MAANDBRIEF Oktober 2013                                 Print

Vier verhalen, één rode draad

Een droom
Je vertelde me dat je een droom had gehad, die nacht. Een speciale ervaring.
Midden in de woestijn zat je in een grote ommuurde tuin, een paradezza. Het was er prachtig. Toch had die iets beklemmends: er was nergens een poort of een deur in die hoge meterslange muren. Geen toegang of geen uitgang. Je was afgesloten, afgescheiden.
Je was er met de veeleisende baas van je werk. Je sloofde je dag in dag uit in die weliswaar paradijselijke tuin uit. Eigenlijk zonder perspectief.
Op een dag, met een stralende zon, cirkelde boven de tuin een kleurige vogel, een paradijsvogel. Je zag hem, maar keek niet verder op. Tot de vogel een duikvlucht nam en je agressief begon te pikken. Zoals hij gekomen was, zo vloog hij weer weg, tot hij een stip werd in het azuurblauw.

Toen werd je wakker.
Je vroeg me: Wat kan die droom betekenen?

Elke mens wordt geboren in een eigen beperkte omgeving: een gezin, een huis…een ommuurde site. We bewegen ons op dit terrein horizontaal, vlak. We maken er het beste van. Sloven ons uit. Het dagelijks leven speelt ons veeleisend de baas. We zouden ons in zo'n leventje kunnen settelen, er een paradijs van maken. Maar we ontdekken na een tijd dat we opgesloten en afgescheiden leven. Vlak, zonder open deuren of poorten naar onontdekt en onontgonnen land. Dan gebeurt het – als we willen zien – dat er een vogel komt overvliegen, iets van een andere dimensie, met andere kleuren. Soms agressief, omdat we niet willen zien. Gebeurtenissen in ons leven die ons dwingen om aandachtig te kijken, met andere nieuwe ogen.
Je had niet gezien dat er wel een uitweg is: de ruime open lucht. De dimensie boven je. De dimensie van de geest. De vogel is de geest (denk aan Pinksteren, de Geest in het symbool van de duif). De verticale openheid. Vlak en hoog worden één.
Jouw droom was een uitnodiging om in deze dimensie te stappen, uit de besloten tuin…
En toen stapte je met een ander bewustzijn, een nieuw inzicht, in de wereld rond en boven die ommuurde tuin. Je stapte in die wereldwijde woestijn en begon met vallen en opstaan, door allerhande ervaringen, het leven te leren. Je ging jouw weg. De paradijsvogel lokte je uit de besloten paradezza naar een grenzeloze ruimte. Dat daarin goddelijke mogelijkheden liggen begon je eindelijk te ontdekken.

Het verhaal van de vader en de zoon

Ken je het verhaal van de vader en de zoon? Natuurlijk wel. Je hebt het zelf al dikwijls gelezen in de bijbel of men heeft het dikwijls voorgelezen. Zelfs zoveel keer dat het versleten was en je het eigenlijk niet meer hoorde. Veel voorlezers lazen het verkeerd voor, omdat ze zelf niet in het verhaal aanwezig waren.
Het verhaal van vader en zoon is een diepe en aangrijpende werkelijkheid. Waarom? omdat het de geschiedenis is van ieder van ons. We zitten er tot over onze nek in. Het is zo herkenbaar omdat het iets vertelt over onze oerwortels, de grond van ons bestaan. Hoe ons groeiproces en onze ontwikkeling verloopt. Het is de levensloop van elke mens.
Stel dat je het oerbegin een naam moet geven en wat er uit dat oerbegin groeit. Wat zou je kiezen? Wat kan een dragend symbool zijn voor een werkelijkheid die aan het begin staat van alle begin?
De verteller in de bijbel kiest vanuit zijn cultuur en zijn tijd het symbool vader. Dat is een herkenbaar begin voor elke mens. En wie vader zegt roept van nature de relatie op met zoon. De zoon staat dan voor het proces, de ontwikkeling uit de vader naar de verschijningsvorm, de gestalte in de uiterlijke wereld. De vader is de innerlijke kern, waaruit alles ontstaat, het Al.
Uit die kern ontstaat in het verhaal dus de zoon. Eigenlijk twee zonen: een conservatieve, volgzame, wat bange zoon, én een rebelse risico-tiener. De eerste investeert zijn talent heel behoudsgezind. De tweede smijt zich in het leven, morst met zijn talenten, verkwanselt ze, maar leeft.
De navertellers hebben het verhaal stevig moraliserend ingekleurd. Daarom hebben we het geërfd als het verhaal van de 'verloren zoon'. Maar het verhaal is veel rijker en fundamenteler dan een stukje goedkope moraal.
Het vertelt hoe we allemaal geboren worden uit de vader, het Al, of hoe je het ook noemen wil. Uit een immense liefde geeft hij aan ieder de vrijheid om de eigen weg te gaan. Het leven uit de vader is een enorme leerschool naar bewustzijn. Elke mens verrijkt of verarmt de gegeven kansen. Uiteindelijk komt alle leven, komen alle wegen terug bij de vader.
Of je nu de wat knorrige behoudende zoon (of dochter) bent, of de zoon die niet binnen de lijntjes kleurt, het doet er in wezen niet toe. Ieder gaat de weg die zijn ziel kiest. De ziel kiest de weg, de partner de omgeving… Die loopt van de vader naar de vader, van alfa naar omega, van de eenheid over de gescheidenheid naar de eenheid. Precies door die weg te gaan ontdekt en onthult men de unieke liefde die pas door deze queeste tot ons diepste bewustzijn doordringt.
Zoals het verhaal besluit: de Vader gaf een groot feest, want zijn zoon was verloren (ogenschijnlijk) en heeft de weg teruggevonden. Hij was dood maar is nu springlevend.
Laten we daarom uitbundig het leven feesten!

In het begin

Men noemde ze 'de eerste mensen'. Men moet ergens beginnen. 'De Grote Maker' boetseerde de eerste man uit rode klei en gaf hem ee naam: Adam.
In de vele culturen heeft men niet opgehouden die eerste mens te kneden, te beeldhouwen, te tekenen… Die eerste adem die de Grote Maker aan die eerste mens gaf, is nog altijd de geest die door de vele kleine makers waait. Hij wordt nog altijd herschapen.
Toen werd ook de eerste vrouw gevormd. Dat is nogal logisch. Elke maker ontwerpt relaties. De basis, de oorspronkelijke stof voor schepping is relatie. Je zou het ook kunnen noemen: iets maken naar het eigen beeld en gelijkenis. Wat er dan ontstaat – die betrokkenheid, die persoonlijke band – is niet benoembaar. Zoals een kind ontstaat uit een man en een vrouw , niet het fysische gebeuren, maar het wonder.
Het verhaal vertelt verder hoe vanzelfsprekend hun luxueuze leven was. Paradijselijk. Alles had kleur en schitterde vol leven. Maar, en dat is eigen aan schepping, er waren een paar strikte regels. Beperkingen dus.
Paradezza: een besloten ommuurde tuin. Middenin stond de boom van kennis (van goed en kwaad). Er is m.a.w. een paradijs van éénheid én een diepgewortelde boom waarvan de vruchten mogelijks goed en kwaad zijn. Gescheidenheid zit er dik in.
Maar aan die boom, laat staan die vruchten, mogen ze niet komen. Eten helemaal niet!
Zeg nu aan kinderen, aan onvolwassen pubers, aan nog onwetende mensen, dat ze 'daar' niet aan mogen komen… nou, wat gebeurt er dan? Bovendien, en dat is een wet in de evolutie, groeit het leven naar complexere vormen en naar meer bewustzijn. Dus kringeltkrangelt in die eerste mensen een ideetje naar boven, net als een gladde slang, zoals een zaadje dat in de aarde ontkiemt en zich naar het licht wurmt. Iets dat verboden wordt heeft een enorme aantrekkingskracht, een goddelijke energie. En dus raakten ze aan de boom, en dus plukten ze de vruchten, en aten gulzig. Verboden , ja , maar lekker. Ze voelden zich goddelijk, wilden worden als goden (ze waren vergeten dat ze dat al waren en altijd geweest waren: naar zijn beeld en gelijkenis).
Er gebeurde iets onvoorstelbaars: weg was de ommuurde tuin, weg was het paradijselijke, weg het vanzelfsprekende. Ze stonden daar helemaal op zichzelf, naakt. Ze waren plots onderweg op eigen benen, midden in de woestijn van gescheiden dingen en mensen. Ze waren als blinden, hun taal was stom, hun bewustzijn bekrompen. Als kleine kinderen die nog alles te leren hebben.
Nu was het een kwestie van overleven in het zweet van hun hard dagelijks labeur. Werken aan zichzelf is geen kleinigheid. Zich openbreken voor inzicht. Verantwoordelijkheid voor de eigen creativiteit, vindingrijkheid. Vanuit gescheidenheid leren onderscheiden. Ze zagen nu dat de boom van kennis van goed en kwaad in hen zelf geplant was. De tijd dat ze zelf vruchten zouden dragen lag nu vòòr hen uit.
Zo gingen de eerste mensen hun verbazende weg. En zoels de Grote Maker alles van hen in de gaten hield toen ze nog in de paradezza leefden, keek hij nu met een ontzaglijke zorg en liefde naar wat ze in die levenswoestijn deden.
En, o wonder, hij zag dat het goed was, dat de eerste mensen en later alle mensen hun eigen weg gingen. Ze stapten met vallen en opstaan in bewustzijn: langzaam, het is een lange moeizame weg. Zo komen ze dichter bij wat ooit hun oorsprong was en nu hun vervulling.
Ze herinnerden zich weer dat ze nooit anders zijn geweest dan 'naar zijn beeld en gelijkenis'.
Die mensen toch !

Een korte droom
Ik zal die droom van me nooit vergeten. Hij was niet langer dan een flits, maar ja, dromen duren gewoonlijk niet lang.
Ik stond in een inham van een rots. Misschien was het wel het einde van een tunnel die uitmondde op een terras. Ik stond daar niet alleen. Er waren nog enkele gestalten rond mij. Niemand van ons had een gelaat, ook geen lichaam. We waren witte figuren, die enkel een soort uitgehold gewaad droegen. Het leek op de pij van monniken, maar helderwit. We bewogen niet. We waren toeschouwers van een schitterend landschap, van een andere dimensie.
Het gebeurde in de grootste stilte. Geen woord. Alleen een rustige vanzelfsprekendheid. Zicht op volheid, eenheid, zalige harmonie. Niets viel uit de toon van deze natuurlijke symfonie.
Wat me trof was dat we toeschouwers waren maar tegelijkertijd opgenomen in één geheel. Er was geen afstand. Het gevoel uitgenodigd te zijn in een werkelijkheid die zo herkenbaar was. Wat ik zag was een paradijs, een oase. Een thuisgevoel had ik.
Soms denk ik :' Dit was geen droom. Dit is de eigenlijke werkelijkheid, de diepere zijnswerkelijkheid'. Wat wij de realiteit noemen, dat is een droom.
Jammer toch dat we dromen werkelijkheid omkeren, dat we dromen onwerkelijk noemen, terwijl er niets werkelijker bestaat.

up naar boven


Terug