MAANDBRIEF Januari 2012                                 Print

DE KLANK VAN ONEINDIGHEID

Een nieuwe start
Vooreerst willen we langs deze weg alle maandbrief-lezers een rijk en gezegend nieuw jaar wensen met deze begeleidende tekst:

Het is onzin
zegt het verstand
Het is wat het is, zegt de liefde
het is pech
zegt de berekening
het is alleen maar ellende
zegt de angst
het is uitzichtloos
zegt het inzicht

Het is wat het is, zegt de liefde

het is belachelijk
zegt de trots
het is lichtzinnig
zegt de voorzichtigheid
het is onmogelijk
zegt de ervaring

Het is wat het is, zegt de liefde.

Uit het Duits vertaald tekst van Erich Fried


Wat wij U wensen: dat 2012 mag zijn wat het is, zegt onze liefde.

A never ending question
Ik lig op mijn rug in het gras
En aanschouw de maan
Ik vraag haar of zij misschien weet
Waarom wij bestaan
Waarom we worden geboren
En straks weer gaan
Maar ze zwijgt
En kijkt me lachend aan

Laat me zien waar ik voor leef
Laat me voelen wat ik geef
Een moment zodat ik weet
Dat alles niet voor niets is
Dat alles niet voor niets is
Geweest

Je kunt je eigen regels maken en bepalen
Daarin ben je vrij
het spel begint en dat het eindigt is gegeven
Maar daar blijft het bij
Er is geen schuld maar elke stap heeft consequenties
Voor iedereen
En toch speel je dit spel
Alleen

Oh ik kan maar niet bevatten
Waar en waarom ik hier ben
Zoekend naar een antwoord
Op een vraag die niemand kent
Oh ik wil dit spel best spelen
Maar hoe moet dat
Als ik niet weet wat het doel is
Moet ik dan blind geloven
Dat het z'n reden heeft
Dat geen mens mij kan vertellen
Waarom ik dit leven leef
En dat alles hier dus neerkomt
Op vertrouwen
En dat het net dat gevoel is
Dat ik mis

Auteur onbekend

Simpele ervaringen
Iedereen botst in zijn leven op een rij simpele alledaagse ervaringen. Soms klitten er een aantal samen en vormen een rode draad. Ze leiden ons naar onontkoombare vragen. Zo'n forse kabel is: ' waarom wij bestaan, waarom we worden geboren en straks weer gaan'. Die vraag brengt me naar een angel die me voortdurend steekt. Het is een soort tweespalt, een dubbelheid. Het zit zo. Gans mijn leven stoot ik op grenzen, op beperktheid, eindigheid. En gans mijn leven is er een innerlijk stuwen, een gedrevenheid naar oneindigheid. Het eerste kan ik benoemen met ontelbare namen. Het andere ontsnapt aan mijn woorden en weten. Het is ongekende kennis. Ik voel dat die eindigheid verzinkt in die oneindigheid.

Voor het overgrote deel van mijn dag ben in bezig met eindige dingen. Ze rijgen zich aan elkaar als 'mijn bezigheid'. Eigenlijk zijn wij mensen altijd bezig, doende en denkende. We hebben veel nodig om te leven en te overleven. Maar – en nu spreek ik voor mezelf – er is eigenlijk niets in die eindeloze rij van daden en denken dat mij ten gronde bevredigt. Het gaat voorbij als wolken die voorbijdrijven en oplossen. Telkens opnieuw is er de klankloze klank van de oneindigheid. De toon echter van die oneindigheid komt niet zuiver door. Er zit ruis op. Er is het heimwee naar dat wat dieper, verder, voller, omvattender, zaliger, vervullender is. Die klank van oneindigheid wordt gedempt, gedimd, vertroebeld door mijn gevangen leven in de eindigheid. Ik voel me niet vrij, langs alle kanten gebonden.

Tegelijkertijd, terwijl ik dit schrijf, weet ik zeker dat deze redenering niet klopt. Het is mijn illusie dat eindigheid en oneindigheid elkaar uitsluiten, alsof ze vijanden zijn. Er moet dus een plaats zijn, een punt, een veld waarin ik beide in eenheid kan beleven.
Zou het kunnen dat er eigenlijk geen tegenspraak bestaat, maar dat ik het ben die grenzen en muren opwerp? Misschien is precies dit ik wel het obstakel. Of misschien is dit ik zelf de sleutel tot die oneindigheid, ben ik oneindigheid.

Van kleinsaf tot nu
Ik ga grasduinen in mijn leven en anecdotes vertellen hoe ik van kleinsaf telkens botste op schijnbare eindigheid. Dus hoe oneindigheid zich telkens heeft laten voelen. Oneindigheid dus als mijn ondergrond, mijn basis. Hoe ze ondergesneeuwd blijkt te zijn, maar als winterbloemen weer ontluikt. Was of is er een werkelijke werkelijkheid vóór mijn geboorte, die ik mij niet of nauwelijks herinner? Een werkelijke werkelijkheid die bovendien nog doorloopt na mijn dood?
Ik denk dat het de moeite zou lonen als jij in jouw leven ook op zoek gaat naar dergelijke oneindigheidservaringen.

° Toen ik nog een klein jochie was zei m'n vader bij verrassing: 'Morgen gaan we naar de grens. We gaan naar de Hollanders'. We woonden in Noord-Limburg en die Hollanders, die waren dus niet veraf. Maar niettemin popelde ik van nieuwsgierigheid. De grens! Ik stelde me daar een grote kloof bij voor: wij aan deze kant, en heel ver ginds, aan de andere kant, de allochtonen. 's Anderendaags kwamen we aan een rood-wit geverfde slagboom. 'Da's de grens', zei hij. Mijn ontgoocheling was enorm: een grens die eigenlijk gewoon een paal was. Alles liep gewoon door: het landschap, de horizon, de mensen. Mijn gevoel van verbondenheid liet zich blijkbaar niet opsplitsen.

° Strijken is een meditatieve bezigheid. Die namiddag streek mijn moeder. Als benjamin hield ik haar gezelschap. Maar meditatie kan heel eentonig zijn en ik verveelde mij. Op tafel stond een pakje cichorei. Op dat pakje stond een mevrouw in oude folkloristische outfit. Zij had een identiek pakje cichorei in haar hand, waarop zij weer stond afgebeeld met een identiek pakje cichorei, waarop zij weer… enz. enz. Ik werd er helemaal in opgezogen, eindeloos. Ik vroeg: 'Ma, stopt dat nooit?' 'Wat?' vroeg ze. 'Die madame?' 'Nee, Marcelleke', dat stopt nooit'. En ze mediteerde verder.

° Gaandeweg werd ik ouder en werd overschaduwd door de exacte wetenschappen. Ik herinner me nog levendig het saaiste van het saaiste. We moesten aan de hand van een wiskundige formule punten uitrekenen en die dan uitzetten op een x- en een y-as. Als je die punten dan verbond bekwam je een lijn die men een asymptote noemt. Geleerd woord is dat, grieks eigenlijk. Kortom een lijn die nooit of te nimmer kan samenvallen met de assen, jamais.
Ik gaf me niet gewonnen en durfde aan de wiskundeleraar vragen: 'Meneer, ook niet in de verste verte?' 'Nee, meneer Ploem, zei hij kortaf, nooit'. Ik dacht stiekem: 'Toch kort, vlakbij, bijna nabij.' Maar het wetenschappelijk verdict was categoriek.

° Als jongeman had ik een levensdroom, een ideaal. Zo hoorde dat toen. Ik zou me inzetten voor een betere wereld. Maar een ideaal is als een horizon die altijd opschuift. Je denkt dat dat met zweten en zwoegen wel ergens ooit te verwezenlijken zal zijn, dat je ooit de grens – het voorgenomen resultaat – bereiken zal. Dat er een einde komt aan dat eindige. Maar dat is niet zo. Er is geen einde. Plus est en vous!

° Reizen is voor mij ook zo'n 'oneindigheids-ziekte'. Iedereen is dol enthoesiast over Barcelona, Parijs, Berlijn…dus allen daarheen. Ik ook. En toch…en toch, telkens na zo'n citytrip heb ik het gevoel van onvoldaanheid, beperktheid. Ik kan in bewondering staan voor de Sagra Familia, van de uitzonderlijke kleuren en vormen van Gaudi, maar toch…

° Zelfs in heerlijke diepe relaties, vriendschappen, partnerschap – hoe vol ook – komt die oneindigheidservaring om de hoek kijken. Ze knaagt en knabbelt en steekt tot fysieke pijn aan toe.

Ooit schreef Augustinus: 'Onrustig is ons hart, totdat het rust in U'. Hij omschrijft exact het gevoel, maar hij duidt slechts vaag aan waarin het rust en volheid zal vinden. Wat is precies dit 'U'?
In het Oosten zal men zeggen: Het Tao dat benoemd kan worden, is het Tao niet. Moeten we dan zwijgen?

Een asymptotische puzzel
We kennen allemaal wel het puzzelspel. Bij voorkeur te spelen op druilerige dagen. Als kind begin je met eentje van tien inlegstukken. Gaandeweg worden de dozen groter, in verhouding met een soort verslavingsbehoefte, alsmaar meer stukjes, alsmaar meer lucht, zee, bootmasten, bossen, muren, rotsen en torens… Eigenlijk is het aantal stukjes oneindig…asymptotisch dus. Een puzzel die geen grenzen heeft. Stel je voor! Laten we het nog wat ingewikkelder en boeiender maken: op die oneindige doos met oneindig veel stukjes staat geen tekening. Je werkt dus blind. Maar je weet dat er een tekening of plan of beeld aan de grondslag ligt. Super boeiend! Je weet ook: het is nooit af. De afbeelding groeit gestadig. Goddelijk! Zoals je ongemerkt uren kan opgaan in het leggen van een 10.000 stuks puzzel – er bestaat dan geen tijd – zo ook met de oneindigheidspuzzel: er bestaat geen tijd. Het is levenslang, meer nog: het overstijgt levens, vòòr en nu en na. Het is een eeuwig spel.

Telkens je een groepje stukjes hebt gelegd licht er een deel van de werkelijke tekening op. Iets van het oneindige beeld wordt duidelijk. Maar daaraan voorafgaand heb je met groot geduld gezocht, geschoven, gepast, gegroepeerd, uitgeprobeerd, gevloekt misschien, mislied geweest, ontmoedigd de boel opzij gelaten voor was hij was… Alles wat we doen, alles wat was en is, elke ervaring, iedere ontmoeting, alle projecten, alle dromen…zijn puzzelstukjes van een groot, altijd uitbreidend geheel.

De basis
Een noodzakelijke basisvoorwaarde voor dit gigantische spel is vertrouwen. Je kan dit oneindigheidsspel niet spelen zonder te vertrouwen dat het spel reëel is. Natuurlijk is er twijfel. Die twijfel kan je alleen maar wegnemen door het spel zelf te spelen. Geëngageerd meespelen is de enige doortastende test. Sceptici gaan aan de kant staan. Stuurlui aan wal. Opvallend is dat zij muren en grenzen optrekken door te orakelen 'dat het niet kan'. Ze zijn pretbedervers, beweren dat er geen beeld of ontwerp bestaat. Zij ontwerpen dus niets, tenzij negativiteit. Zij maken statistieken over hoeveel stukjes er liggen, ontwerpen theorieën over de onmogelijkheid, verduisteren stukjes die niet in hun kraam passen en vegen ze onder de speelmat. Ze hebben geen spelplezier, ze zijn zo ongenadig zeker van hun stuk. Dat ene stuk. Ze leven gigantisch binnenmaats.

Elk stukje gaat door jouw vingers. Je draait het in alle richtingen, tracht het in te passen in een omgeving, geeft het zijn juiste plek of legt het opzij voor later totdat het ooit in jouw herinnering kan inpassen waar het hoort. Sommige stukjes vallen vanzelf, anderen zijn moeilijk en met nog anderen weet je voorlopig geen blijf. Die leg je ergens in de rand voor ooit.

Na verloop van tijd – veel tijd en misschien wel veel levens - heb je groepjes gevormd. Je weet aan de kleur en de vorm en de tekening waartoe dit stukje behoort. Je begint contouren te zien, conflicten tussen bepaalde stukjes. Vooral kijken is belangrijk, een soort gerichte gefocuste concentratie. Flexibiliteit ook, durven afstappen van vooroordelen, van vooropgestelde tekeningen.

Het spel vergt ook volharding. Je moet er in opgaan. Mijn zus is een fervente puzzelaar. Op een avond bereidde ze konijn. Rap ondertussen nog een puzzle dacht ze. Ze ging er zo in op dat ze het konijn vergat en constateerde dat die met beenderen en al was gestoofd tot één konijnenterrine brei. Lekker!

Binnen of buiten
De klank van oneindigheid is een harmonie van buiten én binnen. Ze vormt een eenheid. Ze wordt een kakofonie wanneer de buitenklanken de binnenklanken overstemmen. De eenheid wordt dan onherkenbaar.
Wat we als puzzelstukjes in handen krijgen is eigenlijk de verschijningsvorm in de stof van een allesomvattende openbaring. Er is een permanente stroom van energie en schepping. Er is een constante creatie van een gigantische harmonie, een oneindige scala van trillingen. Naarmate we ons openstellen laten we die trillingen in ons resoneren. Sceptici sluiten zich gaandeweg hermetisch af. Het is een droeve bezigheid, een doods concert. Hun puzzel blijft schimmelen in de doos, ongespeeld, ongelegd, hoogstens een nijdig en scherp hoekje.

De verrassing
Het zou kunnen zijn dat - terwijl we volop leven, niet alleen dit leven maar al onze levens - we ons eigen beeld leggen. We bouwen aan onze eigen oneindigheid. In dit leven noemen we dit de eigen identiteit. Dit woord heeft als stam idem=dezelfde. In de zoektocht naar oneindigheid vinden we uiteindelijk rust, als we de vreugde ontdekken in het steeds rijker maken van het grondplan. Wat een verrassing te zien hoe het eigen grondplan congruent is met het grondplan van alles. Alles en iedereen vallen samen in een steeds omvattender groeiende eenheid.
Wat wij met deze fysieke ogen zien, zijn de stoffelijke beelden van een diepere werkelijkheid. Die openbaart zich in waarneembare vormen. Haar eigenlijke werkelijkheid is een stroom van eenheid. Die is maar te zien (of te raden) met innerlijke ogen. Hoe die stroom genoemd wordt, hoe die zich ontwikkelt, is in feite niet belangrijk. Alleen dat zij is en was en altijd zal zijn.

'Ja, dit is wat ik ten diepste ben, deze Uitgestrektheid zonder grenzen, deze Aanwezigheid die er altijd is.'
Uit: Jan Kersschot, Het is zoals het is. Ankh Hermes, Deventer, 2003, p.63.

up naar boven


Terug