MEDITATIE & POEZIE maart 2007                                 Print

‘...in mijn praktijk als therapeut ontmoet ik regelmatig een dame van middelbare leeftijd. Ze heeft een zwaar gezin gerund en de relatie met haar man verliep moeilijk. Bij het begin van elke sessie vraag ik al plagend :’Hoe is het met jouw container?’ Ze heeft namelijk ongelooflijk veel opgestapeld in haar huis: knipsels, boeken, agendas speelgoed van haar nu grote kinderen, allerlei herinneringen in welke vorm dan ook. Als ze wil gaan slapen, moet ze over kartonnen dozen heen stappen, haar bed vrijmaken om uiteindelijk tussen de lakens te kruipen.
Het kost haar enorm veel moeite om kamer voor kamer op te ruimen. ‘Ik heb wel een container nodig!’, verzucht ze.
Nog niet zolang geleden zei ze tegen me :’Ik volg geen enkele opleiding of wat dan ook meer, vooraleer mijn huis is opgeruimd. Ik voel dat ik dit moet doen. Ik mòèt opruimen!’

(Uit: Marcel Ploem, Een weg naar binnen, Lannoo, Tielt, 1996, p.55)
                                      

Wellicht kennen we het volgende Zenverhaal.
Er was eens een geleerde Duitse professor die een uitgebreide en diepgaande studie maakte van oosterse godsdiensten. Hij schreef een veeldelig encyclopedisch werk. Het laatste deel zou gaan over zin en de betekenis van Zen.
De geleerde werkte ‘gründlich und punktlich’. Op een dag kreeg hij een lumineus idee. Als hij dé Zen-Grootmeester nu eens persoonlijk zou kunnen ontmoeten en deze grondig bevragen over wat Zen is, zou dat zijn laatste deel zowel een verantwoorde inhoud als standing geven.
Hij schreef dus naar een klooster ergens in Tibet of Nepal en kreeg per kerende post een uitnodiging van de Grootmeester himself terug. De professor was in de wolken, vloog met computer en recorder naar Kathmandu en liep kilometers ver onder begeleiding van kaalgeschoren kindermonninkjes, die als berggeitjes de hellingen opliepen.
Hij werd door de gastenmonnik ontvangen, die hem zijn sobere cel wees. Hij verfriste zich, sliep die nacht als een roos en vol verwachting.
Vroeg in de morgen werd hij ontboden voor het onderhoud. Alles was in gereedheid gebracht voor een theeceremonie. De professor was in zijn nopjes. De Meester, een innemende zachte man, schonk als gastheer zelf de thee uit. Hij straalde iets mysterieus, mystieks uit.
Was de Meester verstrooid of had hij gevast dan wel had hij een nacht gewaakt in meditatie? In alle geval, toen het kopje vol was, bleef hij gieten. En toen ook nog het bordje overliep op de rieten tafel, kon de Duitse professor zich niet langer inhouden en zei haastig maar voorzichtig :’Meester, Meester, het kopje is vol en loopt over!’
‘O?, zei de Meester. ‘O ja... Wat was de reden ook weer van uw komst?’
‘Zen-Meester, ik kwam U interviewen over de diepere betekenis van Zen.’
‘Precies,’ zei de Meester, ‘hoe  kan ik U vertellen wat Zen is. Uw kopje is vol en loopt over. Er kan niets meer bij in uw hoofd.’
De professor is met lege handen teruggevlogen.

(Uit: Marcel Ploem,Een weg naar binnen, Tielt, Lannoo, 1996, p.56-57)

 

Poëzie

Eigenlijk

Eigenlijk
was het nog niet zo’n slechte gewoonte
vroeger
die jaarlijkse grote poets.
Opruimen
van het oude, voorbije, onbruikbare.
Leegmaken,
plaatsmaken voor het nieuwe,
lente, opstaan,
het opgeleefde laten doodgaan.
Tot in de kleinste hoekjes
wegwassen wat was,
het kruiperige stof,
wegspoelen
wat we in verborgen plekjes
hebben gemoffeld.
Stapelaars zijn we
van aard,
hamsters en schaduwmensen.
Overvloedig water gutsen
zodat we weer open door vensters zien
doorgang krijgen
naar wat het wezenlijk is.
Zingend en dansend
gooien we potten en pannen
door de ramen
en op de markt
zetten we een brandstapel op
voor alle heksen en trollen
die in onze holen en gaten wonen.
Dan lopen we als nieuwe naakte kinderen
naar zee
en zwemmen naar de overkant
joelend van deugd!

Marcel Ploem

 

 

Zomers zit ik te terrassen
en kijk en kijk.
De wereld komt voorbijgewandeld:
de leugenaar
de bochelaar
de kreupele, blinde,
huichelaar
de snoever
het schrikbewind
de kruiper...
een eindeloze stoet.
De vollebolle aarde
schijnt wel een kaas met gaten
en niet zo prachtig af.

Zo zit ik daar te zonnen
tot, als in een heldere flits,
ik al die ronde gaten
heet spîegelend in mezelf ontmoet.

Marcel Ploem


Eén

Één
er is maar Eén
één is zichzelf genoeg

twee
twee is geboorte
twee mist de ander
twee is een ploeg

drie
drie is vol-doende
drie draagt zichzelf
drie is totaal

vier
vier is ruimte
vier breidt uit
vier is een taal

vijf
vijf is openbaring
vijf stelt zich open
vijf elementen
      mannen
      maagden
      broden
vijf feestelijke zinnen
vijf is het huwelijk
van buiten en vanbinnen

Marcel Ploem