MAANDBRIEF Augustus 2013                                 Print

WATER WIND WOLKEN ZON EN LICHT

Op vakantie geweest. D'er verdiend even uit, noemen we dat. Een andere plek opzoeken om zichzelf terug te vinden. Bizar toch dat we onszelf verloren zijn waar we dag in dag uit leven. Waar drijft de zoektocht ons naar toe om ons te hervinden?

Misschien zijn we wel zoals padden die trekken naar hun habitat, of zoals dolfijnen of zalmen tegen de stroom in. Een onstilbare gedrevenheid naar iets dat door ons verstand is overwoekerd, maar wat we intuïtief of vanuit de ziel weten, met grote zekerheid.

Een massale trek naar zon en zee, water wind en wolken. Zichzelf overgeven, buiten de kadertjes kleuren. Een door een onbekend reisagentschap geprogrammeerd anti-controle tiendaagse, of meer. De belofte of droom van vrijheid en ongedwongenheid. Andere regels dan werk- en huisvlijt.

Opvallend is dat we eigenlijk niet kunnen reizen naar de toekomst. Altijd naar het verleden. Dromen van een nieuwe wereld, dat wel, maar met haken en koorden gebonden aan wat vroeger was. Daar ontsnappen we niet aan: de trek naar onze roots. Water wind en wolken. Natuur of cultuur. Daarin kunnen we ons verliezen en vernieuwen.

Zich verliezen
Ik zag dat een brede stroom mensen zich golft naar water. Zee, rivieren, meren, zwembaden. Blijkbaar heeft water een enorme. aantrekkingskracht. Nergens vinden kleine kinderen zo'n natuurlijke habitat als op een strand: zand en water. Wij dus ook, wij grote kinderen. Geen enkele ontwikkeling kan deze oererkenning overwoekeren. De deining in de baarmoeder is voor ons het meest geëigende ritme. Aan zee voelen we ons misschien verwant, onmiddellijk nabij, met het oerritme van de kosmos. Ons ontstaan, ons bestaan.

Zwemmen in de zee geeft een gevoel van zich verliezen. Heel klein worden, druppel zijn. Mogelijkheid om zich over te geven, gedragen te worden. Onder te gaan in wijdsheid. Alleen zit er mogelijk de angst in om verzwolgen te worden, onder te gaan, niet meer ik te zijn, niemand meer. Verdwijnen. Een verloren gevecht om het behoud.

Water biedt geen houvast. Het glibbert ons uit handen. Het heeft geen begin en geen einde. Alhoewel we zelf minstens uit drie kwart water bestaan, toch heeft het overige kwart de overhand, meestal. Verstand heeft wel een begin en een einde en vecht voor het overleven van het ik. Bondgenoten enerzijds, vijanden anderzijds. Dat ene kwartje is dus taai. Het doet ons vervreemden van ons oermilieu: water. Het zijn onze gedachten en onze emoties die in ons angst om behoud creëren. En precies dit denken en voelen konden we pas ontwikkelen door die oerbedding in water.

De geschiedenis toont ons aan dat water altijd een element is geweest van vernieuwing, verandering, heling, genezing. Instinctief weet de mens dit. Precies dit instinct, deze intuïtie, drijft hem altijd opnieuw naar zijn oerkracht. Het is als het zoeken door een adoptief kind naar zijn werkelijke vader en moeder. Water zijn onze ouders, voorouders,vóór alle levende begin.

Maar …water wordt duur, schaars. We riskeren om vroeg of laat droog te staan. Onze meest fundamentele omgeving droogt op. Ooit zullen we – gedreven door ons instinct om de trek te maken – geen water meer vinden. We zullen vervreemden van onze oerhabitat en verloren lopen in een woestijn. Anoniem. Verweesd.

Water, rivieren en zee zijn wegwijzers naar de oceaan van eenheid, waaruit we zijn geboren. Dat gevoel heb ik als ik op het strand sta en me laat betoveren door de golfslag, de wijdsheid en oneindigheid. In mijn diepste wezen ben ik die miljarden speelse golfjes, ben ik dit kabbelende beekje, ben ik stromende oorsprong. De oceaan ben ik.

En de wind en de wolken…
De wind omarmt en omhult me, trekt door me heen. Ik stap op het strand. Er is geen plek waar de wind niet is. Vormeloos als hij is pakt hij elke vorm even in. Hij speelt, ravot en vecht met alles. Wind heeft geen voorkeur. Net als water. Ook hij biedt geen houvast. Beiden munten uit in soepelheid. Ze zijn onbreekbaar.

Wind is de adem van onze planeet. Zoals de adem van de mens zijn emoties toont, zo toont de wind de gemoedsbewegingen van onze aarde. Een ontzaglijke scala: woede, frisheid, mistroostigheid, tederheid, geborgenheid, scherpte, schraalheid, volheid, agressie, kalmte… Zoals een orgel met veel klavieren, pijpen en pedalen.

Wind is nooit alleen. Hij vult alles, zit en waait in alles. Hij is een metgezel, zoals mijn adem altijd met me is. Hij de vormeloze in mij de vorm.

Wind is in mij, rondom mij. Mijn adem, mijn beweging. Nodig voor mijn denken en nodig voor mijn innerlijke ziel. Het is de basis van mijn creativiteit. Scheppend. Zoals Jahweh zijn adem blies in de eerste mens Adam. Zoals de Geest waaide op pinksterdag en de mensen aanzette tot verandering, een nieuwe wereld vol vuur, liefde en eenheid. Een wind die over gans de aarde waaide, in de vier windstreken.

Ik hou van de zachte bries, als ze de aarde streelt. Ik hou van de ruige wind die me uitnodigt tot weerbaarheid, die me buigzaam doet plooien zoals het riet. Ik hou van het zachte op en neer van mijn adem. Rust, opnemen en loslaten. Gans de kosmos ademt op dat ritme.

En de wolken… o ze hebben geleerde namen gekregen: strotocumulus en zo. Maar de poëzie is er af, geen plaats meer voor fantasie als ik zomers op mijn rug lig met een grassprietje in mijn mond. Ik zie dan liever beren, een stoomtrein die voorbij dendert, en ginds een speelse kat of is het een tijger, een gans verbrokkelde straat, een processie van schapen…

Waarom liggen we zo weinig op onze rug te fantaseren? Waarom zien we wolken enkel als voorbodes van storm of vervullen ze onze weersverwachting? Het wezenlijke van het leven is verbeelding. Dat wat nog niet is laten geboren worden. Daarom trekken we, zoals de padden naar onze roots. Daar ligt de kern van onze vruchtbaarheid: in de oceaan van totale eenheid. Vanuit die kern spettert alle nieuw leven op, in ontelbare vormen. En naar die kern golven alle vormen terug naar die oceaan. Zoals waterdruppels verdrinken in die totaliteit, in het Zijn, in die Oceaan. Ze zijn geen druppel meer, geen adem meer in de wind, geen wolk meer in het azuur. Ze waren de boodschappers van het onnoembare Zijn.

up naar boven


Terug