MEDITATIE April 2009                                 Print

Meditatie

‘Het verlangen naar macht is het onkruid dat groeit op het braakliggend terrein van een leeg hoofd.’
Ayn Rand

De radicaalste radicalist is na de revolutie een conservatief.
De meest sceptische scepticus is te weinig scepticus om sceptisch te zijn voor zijn eigen scepticisme.

Verhaal

Er was eens een kolibrietje. Het was één en al kleur. Zijn vleugeltjes bewogen in een razendsnelle trilling. Het had een fijne lange bek. Met een plezierig gemak parkeerde het zich fladderend vòòr elke bloem of bloempje en diepte met zijn snavel tot in het hart van elke geurende kroon om er het zoete uit te puren. Handig, snel, overal in en uit. Het was een lieve lust om het bezig te zien. Er was ook een arend. Echt machtig in zijn statige verenpak. Majestueus van adel. Zijn ogen grote zwarte diamanten, streng, efficiënt en precies. Zijn klauwen onverbiddelijk, vast en scherp. Zijn enorme vleugelslag breed en krachtig. Zijn val pijlsnel en accuraat.

Ja, zei de kolibri, zò zou ik willen zijn: een adelaar. Vanaf zò hoog zou ik de ganse wereld kunnen zien, op de toppen van de bergen regeren over alles onder mij. Ik zou machtig zijn en dodelijk in mijn greep. Ja, zei de adelaar, zò zou ik willen zijn, zoals de kolibri. Zo levendig, trillend en lief, zò kortbij al het kleine en fijne. Ik zou mijn bek overal nieuwsgierig kunnen insteken. Ik zou elke vibratie van planten, dieren en mensen opvangen. Overal zou ik aanwezig zijn.

En zo gewenst, zo gebeurde het.

Het kolibrietje vloog héél hoog, veel hoger en gewaagder nog dan de leeuwerik. Het werd euforisch van die duizelingwekkende hoogte en die grenzeloze ruimte. High. Het voelde zich zo ijl in het kopje en een tikkeltje verlicht, dacht het. Wie zò hoog leeft is te verpletterend om kortbij de dingen te leven. Dat is mijn energie niet, dacht het. Tegelijkertijd was de adelaar pijlsnel naar beneden gedoken. Toen hij neerstreek vernietigde hij door zijn brede vleugels een heel bed bloemen. Zijn landing was katastrofaal. Alle insecten gingen in paniek op de vlucht en alle kelkjes en trompetjes sloten angstig hun luikjes. Zijn komst leek wel een zonsverduistering. Alles was vreemd stil. Hij voelde of hoorde weinig of niets. Hij merkte dat zijn zintuigen en zijn ziel niet afgestemd waren op het kleine en broze. ‘Dit is mijn wereld niet, dacht hij, dit is mijn eigen energie niet.’

Hij wilde net weer opstijgen toe de kolibri, trillend over gans zijn lijfje, holderdebolder uit de hemel viel.
‘Hemeltje, zei het, ik ben stoned van die ijle lucht daarboven. Blij dat ik terug ben.’
‘Hallo’, zei de adelaar met zware stem. Het was alles wat hij eruit kreeg.
Het was een hele tijd stil.
‘Weet je, zei de kolibri voorzichtig, we kunnen ook blijven wat en waar ieder ons thuis hoort.
We zouden onze talenten kunnen samenleggen. Jij ziet de grote dingen, zet ze in hun samenhang met het geheel. Jij hebt een totaalzicht.
Ik kan zorgen voor het vlakbije, de dingen invullen met kleur, alles vruchtbaar maken door van bloem naar bloem te vliegen.’
‘Je hebt gelijk, zei de adelaar. Laten we afspreken om elkaar dikwijls te ontmoeten en onze ervaringen uit te wisselen.’

En toen fladderde het kolibrietje en steeg de adelaar op met een groot gezoef, elk naar zijn eigen plaats.

Marcel Ploem