt de trend. Zo stak ze grote groepen aan, die ook een brokje van die luxueuze vrijheid willen. Ook zij gingen ontgrenzen, door het lint. Schaamteloosheid is nu de moet-norm. Graaien is de kunst. Pakken wat je pakken kan. Alle verhoudingen worden scheef getrokken.

Het soort 'moeten' waarover ik het wil hebben heeft een heel andere inhoud. Het heeft niets te maken met het 'goesting-moeten', wat een oppervlakkig ordinair gebruik maakt van een uitwendige vrijheid. Dit is vreemd aan een ethisch beleefde vrijheid. Die komt van dieper. Dit soort moeten is geen goestingdoenerij of een trendy nalopen van een nieuwe rage. Het heeft niets te maken met het eigen ego. Integendeel, het springt op uit een innerlijke oproep. Heel dikwijls is het irrationeel, eerder een gedrevenheid van binnenuit.

Als iemand dreigt te verdrinken en ik als toevallige voorbijganger dit zie gebeuren , dan spring of duik ik – zelfs als ik niet kan zwemmen – om te redden. Ik denk dan niet, ik doe. Ik ga dan niet na of het een vriend is, een buur, een allochtoon, een Vlaming of een Waal. Ik sta daar niet te overwegen. Ik doe – zelfs al riskeer ik mijn leven. Moet ik dat? nee toch. En toch ja. Van binnenuit. Doe ik iets illegaals als ik het niet doe? nee toch. Maar ethisch word ik gepakt door een gebeuren van binnenuit. Spring! Een evenmens redden, uit verbondenheid, uit een onverwoordbare kracht.
Dit soort moeten doet dingen uit een andere bron. Het luistert naar de tekenen die gegeven worden op dat ogenblik. Het is antwoorden op een dringende vraag. Het maakt geen onderscheid. Op dat ogenblik werkt alleen eenheid. Niet eigen volk eerst, niet eigen hachje eerst, niet eigen cultuur eerst…Er ontstaat een verrassend nieuwe waardenschaal. Het prioriteitenlijstje wordt onderstebinnen en bovenstebuiten gekeerd. Eigenaardig genoeg gebruiken we hetzelfde woord 'moeten' voor twee totaal verschillende betekenissen. Hetzelfde woord voor de buitenkant en de binnenkant. Het ene is het volgen van een trendy privilege , het andere voor een onbaatzuchtige vernieuwende kracht. Het ene is een prestatie, het andere een inspiratie. Het is een oproepende begenadigde ingeving. Het eerste pak je, het andere pakt jou, wordt je gegeven.

Ik heb de indruk dat we dit innerlijk gedreven moeten kwijt zijn. Bij het aftakelen van ethiek, en vooral het gemis aan durf voor een nieuwe ethiek, is dat innerlijke vuur uitgeblust. Met het (terecht) overboord kieperen van versleten en uitgeholde moraal, heeft men overmoedig ook ethisch besef overbodig verklaard. Nochtans zijn ethiek en moraal niet hetzelfde.
Veel leiders van volkeren, godsdiensten…leiden nog vanuit een moraal van schuldinductie, onderwerping en uiterlijke verplichting. De nieuwe ethiek zal moeten opborrelen vanuit verantwoordelijkheid en een verfijnd bewustzijn. Eigenlijk vanuit een nieuwe mens.

Moed. Met hoop alleen zullen we er niet geraken. Hoop is teveel een toekomstig project. Het heeft de neiging om uit te stellen. Zelfs het motto 'yes, we can' zal onvoldoende zijn. Natuurlijk kunnen we. Wat we absoluut en dringend nodig hebben is moed. Moed om te doen vanuit een innerlijke ingeving. We missen geïnspireerde mensen. Dat betekent overgave. We stikken in beredenering, in treuzelend overleg, in bureaucratie en theorieën. Wat een grootse vooruitgang was voor de mensheid – intellect en wetenschap – riskeert nu haar duurste handicap te worden. Het tekort aan daadkracht is een peperdure pathologie. Het is een ziekelijk fenomeen dat we niet meer vanuit ons hart durven te leven. Vandaar zoveel hartziekten. In alle culturen is het hart het centrum van moed. Zeggen we niet hartstocht, een wind, een geest, een tochtige gedrevenheid? En is mijn gemoed niet de plaats waar ik weet dat ik het juiste doe en waar er vrede en evenwicht is?
Jammer toch dat we daarvoor het woord geweten hebben ingeruild. Dat legt meer de nadruk op weten en kennis. Ons centrum is helaas verschoven van het hart naar de hersenen. Het woord geweten is in het latijn conscientia. Scientia betekent wetenschap, kennis. Het toont dus perfect de verschuiving. We hadden ook kunnen kiezen voor concordia. Cor betekent hart Concordia betekent één van hart zijn, eendrachtig. In conscientia zit het woord scire. Het betekent weten, maar het is ook verwant met scheiden (cfr. het franse: une scie). Het wezenlijke van kennis is dat het scheidt, onderscheidt. Het wezenlijke van het hart is dat het ver-eent, eendrachtig maakt.

Waar we dringend nood aan hebben is de moed om eendrachtig te zijn. Alleen eenheid werkt. Wat scheidt treuzelt, verdeelt, maakt zwak. Paradoxaal maakt het denken ons zwak, terwijl we er altijd van overtuigd zijn geweest dat het intellect onze grootste sterkte was. Eenzijdige investering is een labiele positie. Intellect zou dat moeten weten. Naar mijn oordeel en gevoel hebben we te lang in ons denken gezeten. Er is niks mis met denken, maar als het het hart uitschakelt is het zeer destructief.
Het is nu de tijd om te corrigeren. Terug meer het hart, minder de rede. Een constructief evenwicht.

Moed doorbreekt het huidige schijnbare evenwicht. Het kiest resoluut voor verandering en vernieuwing. Soms zelfs voor onredelijkheid, tenminste tegen de dwingende gangbare redelijkheid in. Tegen de stroom in. Tegen beter weten in. Moed moet. Soms hebben de omstandigheden een dwingende impuls. Het wordt dan handelen vanuit een ondefiniëerbare impulsiviteit.. Men kan niet anders. Het is een ziele-explosie. Ofwel kiezen we in deze tijd voor een doffe gelatenheid, een langzaam verterende ontmoediging, ofwel brengen we de moed op voor een ommekeer, een resolute hartrevolutie. Het moet.

up naar boven


Terug