MAANDBRIEF Augustus 2012                                 Print

ONEINDIGHEID

vóór
opzij
achter
onder
boven
geen muur of grens
noch ik noch gij
zonder horizon
woordenloos
gedachtenvrij
gisteren
morgen
nu
één stroom
was
is
zal zijn
één golvende lijn
verloren loop ik in een eindigheid
van punt naar punt
waarin oneindigheid zich bergt.
Zoek ik haar
of vindt zij mij?

In de ruimte en als ik luister, in plaats van te doen luisteren, stoot ik altijd op eindigheid. Alle mensen, dingen, dieren, gedachten en emoties komen en gaan. In de Griekse filosofie heet dat: panta rei kai oeden menei. Alles stroomt en niets blijft. Een oneindige stroom van eindigheid.
Dat is toch verbazend, want meteen rijst de vraag: wat en waar ligt de bron van die eindeloze vruchtbaarheid? En een ander dilemma dringt zich ook op: zit ik erin gevangen of is het juist mijn vrijheid? Bovendien: is er iets anders dan eindigheid?

Alles in duplo
Het Zijn, alles wat bestaat, lijkt er te zijn in duplo. Een beetje poëtisch drukte ik het ooit zo uit:
…zeg ik hier dan is het ook daar
zeg ik vader dan mis ik de moeder
zeg ik de naaf dan mis ik het wiel
zeg ik vriend waar is dan de vreemde
vertoef ik in een oase
dan omringt mij de woestijn
uit de leegte ontstaat de volheid
zeg ik man dan zoek ik de vrouw
neergang van de zon is opgang van de maan
zeg ik schepper dan sta ik in de leegte
zeg ik Jezus dan verschijnt ook de Boeddha
zie ik mezelf dan ontmoet ik de ander…
( marcel ploem, de dag dichten)

Telkens twee kanten, spiegelbeelden. Wie zich vastpint op het ene, ziet niet eens de helft. Wie de beide verenigt mist de magische aantrekkelijkheid van de gescheidenheid. Een geniale scheppingsplagerij, een nooit ophoudende uitdaging.

Woorden
In het woord eindigheid zit overduidelijk einde. Ik heb het gevoel dat het achtervoegsel –igheid een soort slepende twijfel verraadt. Het is niet het echte einde, maar een soort einde. Het laat ruimte voor een mogelijkheid dat er nog iets schuilgaat achter en verder dan dit beperkte einde.
Anderzijds zetten we het voorvoegsel on- vóór eindigheid om oneindigheid te verwoorden. M.a.w. oneindigheid verwijst uiteraard naar eindigheid. Kortom, zelfs in ons woordgebruik zitten ze in elkaar verstrikt (of verbonden).

Oneindigheid brengt ons in de verleiding om niet met eindige dingen bezig te zijn. Nogal wat godsdiensten en spirituele scholen lopen in die val. Ze devalueren alle materie en ontlopen de verantwoordelijkheid van hun hier en nu bestemming. Viceversa is ook waar. Opgaan in eindigheid en daar het volle accent op leggen is geborneerdheid. Ze sluit uit. Eigenlijk geven ze elkaar een vals alibi, terwijl de opdracht (de kunst) er in bestaat de beide te ervaren, te exploreren en te beleven. Er is een inherent respect voor elkaar.

In onze Westerse cultuur bestaat er een drang om alles te vermenigvuldigen. De bedrieglijke valstrik van een tomeloze productie. Er is een nieuwe Moloch, een graniete reus, die we tot oppergod hebben verklaard: de economie. Ze is de almachtige, alomtegenwoordige, de nieuwe schepper, de heilsdraagster. Anderzijds is er de misvatting: God is oneindig en de mens is eindig. Men duwt ze uit elkaar, elk in zijn eigen domein. Vervreemdend,opposiet. Het belet de godsdiensten om God in de tijd te laten evolueren. God is niet meer dezelfde vroeger en nu. Men heeft hem vastgepind. Het belet de mens om met zijn eindigheid in het oneindige te vervloeien. Men heeft hem vastgepind.

Alles in beweging
In ons leven pendelen we voortdurend van eindigheid naar oneindigheid, van verlangen naar vervulling. Alles ontstaat, vervloeit en wordt weer geboren. Er is een niet-aflatende stroom van vormen. Die blijven soms als ééndagsvliegjes, anderen trekken het wat langer. Wonder toch hoe gans de denkbare geschiedenis een caleidoscopische productie aan vormen creëert. Onvermoeibaar en onvermoedbaar gaat dit maar door.
We kunnen ons de vraag stellen: wat verdwijnt er en hoe? Zijn het de vormen of is het de onderliggende en diepwortelende creativiteit? Blijkbaar blijft er toch iets. Iets onbenoembaars.  Iets aan de oorsprong dat zich manifesteert in golven van vormen.

Ik heb het moeilijk met de bollebozen die beweren dat er na de dood niets meer is. Geen zelfde vorm, ja (misschien); geen zelfde ‘persona’, ja (misschien); geen zelfde gedachten of beeld, ja (misschien)… Maar niet-benoembare creativiteit, die omvattende Oneindigheid, hoe beweer je die weg? Ik leg me neer bij het verdwijnen van elke vorm, maar niet bij het zwarte gat alsof er geen nieuwe golf uit die oeroorspronkelijke cretiviteitskracht zou komen. Ik als ik zal verdwijnen, onmiskenbaar. Nou, dat is maar mijn ik. Maar dit ik kan nu, nuchter en helder, de golven zien van nieuwe schepping. En zover ik kan kijken, achterwaarts, zie ik die stromen. Ook voorwaarts. Geen naïeve losse hoop, maar gefundeerd op een tijdenloze ervaring.

Ik ben verzot op oneindigheid en op haar mogelijkheden. Dat is trouwens mijn basis voor liefde. Liefde voor mijn vrouw, kinderen en kleinkinderen, mijn vrienden, mijn tuin,mijn luie vrije tijd, voor deze maandbrief, voor het onzelieveheersbeestje, de mussen opmijn dak, de morgendauw, de avondzon. Elk van hen vergaan, maar elk openbaart de eindige oneindigheid en de oneindige eindigheid. Om het even wie of wat kan je maar liefhebben als je in hen een openbaring ziet van de stroom van mogelijkheden die de Oneindigheid schept. Je raakt daar de essentie. De vormen zijn de existentie. Binnenkant en buitenkant. Ziel en persona. Een caleidoscoop is maar interessant als je door het draaien een ander fascinerend beeld maakt. Misschien is die Oneindigheid wel zo’n eindeloze toverdoos.

Verlangen
Verlangen komt van  ‘langer maken’, verlengen. Als men iets of iemand een langere tijd niet heeft gezien. Synoniem is begeren. Geren, graag, gaarne. Ik zie je geren. Waarom zien we iemand of iets ‘geren’? waarom verlangen we? Als alles zonder meer vergaat, verdwijnt, zoals de bollebozen beweren, is het dan nog wel de moeite waard om ‘graag te zien  of te verlangen’? Is het wel de moeite om iets of iemand hevig te koesteren als het in een zuchtje van een leven voorbij is? Ontmoedigend en frustrerend. Toch?
Verlangen overstijgt het ‘zuchtje’. Verlangen is een lang-termijn denken. Het ziet verder. Het kijkt uit naar. Niet zomaar naïef en onwetend. Het kent de nieuwe vorm of de inhoud van die belofte nog niet vast en omschreven, maar het zoekt… op basis van creativiteit, gissen en missen. Soms zit die intuïtie mis, soms er bovenop. Verlangen is intuïtie in de betekenis van innerlijk schouwen. Het is een zoekend onthullen van wat er meer is dan de uitwendige vorm. Geraakt zijn door oneindigheid. Doorheen de existentie iets smaken van de essentie. Aftasten van een vermoeden.

Men ontwerpt de puzzelstukjes van een nog ongekend puzzelbeeld op basis van durven leven, durven ervaren, durven verlangen en begeren. Ik vermoed dat zeggen dat er daarna niets meer is een gelaten geaccepteerde angst is. Het niet kunnen loslaten van het ego, de persona. Het niet kunnen verdragen dat het ik moet verhuizen, dat de creativiteit van de oneindige stroom je anders modelleert. Liever niets dan een onherkenbare vorm. Laat het dan maar stof en as zijn, dust in the wind. Ik hoef dan niet meer te verlangen. Liever verpieteren in een projectloos leven, dan te puzzelen en te leven over de grenzen heen. Geen pasklare beschikbare beelden, dat is lastig en risicovol. Zelf ontwerpend, zelf creatief, opgewonden verlangen. Bereid zijn om te worden wat je niet was en te worden wat nieuw mogelijk is.

up naar boven

Terug