MEDITATIE December 2009                                 Print

1° Lees de tekst Joh. 17 – 21 eens door vanuit dat gezamenlijke zijnsperspectief. Niet dus vanuit een oecumenische gedachte, zoals men vroeger deed. Doe het eens echt anders.
‘Dat allen één mogen zijn, gelijk gij, Vader (oorsprong van alles en de volmaakt ene) het zijt met mij en ik met U. Dat ze één mogen zijn in ons……En de straling die gij mij gegeven hebt, heb ik ook aan hen gegeven, opdat ze één zouden zijn, zoals wij één zijn. Moge ze volmaakte éénheid bezitten…’

2° Je kent wellicht wel de inhoud van de beroemde Tsjandogya Upanisjad. Het is het verhaal van de jonge leerling die onderricht wordt door de heer Leraar. Eén van de leringen is dat hij de leerling een vrucht laat brengen van de Nyagrodhaboom. Hij laat die door de leerling opensplijten.’Wat zie je?’ ‘Heel kleine zaden.’ Hij laat hem zo’n minuscuul zaadje opensplijten. ‘Wat zie je?’ ‘Helemaal niets’ zegt de leerling. Precies door de leerling te laten gaan over elke grens, door hem alle vormen te laten loslaten, doet hij de leerling het essentiële zien, het wezen, de grondbasis die niet te zien is. Zien als er niets meer (van vorm) te zien is.
Hetzelfde laat hij doen met zout dat opgelost is in water.

Uiteindelijk besluit hij deze les met: Zoals men een man met geblinddoekte ogen zou kunnen wegvoeren uit het land der Ghandharas en hem dan loslaten in een onbewoonde streek en zoals die zich daar zou keren hetzij naar het oosten, hetzij naar het noorden of het zuiden, omdat hij weggevoerd was, geblinddoekt en losgelaten, geblinddoekt. En zoals, wanneer iemand hem zou bevrijden van zijn blinddoek en zeggen: ‘ In die richting zijn de Gandharas, ga in die richting’, hij met oordeel zijn weg zou vragen van dorp tot dorp en daarover ingelicht, thuis zou komen bij de Gandharas, zo weet iemand, op aarde hier, die een leraar gevonden heeft: ‘ik hoor hier enkel zolang ik niet bevrijd ben. Dan zal ik thuis komen.’