MEDITATIE & POEZIE Juni 2007                                 Print

Als bezinning- en meditatiehulpjes geef ik eerst twee verhaaltjes Beiden hebben uiteraard te maken met ‘weerstand’.

Als meditatietekst citeer ik een knaller van een lang citaat uit het boekje van Andrew Cohen, het ‘Woord vooraf’ door Ken Wilber.
Echt iets om eerst in de weerstand te gaan van het verschieten. Nog eens lezen en nog eens om het in je toe te laten. Absoluut reinigend met de grove borstel. Ik ken geen wasmiddel dat witter wast.

Verhaal 1 : ‘hoe kon jij weten..?’

Toen ik nog in Gent woonde was er niet ver van mijn huis een atelier in een smal straatje. Op een dag dieselde een zware truck het steegje in, centimeters stuurkunst. Op de oplegger lag een grote brok ruwe marmer. De vracht werd er afgetakeld met veel moeite. De massale rots had even de aandacht getrokken van de buurtbewoners, maar lag nu volkomen anoniem midden de werkruimte.
De volgende dagen kon men het aritmische beitelen horen van de beeldhouwer. Een klein nieuwsgierig meisje had haar kopje door de open kier gestoken en zag een bezwete man stukjes steen afslaan van de kolossale brok.
Elke dag sloop het binnen en nestelde zich onzichtbaar op een hoopje jutezakken in een donker hoekje. De man was zó benomen door zijn labeur dat hij haar niet eens opmerkte. Dagen en dagen duurde dit moeizaam dansend ritueel van de man rond de rots. Stilaan werd een vorm geboren. Toen begon hij te schuren en te polieren. Het meisje telde de dagen en er waren veel vingertjes van veel handen voor nodig. Het raakte de tel kwijt.
Eindelijk was het zover, eindelijk wandelde de man traag en glunderend rond het beeld.
Het meisje kwam ook uit haar hoekje en stilletjes naderde ze de beeldhouwer, trok hem aan zijn mouw en vroeg: ‘ Meneer, hoe kon jij weten , toen  de camion die brok bracht, dat daar zo’n schone mevrouw in zat?’

Verhaal 2 : Michelangelo

Er bestaat een legende rond het beeld ‘de Mozes’ van Michelangelo.
Zal ik het jou even vertellen.

Van de toenmalige paus kreeg Michelangelo een bijzondere opdracht. In één van de vele kerken van Rome moest er een imponerend beeld komen van Mozes. Er moest iets vurigs vanuit gaan, het moment weergeven waarop Mozes  nog stralend van zijn ontmoeting met Jahweh de stenen tafelen aan zijn volk toonde. Kracht en mystiek en Leven.
Mozes timmerde een stevige stelling in de kerk rond de brok marmer en werkte dagen en nachten. Soms was hij uitgeput van zijn bezetenheid, sliep dan nauwelijks een paar uur en ging dan weer met een heilig enthoesiasme aan ’t werk.
Het was  alsof hij , net als het volk van Israël in de woestijn, knorde van ontevredenheid, van dorst en hitte en hij vocht met hen. Hij voelde hoe hij geboetseerd werd door Jahweh en in zich heel het morrend volk voelde, hoe hij door die twee werd gemaakt. En die kracht stak hij in steen.
Op een avond, eigenlijk was het al nacht, was het af: zijn Mozes. Hij ging er een eindje af staan en bekeek het met brandende ogen. Was het door het licht van de maan, was het door zijn bezeten blik, dat hij meende dat Mozes bewoog, dat Mozes keek met nog de glorie van Jahweh in zich..?
‘Maar leef dan toch!’, schreeuwde hij en smeet zijn beitel met kracht, verwachting en koleire naar het beeld en trof het in de knie.
Daarom kan je in het beeld, ter hoogte van de knie, een duidelijke gaping zien, de plek waar de beitel de knie trof.

 

3. leestekst ter meditatie

Ken Wilber in het boekje van Andrew Cohen, Levende vrijheid. Gids voor radicale verlichtingdoor een revolutionair  spiritueel leraar. Altamira-Becht, Haarlem, 2002, pp.7 – 12.

‘Woord vooraf.

Onder spirituele leraren vind je hen die veilig, zachtaardig, troostend, geruststellend, zorgzaam zijn; en de schurken, de onuitstaanbare figuren, de onbehouwen kerels en nare meiden van de godverwerkelijking, de mannen en vrouwen die je uitdagen, je verontrusten, je schrik aanjagen tot je radicaal bewust wordt wie en wat je werkelijk bent.
Mag ik een voorstel doen? Kies je leraren zorgvuldig.
Als je bemoediging wil, een lieve glimlach, streling van je ego, vriendelijke stimulering van zelfbeperkend gedrag, schouderklopjes en zoete woorden van troost, ga dan op zoek naar een prettige man of aardige vrouw, en houd zijn of haar hand vast op het aangename pad van stressvermindering en comfort voor het ego. Maar als je verlichting wil, als je wil ontwaken, als je verteerd wil worden door het vuur van gepassioneerde oneindigheid, dan beloof ik je:  zoek een onbehouwen kerel of nare meid, iemand bij wie je je slecht op je gemak voelt, die je doodsbang maakt, die je bliksemsnel aanpakt en belachelijk maakt, die je laat wensen dat je nooit geboren was, die je geen vriendelijke bemoediging brengt, maar diepe ontreddering, geen suikerzoete troost, maar verschroeiende angst, want dan, en alleen dan, zou je wel eens op weg kunnen zijn naar je oorspronkelijke gezicht.

De meesten van ons, ben ik bang, willen graag dat hun leraar van het aardige type is. Zacht, troostrijk, niet-bedreigend, een bron van steun voor een afgetobde en vermoeide ziel, een veilige haven in de storm van  samsara. Daar is natuurlijk niets op tegen; spiritualiteit is er in allerlei smaken en ik heb enkele verschrikkelijk aardige kerels gekend. Maar als die smaak zich op verlichting richt in plaats van op troost, als hij sussende dromen achter zich laat en afstevent op echt ontwaken, als godverwerkelijking het doel is, niet versterking van het ego, dan eist dit een nietsontziend, shockerend sterven: een letterlijke dood van je persoonlijke zelf, een pijnlijk, angstaanjagend, afschuwwekkend oplossen – een wonderbaarlijk uitdoven, waarvan je getuige zult zijn terwijl je groeit in die grenzeloze, vormeloze, radicale waarheid die tot in elke cel van je lichaam doordringt en tot in het diepst van je wezen verzadigt, en dat wat je als jezelf beschouwde, verruimt tot het verre melkwegstelsels omvat. Want alleen aan de andere kant van dit sterven bevindt zich de Geest, alleen aan de andere kant van vernietiging van het ego zijn het goede en het ware en het schone te vinden. ‘Je zult ter zijner tijd inzien dat waar jij ophoudt te bestaan, je ware glorie ligt’, zoals de vermaarde Sri Ramana Maharshi voortdurend benadrukte. Je ware glorie ligt aan de andere kant van je dood, en wie wijzen je daarop?
Niet de aardige kerels en de lieve meiden. Zij willen je niet kwetsen. Zij willen je niet overstuur maken. Zij zijn er om je lieve woordjes in het oor te fluisteren, en in je uitgestoken hand van zelfbeperking een troostprijs te leggen, balsem voor een moegestreden, uitgeput ego, technieken om het overeind te houden in zijn constante gevecht met de wereld van andersheid.
In zekere zin is het heel gemakkelijk om een leraar van het aardige type te zijn: geen tumult, geen opwinding, geen geworstel meer met weerspannige ego’s, geen uitputtende confrontatie. Wees aardig voor het ego, geef het schouderklopjes, laat het zijn ademhalingen tellen, een paar mantra’s neuriën.

Onbehouwen kerels weten wel beter. Ze zijn er niet om te troosten, maar om te verpletteren, niet om gerust te stellen, maar om te slopen. Ze doen geen water bij de wijn, zijn nietsontziend, scherp als een laser. Ze dagen je uit tot je je oorspronkelijk gezicht herkent – en ze laten je gewoon niet met rust, ze weten niet van wijken, ze geven niet op tot je loslaat – radicaal, totaal en zonder aarzeling. Ze zijn mededogen – ècht mededogen, niet het mededogen van een idioot – en het echte mededogen gebruikt vaker een zwaard dan een lekkernij. Ze kwetsen het ego diep (hoe groter de gekwetsheid, des te groter het ego). Ze leven als waarheid, ze worden overal geconfronteerd met ego’s, en ze kiezen nietsontziend voor het eerste.
Fritz Perls, grondlegger van de gestalttherapie, placht te zeggen dat mensen niet naar een therapeut gaan om beter te worden (hoewel ze dat altijd zeggen); ze komen eigenlijk hun neurose perfectioneren. Zo gaan mensen ook niet naar een spirituele leraar om verlicht te worden (hoewel ze beweren dat het wel zo is); ze zoeken een spirituele leraar juist op om subtielere en geraffineerdere egospelletjes te leren spelen – zoals het spel ‘Kijk eens hoe spiritueel ik ben’.
Wat is het per slot van rekening dat je naar een spirituele leraar drijft? Het is niet de geest in je, omdat die al verlicht is en nergens naar hoeft te streven. Nee, het is het ego in je dat je naar een leraar voert: je wil jezelf het spirituele spel zien spelen, je wil jezelf morgen als verwerkelijkt wezen begroeten – eenvoudig gezegd, je wil dat je ego voortbestaat in een spiritueel paradijs.
En wat moet de arme leraar beginnen die met deze listige ego’s wordt geconfronteerd? Iedereen die naar een spirituele leraar gaat, is gemotiveerd vanuit het ego. Leraren kunnen twee dingen doen bij zo’n woeste aanval door het persoonlijke zelf, zo’n conferentie van vernauwing: ze kunnen het publiek ter wille zijn, of ze kunnen het hele gebouw in de lucht laten vliegen.

Andrew Cohen is een onbehouwen kerel. Hij is er niet om troost te schenken; hij is er om je aan ongeveer duizend stukken te scheuren... zodat de oneindigheid je weer in elkaar kan zetten, vrijheid in de plaats kan komen van gevangenschap, volheid angst kan overschaduwen. En dat zal gewoon niet gebeuren als je alleen maar uit bent op troost, geruststellende gebeden of rimpeloze clichés, zoals: ‘ Alles komt wel goed’. Wel, alles komt niet goed als je verlichting wil. In feite komt er ellende, en alleen onbehouwen kerels zijn onbehouwen genoeg om je dat te vertellen en je dat te laten zien – als je de onbehouwenheid kunt verdragen. Stel je bloot aan het vuur, laat je schoon branden tot oneindigheid, straal als de sterren.
Elke diep verlichte leraar die ik heb gekend, was een onbehouwen kerel of een hatelijke meid. De oorspronkelijke onbehouwen kerels waren natuurlijk de grote zenmeesters die, geconfronteerd met het zoveelste ego dat beweerde verlichting te willen, een eind hout pakten en de aspirant recht in het gezicht sloegen. En dat was nog maar het begin,dat was het gemakkelijkste deel; het werd al snel beroerder – maar achter die meedogenloosheid lag altijd de verwerkelijking, een ontzettend, schokkend sterven van het zelf, en de stralende opstanding van oneindige geest als je eigen ware natuur: als je het tenminste aankon. Onbehouwen kerels maken je het zo moeilijk, ze spuwen vuur, eten hete kolen, verschroeien in een krijsende seconde je edele delen, verzengen je ego. Voordat je weet wat je overkomt laat je je zelfbeperkende angst varen en je geraffineerde afweer verdampen: als je het aankunt.
Ik heb leraren van het aardige type vaak horen zeggen hoe onbehouwen Andrew Cohen is, en ik denk: ‘Jullie moesten het eens weten.’ Ik heb vaak horen zeggen dat Andrew lastig is, mensen kwetst, prikkelbaar is, en ik denk:
‘God zij dank.’ Eigenlijk is elke kritiek op Andrew die ik ooit heb gehoord een variatie op :’Hij is erg grof, vindt u niet?’ En ik glimlach de breedste glimlach die je ooit hebt gezien. Zonder de onbehouwen kerels en hatelijke meiden der godverwerkelijking zou de geest in deze vreemde wereld een zeldzame bezoeker zijn.
Andrews tijdschrift What Is Enlightenment? bijvoorbeeld, is het enige mij bekende tijdschrift dat intens, waarachtig en verschrikkelijk grof is: dat wil zeggen, het enige tijdschrift dat de moeilijke vragen stelt, de heilige koeien slacht en zich ongeacht de gevolgen met de waarheid bezighoudt. Het tijdschrift legt precies de grofheid aan de dag die noodzakelijk is om de zelfvoldaanheid vann het ego te verpletteren, een zelfvoldaanheid die misselijk maakt, dom, walgelijk en verstikkend is en verdrinkt in haar eigen zelfvoldaanheid. Je kunt je maar het beste diep gekwetst voelen door Andrew; hij is inderdaad verdomd grof.
Wat denk je, kun je het aan? Of hoor je liever meer vriendelijke woorden van troost, krijg je liever meer troostprijzen voor de verlichting die je blijft ontgaan? Wil je een schouderklopje of ben je bereid je te laten villen en roosteren?
Mag ik het volgende voorstellen?
Als je het aankunt, zul je inderdaad gaan beseffen dat waar jij ophoudt te bestaan, je ware glorie ligt, waar de zelfvernauwing is opgelost in het onmetelijke uitspansel van de totale ruimte, waar je persoonlijke zelf is verbrand en vervangen door luisterrijke oneindigheid – een radicaal loslaten, veel te vanzelfsprekend om te begrijpen, veel te eenvoudig om te geloven, veel te dichtbij om te bereiken – en je ware zelf zal zijn aanwezigheid geruisloos, maar zeker aankondigen, terwijl het kalm het hele universum omvat en complete melkwegstelsels verzwelgt.
Kortom, als je eraan toe bent om je eigen oorspronkelijk gezicht te herkennen, als je in staat bent midden in een laaiend vuur te staan dat je hart doet smelten en ontvankelijk maakt voor de eeuwigheid, zit je hier goed.
Op de volgende bladzijden zul je merken dat Andrew Cohen een onbehouwen kerel is die te werk gaat met nietsontziende integriteit, met een integriteit die blijk geeft van mededogen met je ware zelf en die je ego met een eind hout te lijf gaat. Als je het aankunt, stap dan de ware keuken van je eigen ziel binnen, en ontmoet daar niemand minder dan de stralende God van de hele Kosmos. Want het is de stralende geest die nu uit jouw ogen kijkt, nu met jouw tong spreekt, nu de woorden hier op deze bladzijde leest. Je ware zelf is grootse geest, nu en altijd en er is een zeer, zeer onbehouwen type voor nodig om je daarop te wijzen en je te blijven uitdagen tot je je eigen oorspronkelijk gezicht herkent, dat zelfs hier en nu al schittert.’
Ken Wilber