MAANDBRIEF Juli 2013                                 Print

STERVEN IS PROGRESSIE

Ik hoef niet lang te leven om te leven.
Leven is sterker dan de dood. Leven is liefde.
En liefde tilt sterven over de dood.
Er is geen grens aan leven. Leven is onsterfelijk. Zo ook de liefde.
Alleen wie niet verbonden is loopt in de val van de angst,
verstikt in de engte van de dood.
Dan maakt hij de dood tot zijn onverbiddelijke grens.
Nog nooit is het leven gestorven. Alleen vormen verkruimelen.
Wie niet houdt van het onsterfelijke leven verkruimelt zelf
in de illusie dat het leven alleen bestaat in vormen: schijnleven.
Hij krimpt zichzelf in en weet niet meer hoe ontzaglijk het leven is.
Dat hij zelf het ontzaglijke leven is,
dat alle vormen in zich draagt en overstijgt.
Angst wil de vorm, die hij is, rekken.
Hij wil de vormen langer laten leven dan vormen kunnen leven.
Een dwaas gevecht.
Hij is vergeten dat hij het vormeloze leven –
het alles omvattende en doordringende leven –
in zich draagt. Hij is leven.
Ik hoef niet lang te leven om te leven.

Sterven is progressie

Wellicht zullen sommigen wat onthutst en misschien verbolgen zijn als ik zeg dat sterven progressie, vooruitgang is. We zijn immers gewoon om sterven te zien als een afgang, een beëindiging. Iets dat ons plots of na een ziekte of aftakeling overvalt. Het is ons vreemd. Hoe kan het dan vooruitgang zijn?
We zullen ons vast patroondenken moeten openbreken. En dat is taai.

Progressie komt van het latijnse pro-gredere. Het betekent vooruit (pro) stappen (gredere). Sterven is in dit geheel te zien: als een fase in een proces, als deel van een ontwikkeling. Wie dit proces niet ziet kan onmogelijk het sterven begrijpen. Hij loopt tegen een muur en ziet de doorgang niet.

Leven is een constant proces. Het is evolutie in een nooit aflatende stroom. De dood is dan ook geen afsluitende dam, maar een doorgang.

Opvallend is dat we dit patroon terugvinden in veel natuurlijke ontwikkelingen. We sommen er enkele op.

Dag en nacht:
een simpele dagelijkse werkelijkheid. De zon ontwaakt, komt op. Leuk toch dat we dit morgen noemen. Er zit in de naam zelf een perspectief van toekomst. Dan groeit de zon naar een hoogtepunt op de middag. In het latijn meridiem = midden in de dag. Daar neemt ze een ronding naar de avond, de nacht. Alles is dan naakt. Het leven is ont-daan. Ze lost op in het donker. Ogenschijnlijk stopt de beweging. Alles is dood, maar dat is precies de illusie. Het leven gaat door. Het ritme herhaalt zich. 's Morgens vonkt de zon weer op...

Eb en vloed:
Aan zee kan je gefascineerd worden door het ritme van eb en vloed. Een krachtig schommelende beweging, af en aan, zwellend en afnemend, inkrimpend en uitzettend, vragend en aanbiedend. Het punt middenin, de stilstand, is een momentane illusie. Het rollen houdt niet op.

Seizoenen:
Dit is het ritme dat we het meest bewust kennen. Lente, zomer,
Herfst, winter. Ontkiemen, bloeien, oogsten, sterven. Elk jaar kijken
We uit naar dit wonder gebeuren. Een dansend, meeslepend,verdiepend ritme. Grote kunstenaars hebben het in vele vormen gestalte gegeven. Het is niet iets dat buiten ons gebeurt. We maken er zelf deel van uit. We zijn ritme, beweging, ontwikkeling.

De mens:
Ook in de mens dus golft zo'n ritme: geboren worden, groeien naar volheid, doorbraak naar vrijheid, loslaten in sterven. De illusie is sterk: we menen dat het stopt bij de dood. We poneren een grens omdat we binnen de zintuiglijk waarneembare dimensie blijven hangen, binnen de driedimensionele werkelijkheid. Plots plaatsen we ons niet meer in de stroom van het altijd stromende leven, in de stroom van de allesomvattende eenheid. We maken onszelf tot meester van die stroom, laten die stollen in een reflex om zelf meester te zijn van het leven. Hebben we dan al die tijd in de illusie geleefd dat wij het leven meester waren? Het leven draagt ons. De druppel draagt de oceaan niet. De oceaan draagt de druppel. De eenheid van oceaan en druppel is het golvende leven.

In zijn boek 'Facetten van een diamant' laat Erik Van Ruysbeek zien hoe we de driedimensionaliteit (hoe grandioos die ook is) kunnen verruimen naar vierdimensionaliteit en zelfs (naar David Bohm) naar n-dimensionaliteit. Er is geen terminus.

In ons Westerse denken is de dood de evidente terminus, het eindstation. En dat is nog waar ook, tenminste als men blijft hangen in de werkelijkheid van de zintuiglijk waarneembare wereld. Dan is dood het einde, dood is dood.

Naar mijn gevoel negeert deze moderne mens de ritmes die spiraalvormig altijd blijven doorkringen. Uit een bange reflex voor het verlies van controle lijdt de moderne mens aan obstinate waarheidsnegatie. Hij durft het niet aan dat hij niet meer de meester is van het leven. Hij wil het leven zelf sturen, terwijl hij in werkelijkheid meedeint in de stroom van het leven. Hij is eigenlijk één in het leven. Hij is leven. Maar dit stopt niet bij het sterven. In zijn sterven begint een nieuwe cyclus. Alles wordt nieuw.

Niet toevallig wordt in de verschillende religies dit sterven en nieuw geboren worden gesymboliseerd door onderdompeling in water (doop), door een verblijf in een spelonk of grot, door het lijkbleek kleuren van de jonge inwijdelingen, door een languit geprosterneerd liggen van de priester-wijdeling. Het symbolisch sterven voert hen in een nieuwe dimensie, buiten en boven de zintuiglijke wereld. Het doopritueel is in feite een sterf-ritueel. Men gaat niet dood, men stapt een nieuw leven in.

Waarom hebben we schrik om te sterven?

Dit is een prangende vraag. Al heel oud. Maar vroeger was sterven ingebed in een natuurlijk gebeuren. Men schoof het op rekening van het lot, gelatenheid. Het lag niet binnen het vermogen van de mens. De goden beslisten. God gaf, god nam.?

Door de ontwikkeling van de mens - vooral zijn hersenen en daardoor de nieuwe technologieën – ontstond een enorme verbluffende wereld: de medische, farmacologische, chirurgische. Men slaagt erin om niet alleen in de mens te loeren, tot in de kleinste weefsels en organen, maar zelfs tot in de cellen, de genen… De mens kreeg greep op het leven. Het lukte hem de grens van sterven en dood beduidend op te schuiven. De doem van de dood was niet langer puur willekeurig. Het ingrijpen van de mens werd bepalend. Het waren niet meer de grillige goden die aan de levenstouwtjes trokken. De mens schikte. Er ontstond euforie. Men was echt wel op weg naar de bron van eeuwig leven en eeuwige jeugd.

Maar er duikt een nieuw fatum op, een nieuw onverbiddelijk lot. Geen gelatenheid meer maar een sinistere trots. De mens wil lang leven, zo lang mogelijk. Meer nog: hij mag niet meer sterven. Doodgaan is een medisch tekortschieten. Doodgaan is een falen. Maar niet gewanhoopt: ooit zal de mens… en daarom – door dit waanzinnig ideaal – rekt men het leven met allerlei buitensporige, mensonwaardige behandelingen. Experimenten, dikwijls op een niet-weerbare bevolkingsgroep: ouden van dagen en kinderen. Godnogaantoe.

We hebben schrik om te sterven omdat men ons in een psychose heeft gedwongen: lang leven, langer, langst. De mens is oplapbaar.

Ik heb grote bewondering voor het veelzijdig wonderlijk vermogen van deze medische wereld. Ze kunnen fantastische dingen. Maar het schort aan ethiek. De ethiek die het doen en laten van de mens moet sturen hinkt hopeloos achterop. De ontwikkelingen lopen zo snel dat men ethisch ontredderd raakt. Men durft geen stelling meer nemen. Er staan ook enorme financiële en andere factoren op het spel.

Nu de mens dood en sterven stuurt is de kapitein van de levensboot zijn kompas kwijt. Hij kent de richting niet meer. Stuurloos. Dronken, hoogmoedig en trots staat hij op de commandobrug. In het Grieks heet dit: hybris.

- Voor sommigen is er nog een andere angst: men mag niet sterven, ook al zou men het willen. Men stelt tot nu toe het algemeen principe 'men zal niet doden', 'het leven is absoluut heilig en onaantastbaar.'
Over welk leven heeft men het dan? Het fysische beperkte leven (leven met een kleine l) of gaat het over het Leven ( het leven met een grote L)? Beiden behoren tot de grote stroom van het Leven. Het Leven omvat het leven. Pas wanneer men het Leven inkrimpt tot leven ontstaat er een immens probleem. Men knalt tegen een muur (Zie het boek van Bieke Vandekerckhove 'De smaak van stilte') . Men poneert dat er geen doorgang (overgang) is.

Als de stroom van het Leven niet afgedamd wordt zou met wijsheid en zonder angst het lijden van mensen die graag zouden willen sterven kunnen worden opgelost. Onnodig langer leven heeft geen enkele meerwaarde.

- We hebben ook schrik om te sterven omdat we bang zijn voor het lijden, de fysieke pijn. Terecht, want onze oerreflex is behoud. We willen geen pijn.
We zitten hier in een klem. Enerzijds willen we niet aftakelen, anderzijds rekken we het leven, willen we lang lang leven. Een contradictorische positie. De medische wereld programmeert ons met extreme verwachtingen: de belofte dat zij alles (toch zeker heel veel ) kan fiksen. Zelfs de medici staan hier voor torenhoge ethische problemen en die nemen alsmaar toe. Kan men, ten koste van alles, het levensbehoud tot in het extreme drijven?

Wat de pijn betreft heeft men heel veel goede middelen ontwikkeld. Pijnbehandeling is enorm geëvolueerd. Dat zou een flink deel van de angst om te sterven draaglijk en menswaardig maken.

Toch zou er een dieper, fundamenteel bewustzijn moeten doorbreken: ons lichaam is beperkt. Het is deel van de cyclus van ontstaan, groeien, vruchten dragen en oplossen. Wie zich bewust in dit proces (progressie) plaatst, zal minder of geen angst hebben. Hij weet dat sterven progressie is en plaatst zich in de levensstroom.

De sprong

Eigenlijk is de mens stilaan aan het einde gekomen van de derde dimensie. Hij is de fantastische mogelijkheden van de zintuiglijk waarneembare wereld aan 't uittesten, tot in het fijnstoffelijke van de emoties en het denken toe. De multifunctionele, de multi-intellectuele, de multi-emotionele, de multi-, de multi-… De goddelijke mens. Maar hoe multi ook, hij blijft binnen de driedimensionele wereld verkennertje spelen. Dus logisch dat hij tegen grenzen opbotst. Door zijn immense trots – omdat hij zoveel verwezenlijkt heeft – ontstaat het fenomeen van ontkenning. Hij zit vast in zijn driedimensionele systeem zodat hij blind is voor andere verdere dimensies. Hij ontkent dat er andere dimensies mogelijk zijn. Hij heeft voor die nieuwe andere werelden geen methodes, geen technologie, geen meetapparatuur. Hij heeft niets. Dat is beangstigend. De trotse geleerde moet het dierbaarste wat hij heeft opgebouwd loslaten. Hij kan zijn verworven wijsheid slechts gebruiken als een goede springplank naar de verdere dimensie. De sprong in het niets.

Ofwel bevangt hem de schrik voor het onbekende, kan hij zijn waardevolle rijke ik niet loslaten. Dan wordt sterven en de dood een fatale afgrond. Ofwel waagt hij de sprong, riskeert hij overgave.

We hebben schrik van sterven en dood omdat we gevangen zitten in de psychose dat er na dit leven geen verdere dimensie is. Angst voor een perspectiefloos leven. We maken onszelf wijs dat er geen perspectief meer is na de dood, omdat we al onze troeven obsessief hebben geïnvesteerd in een driedimensionele wereld. En uiteraard is precies deze wereld beperkt. Ze is een wereld van grenzen. Kortom: we durven niet. We zijn banghazen. We kiezen voor een lang leven. We rekken wat slechts een beperkte rekbaarheid heeft. Bang voor het moment dat de rekker knapt.

Hemel ?

Is er dan toch geen hemel, een hiernamaals, een hemels paradijs?

Neen. Niet in de betekenis dat we daar met de deugdzamen, de braven…rijstpap eten met gouden lepeltjes. Of dat daar 70 maagden ter beschikking staan. De oerbetekenis van hemel heeft iets te maken met een buiging, gewelf. Bij het sterven maken we een bocht. We zitten aan een plafond. De golving begint opnieuw, een nieuwe cyclus. We zijn door de driedimensionaliteit heen. Hier is elke vorm van zintuiglijkheid overbodig. Geen ego meer, geen individuele persoonlijkheid, geen eerste rijen of verdoken stoelen ergens 'op den uil'. We kunnen er ons geen voorstelling van maken. Het heeft geen plaats, geen ruimte, geen tijd. Alleen de volste volheid (maar zonder maten). Alleen eenheid.

Kan iemand mij zeggen hoe totaliteit er uit ziet? Is dat niet alleen te verstaan vanuit intuïtie? Moeten we niet trachten ons daar geen voorstelling van te willen maken? Hoe voelt de druppel zich als hij teruggevallen is in de oceaan? Of een adem als die zich heeft vermengd met de wind? Hoe is liefde te vatten nadat men ze beschreven heeft? Nietzsche zegt: Iets wat eerst moet bewezen worden, heeft niet veel te betekenen.

Waarom hebben we dan zo'n behoefte om eerst te bewijzen dat er geen andere dimensie is na de dood (ontkenning) en dan te zeggen dat het dus niet veel kan betekenen. We willen absoluut onze ontkenning onderbouwen. We willen het systeem ten koste van wat ook rechthouden.

Daarom willen we het leven – dit fantastische maar beperkte leven – rekken. Letterlijk kost wat kost.

Ten slotte

Precies omdat we zo graag en vol willen leven, zouden we er goed aan doen om dit leven uit te tillen boven haar beperktheid. We zullen onszelf en de mensen moeten leren, moeten bewustmaken, om de sprong te maken naar de vierde en nog verdere dimensies. Een sprong in overgave. Dan wordt het leven weer boeiend, met andere en nieuwe uitdagingen. Mij heeft altijd geboeid wat er verder ligt dan mijn horizon.

Dus: sterven met enthoesiasme, met een kreet van vervoering.

 

up naar boven


Terug