MEDITATIE oktober 2008                                 Print

Deze keer twee gedichten. Ze ontstonden in de paar dagen dat ik met deze maandbrief bezig was.

kompas

de nevels hangen laag vandaag
en trekken traag
zo viltig uitgesponnen
ze weven zich het landschap in.

schor gakken ganzen hier en daar
ze zoeken steun in stilte.
pijnbomen punten piekerig zwart
vermolmde palen in de nacht.

zo is er nergens een houvast
behalve ’t eigen innerlijk kompas
dat zon en zin bezielt
aan leven dat er altijd was.

marcel ploem

 

geboren

ik ben uit sterren geboren
duizenden lichtjaren oud
ssst! geeneen die het mag horen
twaalf goden en  godinnen
waren mijn wieg en het zaad
met zulke geheimen weet niemand raad
wat liefde en licht verzinnen
wordt zuiver en eeuwig goud

ik ben god

toen werd ik plots zot
ik werd uit wat aarde geboren
een kort mensleven jong
hallo! iedereen kan het horen
een vrouw en een man
zijn nu mijn schoot en het zaad
wie weet hoe dit kan?
hij die dit wonder bedong
uit aarde een godlijke daad.

marcel ploem

 

En een tekst uit het boek Report to Greco van Nikos Kazantzakis:

‘ Een gigantische ademtocht blaast door hemel en aarde en in onze harten en in het hart van elk levend wezen, een gigantische schreeuw die wij God noemen. Het plantenleven wenste zijn bewegingloze slaap voort te zetten naast de stille wateren, maar midden in dit Leven sprong de schreeuw op en schokte gewelddadig zijn wortelen: ‘Weg van hier, rijt de aarde open en schudt ze van je af, wandel!’ Als de boom in staat zou geweest zijn om te denken en te oordelen dan zou hij geroepen hebben: ‘Dat wil ik niet. Waar drijf je me toe! Je vraagt me het onmogelijke!’ Maar de Schreeuw, zonder enig mededogen, ging voort te schokken aan de wortelen en te roepen: Weg, rijt de aarde open en schudt ze van je af, loop!’ Zo tijdens duizenden eonen ging dit geschreeuw voort, en o wonder, als een uitkomst van verlangen en strijd ontsnapte het leven aan de bewegingloze boom en werd bevrijd. En er kwamen dieren – wormen – die het zich behaaglijk maakten in water en modder.

‘We hebben het hier fijn’ zegden ze. ‘We hebben vrede en veiligheid; laten we ons koest houden!’
Maar de verschrikkelijke Schreeuw hamerde zichzelf meedogenloos in hun lenden. ‘Verlaat het moor, sta op, doe het betere in jullie geboren worden!’
‘Maar dat willen wij niet! Dat kunnen wij niet!’
‘Dat kan je niet, maar ik kan het. Sta op!’
En zie! Weer na duizenden eonen kwam de mens te voorschijn, bevend op zijn nog steeds onvaste benen. Het menselijk wezen is een kentaur; zijn paardenhoeven zijn geplant in de grond, maar zijn lijf van borst tot hoofd wordt bewerkt en gekweld door de onbarmhartige Schreeuw. En weer heeft hij gevochten, opnieuw tijdens duizenden eonen, om zichzelf als een zwaard los te trekken uit de dierlijke schede. En nu gaat dit gevecht door – dit is dan de nieuwe strijd – om zichzelf weg te drijven uit deze menselijke schede. En in wanhoop roept de mens: Waar kan ik heen? Ik heb toch ’t hoogste punt bereikt, daarachter is de afgrond’. En de Schreeuw antwoordt: ‘Daarachter, dat ben ik. Sta op!’ Alle dingen zijn kentauren. Als dat niet het geval zou zijn, dan zou de wereld rotten in onbeweeglijkheid en onvruchtbaarheid.