MAANDBRIEF Oktober 2012                                 Print

MET FRISSE TEGENZIN

Vorige maand schreven we over bevestiging en waardering. Niet alleen zijn dat vergeten woorden, maar vooral: we brengen ze te weinig in praktijk. Mensen zijn teveel met zichzelf bezig, laat staan dat ze bezorgd zijn en bemoedigend voor anderen. Ze vragen bij een ontmoeting niet hoe het met je gaat, met jezelf, jouw partner, de kinderen, het werk. Het gaat altijd over henzelf. In relaties kibbelen we elkaar kapot, politiek zaait eigenbelang en verdeeldheid, godsdiensten staan bol van intriges. Ik hoor heel weinig of nooit dat de een de ander fijn vindt, de ander een verrijking is en diversiteit een zegen. Wat we op ons eilandje zelf doen, doen we beter. Op elk huisje wappert dezelfde banier.
Om iemand te kunnen bevestigen en waarderen moeten we natuurlijk een raakpunt vinden: bevestigen in…waarderen om… Dat raakpunt is wat de ander is, denkt en doet. Laten we het dan deze maand hebben over werk. De hamvraag is deze van de kip of het ei. Moet de ander eerst iets doen vooraleer ik hem/haar kan bevestigen, of moet ik eerst de ander bevestigen opdat hij/zij gestimuleerd wordt om iets te doen?

Werkmoeheid
Ik bemerk een bijzonder vreemd fenomeen. In een tijd waarin er (in alle landen) een zeer hoog percentage werkloosheid is, maar tegelijkertijd ook vele niet ingevulde werkplaatsen, is er een grote werkmoeheid. Men sleept zich naar zijn werk of wordt er naartoe gesleept. Kilometerslange tergende slaapverwekkende stressfiles, een openbaar vervoer dat zich door de vertragingen sleept, kinderen die halfslapend naar school worden gesjouwd, en na het werk verhangen we ons aan de tv. Nog nooit hebben we ons zo razend snel verveeld. Wie werkloos is moet de dag hanglummelig zien door te komen. Wie wel werk heeft sleft zich gejaagd door zijn job.
Er is wel een derde weg, een sluipweg: oversaust die on-goesting met feestjes, parties, fuiven, citytrips, uitgaan… Kortom, de opgekropte stress overklassen met een druk druk ontspanningsleven (ontsnappingsleven) . Net zoals bij anorexia men het lichaam afpeigert om de pijn niet meer te voelen of bij binge-eating de pijn weg te eten en uit te kotsen, zo peigeren we ons tot oververmoeidheid en lusteloosheid. Werk wordt dan een noodzakelijk kwaad. We werken tegen onze goesting. Niet-werken is de aardsparadijselijke droom.

Ontwaken
Maar stilaan ontwaken we bangelijk uit die beroezende droom. Niet werken blijkt onbetaalbaar te worden. Zoals men vroeger gedweept heeft met een minimale werkweek, met vervroegde pensioenen, met horden (onwerkwillige) werklozen, desondanks verloond, met roekeloos eisende stakingen… zo moet men nu paniekerig en drastisch maatregelen treffen om langer te werken. Pensioenen, weet je wel, en de sputterende economie en de leefbaarheid voor de volgende generaties en…
Er gapen onoverbrugbare kloven tussen de onethische grootverdieners (banken, beleggers, captains of industry, dictators…) en de niet-verdieners. De kunst is blijkbaar om door niet te werken ongeproportioneerd veel te verdienen. Werken heeft een scheve inhoud gekregen. Werken is niet meer arbeiden. We hebben arbeiden letterlijk uit handen gegeven, gemechaniseerd, veradministrateerd. Kortom: we staan fysiek meer en meer verwijderd van arbeid. Enerzijds is dat een grote bevrijding geweest, weg van fysieke verslaving. Maar anderzijds zijn we verzeild in een andere verslaving: de consumptie economie.
Het lijkt me een vicieuze cirkel: we moeten werken om het hoge ritme van onze behoeften te kunnen bevredigen en we moeten massaal consumeren om de economie draaiende te houden. De beide ritmes zijn erg vermoeiend. Niet houdbaar, denk ik. Bovendien putten we uit beide geen genoegen meer: de druk van arbeid om daardoor mee te kunnen met de gangbare luxe van een opgepepte consumptie dwingt tot een razend leeftempo. Niet houdbaar, denk ik. De oplossing zoekt men in het uitbannen van 'werken' en toch veel geld verdienen om het luxeleventje te blijven leiden. Maffieuze praktijken zijn dan nooit veraf.

Ora et labora
We zijn een basis-evenwicht kwijt. De grondregel van monniken – de befaamde Benedictusregel – houdt in dat er een gezonde proportie moet zijn tussen geestelijke bezigheid en fysieke arbeid. Monniken moeten ook lichamelijk, met handen voeten, voeling houden met de aarde. Ora et labora, bid en werk. We zijn meer en meer vervreemd van ons lichaam. Veel fysieke arbeid is gemechaniseerd, gerobottiseerd. We staan veraf van de aarde en de grondstoffen.
Arbeid en robot zijn etymologisch verwant. Robot(a) betekent slaaf, gedwongen arbeid. Deze verwantschap is verrassend en kenmerkend. Als arbeid verwordt tot dwang – het gevoel van moeten – dan ontstaat onvrijheid en tegengoesting (on-goesting). Er steekt geen ziel meer in, geen begeestering, of enthoesiasme. Het robottiseert.
Wanneer één van beide polen – ora of labora – overbeklemtoond wordt, als we dus wegglijden in eenzijdigheid, dan verliezen we het basis-evenwicht. Er ontstaat robottisering. In een robot zit er geen ziel, het is geen bezield lichaam. Een robot voert een voorgeprogrammeerde opdracht uit en daarmee uit. En saai dat dat is op de duur!

Wat we dreigen te verliezen in arbeid is zingeving. We zien de zin niet meer van arbeid. En we hebben d'er ook geen zin meer in. Arbeid heeft geen zin meer in zichzelf. We zeggen dat we niet leven om te werken (maar werken om te leven). Maar we leven wel om te werken, al is dat niet de enige grond. Werken heeft een intrinsieke zin. Het geeft zin aan het leven. Wie ooit werkloos is geweest weet dat wel uit ervaring. We zijn niet gemaakt om niets te doen. Arbeid is een fundamentele bestaansgrond. Daarom heeft elke mens recht op arbeid.

Vanuit een valse levensluxe is er een leegloop van arbeid, vooral een leegloop van zingeving. Arbeid is er niet enkel om geld te verdienen, om de economie en de consumptie te verzekeren Arbeid heeft een eigen bestaanszin. Ze doordrenkt ons leven. Ze duidt op onze relatie met de aarde. Ze grondt ons. Omdat we de aarde zijn gaan zien als grondstof, materie, object, waarmee we 'in het zweet van ons aanschijn' moesten ploeteren, hebben we arbeid gedegradeerd. We hebben ons trachten te ontdoen van dat geploeter. We hebben ons vervreemd van onze eigen grond, onlosmakelijk verbonden met onze zielengrond. Bezieling en lichamelijkheid zijn één geheel.

Met frisse tegenzin
Arbeid heeft veel gezichten. Bepaalde taken doen we al fluitend, andere met lange tanden. Dezelfde opdrachten vervullen we de ene dag graag, de andere dag met tegenzin. Het hangt zelfs van onze wisselende stemmingen en wispelturig karakter af, en onze motivaties. Kortom, arbeid drukt ons met de neus op wie we zijn. Ze is dan ook een super-leerschool. Wie aandachtig kijkt kan zich in arbeid goed weerspiegeld zien. Deze spiegel liegt niet, nooit. Aan de vruchten kent men de boom.

We hebben dingen te doen in dit leven. We zoeken wel allerlei vluchtwegen, maar die bevorderen noch de eigen persoonlijke groei noch het algemene belang. Schuldig verzuim. Al doende leren we en door gissen en missen ontdekken we kwaliteit. Ik vind dat we dit aan het leven verplicht zijn. We kunnen onze daden door de zeef van onze aandacht duwen en zo de waardevolle dingen overhouden.
Als ik vroeger door weer en ontij ergens naartoe moest om er een lezing te geven, zei ik altijd:' Met frisse tegenzin'. Niet alles wat we te doen hebben is leuk, mar met een geut fris enthoesiasme en engagement kunnen we tegenzin omvormen. Heel dikwijls mis ik onbaatzuchtige begeestering in onze samenleving. We zijn sleffers geworden, zoeken alleen wat leuk is. (cfr.twitter: vind ik leuk!). We kiezen voor het gemakkelijke. We hebben schrik voor het moeilijke. Dus leven we maar half, want het leven is zacht en hard, goed en kwaad, mild en eisend, angstig en bevrijd, zin en tegenzin…
Ik wil deze brief dan ook eindigen met de befaamde tekst uit Prediker 3, 1-8.
Alles heeft zijn tijd, voor alles wat er hier op aarde gebeurt.

Een tijd van baren en een tijd van sterven.
Een tijd van planten en een tijd van ontwortelen.
Een tijd van doden en een tijd van helen.
Een tijd van afbraak en een tijd van opbouw.
Een tijd van schreien en een tijd van lachen.
Een tijd van rouw en een tijd van dans.
Een tijd van stenen stapelen en een tijd van stenen weggooien.
Een tijd van omhelzen en een tijd van afstoten.
Een tijd van zoeken en een tijd van verliezen.
Een tijd van bewaren en een tijd van verspillen.
Een tijd van scheuren en een tijd van naaien.
Een tijd van zwijgen en een tijd van spreken.
Een tijd van beminnen en een tijd van haten.
Een tijd van oorlog en een tijd van vrede.

up naar boven

Terug