MEDITATIE & POEZIE januari 2007                                 Print

Er was eens een jonge prins.
Hij leefde in een verbazingwekkend mooi palais met rondom een betoverende tuin.
Alles aan de prins was rijkelijk, harmonisch: zijn atletische lichaam, zijn diepe ogen, zijn speelse lach,
zijn schitterend verstand en zijn peilloos diepe ziel.
Alles in het enorme paleis was gericht op verfijning en kennis, zowel uiterlijke als innerlijke.
Studie op allerlei gebied deed  de jongeman in de meest complete bibliotheek.
Allerlei martiaanse technieken had hij zich in volmaaktheid eigen gemaakt.
Uren bracht hij door in de verfijnde tuinen.
Elke dag volgde hij een strak programma vann gebed, yoga en meditatie.
Strict onderhield hij, de voorschriften van vasten en zuivering.
De prins had het vaste voornemen om tot verlichting te komen en allerlei meesters van uitzonderlijke kwaliteit hielpen hem daarbij.
Volmaaktheid was zijn diepste streven.
En ja, hij stond op de drempel om door te stoten tot die lokkende wereld van de wijzen, die exquise groep van Al-wetenden.

Die morgen  volgde hij het pad door de tuin dat naar de Ganges liep, de heilige zuiverende rivier.
Het paleis en de tuinen waren omheind met een kunstige architecturale muur, waarin een smeedijzeren poortje dat de dansende Shiva voorstelde.
Het was de enige, vrij smalle doorgang naar de trappen die afdaalden naar de stroom.
Maar die morgen lag een klasseloze man, een paria, vóór het poortje, iemand uit een bedelaarshorde.
Hij was groezelig vuil, in lompen van kleren, mager en beenderig, zoals de twee schurftige honden die naast hem lagen.

Dat iemand vóór het poortje zat, gebeurde wel meer. Maar als de prins aankwam om zich te gaan baden, stond
men onmiddellijk op en groette hem.  Hij had groot aanzien en stiekem hoopte men op een aalmoes,
want goedheid en gulheid zijn evident efficiënte middelen op weg naar volmaaktheid.

Maar vandaag liep het niet zo.
De man bleef gewoon lui liggen alsof er geen prins was.
Een paria hoort te weten dat hij plaats moet ruimen en doorgang  geven.
Maar niet zo vandaag. Vandaag was alles anders, leek het.
Zelfs toen de prins met een elegant gebaar beduidde dat hij moest opstaan en doorgang moest geven, gaf de vent geen krimp.
De prins voelde enige wrevel in zich naar buiten wurmen. Het was een ongekende emotie in een prinsenziel.
‘Man, zei hij, je kent jouw plaats niet.Hoor jij niet uit de weg te gaan als ik vanuit mijn paleis op weg ben naar de heilige rivier om me te baden,
zodat ik zuiver het pad van volmaaktheid kan gaan?’

Toen, op die dag dat niets liep zoals het hoorde  te lopen, rechtte de man zich een beetje
en keek onbeschaamd en recht in de diepbruine ogen van de prins.
‘Man, zei hij, jij kent je niet. Jij wil volmaaktheid en verlichting. En daar ben je inderdaad bijna aan toe.
Maar hoe zou jij volmaakt kunnen zijn als je in jezelf niet de wrevel ziet en in mij niet jouw broeder? Hoe zou dat?’

De prins stond stijf verbaasd.
Hij stond daar minutenlang, als versteend.
Hij zag niet eens dat de bedelaar weg was.
Hij zag alleen de oneindige diepte van zichzelf, de zee van mogelijkheden, zijn goed en zijn kwaad.
En hoeveel hij daarvan had uitgeband.
En toen, die dag dat niet alles leek te lopen zoals het hoorde te lopen, die dag dat hij niet alles onder
controle scheen te hebben, die dag dat hij voor het eerst geen prins was maar zich een broeder wist van een bedelaar en van zijn eigen wrevel,
toen omhelsde en omvatte hij alles in zich,
tot het laatste sprankeltje.
Ook dat waarvan hij dacht dat hij het niet was
en waarvoor hij zich schaamde 
en waarvan hij dacht dat de Ganges het uit hem zou wassen.

Toen die dag stroomde de warmte als een zachte bries
En het licht als een opgaande morgenzon bij hem binnen.
‘Misschien, zei hij, ben ik nu verlicht, vandaag.
Morgen zien we wel.’

EXCERPTA

1.

Uit: De eenvoud van zijn. Omarm je ware aard, Ken Wilber, Deventer, Ankh-Hermes,2005, p.231-232.

Het is niet genoeg je naar de hoogten van de Hemel te verheffen als je niet in dezelfde mate betrokken bent bij de manifestaties van deze wereld. Zo wordt een omhelzing van deze wereld nog spiritueler in zoverre ze Zuivere Ruimte ontdekt  in de plooiïngen van het aardse leven. In dit hoofdstuk leggen  Wilbers geschriften de nadruk op de manier waarop het Goddelijke zich in en door de dagelijkse wereld van ons leven en onze gemeenschap manifesteert.
Wilber geeft een klaroenstoot als oproep om alle gezichtspunten te bevrijden in een integraal koor van opneming-in-verscheidenheid. Hij nodigt iedereen uit om Geest te zijn in deze wereld, een relatie van mededogen te hebben met alle wezens en hun gezichtspunten, en standpunten die verschillen van de eigen opvattingen of ermee in strijd zijn, als uitdaging te accepteren. Alle individuen zijn omringd door gemeenschappen met bepaalde opvattingen, die verschillende betekenishorizonten creëren. Juist de wisselwerking tussen deze betekenishorizonten verschaft het werelddorp zo’n dynamisch potentieel en is de reden dat een integraal begrip van In-de-wereld-zijn zo essentieel is.
Het proces van onderlinge verstandhouding tussen wezens cultiveren vormt de kern van Wilbers ethiek van de Ander, die hij de fundamentele morele leefregel noemt: het bevorderen van de grootst mogelijke verscheidenheid van wezens. Dat wil zeggen, we moeten respect hebben voor de rijke diversiteit van wezens en hun respectievelijke vermogen  om waar te nemen, te ervaren en zich hun wereld bewust te zijn. Zo erkent Wilbers de goddelijke Vonk in alle wezens, van mieren tot engelen.
Voor Wilber houdt In-de-wereld-zijn het diepe besef in dat zaken zoals ons lichaam, onze relaties en grote kunst allemaal toegang kunnen bieden tot de lichtheid van de heldere, onmetelijke schittering van het Goddelijke.
In-de-wereld-zijn betekent dat niets wordt buitengesloten, dat alles onze transformatie en ontplooiing kan dienen. Hier komen het ongewijde en het gewijde, het wereldse en het spirituele, samen om God compleet te maken.

2.
We vormen eenn integraal deel van één alomvattende evolutionaire stroom die de Geest-in-actie is, de manier waarop en vorm waarin de Geest schept, en die zo altijd verder gaat dan wat voorafging – die niet kruipt maar springt naar nieuwe plateaus van waarheid, om vervolgens weer een sprong te maken, stervend en opnieuw geboren wordend bij elke nieuwe kwantumverschuiving, vaak struikelend en zijn metafysische knieën stotend, maar altijd direct opkrabbelend voor de volgende sprong.
En herinner je je de Schepper van dit Spel? Wanneer je diep in je bewustzijn kijkt, de zelf-samentrekking ontspant, en oplost in de lege grond van je oorspronkelijke ervaring, het eenvoudige gevoel van Zijn – hier en nu – is het dan niet onmiddellijk duidelijk? Was je er niet van meet af aan? Had je niet de hand in alles wat zou volgen? Begon de droom niet op het moment dat het je begon te vervelen God te zijn? Was het niet vermakelijk te verdwalen in de voortbrengsels van je eigen wonderbaarlijke verbeelding, en te doen alsof het zich allemaal buiten je afspeelt? Heb je dit boek, en talloze vergelijkbare, niet geschreven om jezelf er eenvoudig aan te herinneren wie je bent?

Uit: The collected works of Ken Wilber, Up from Eden, p.304