MEDITATIE & POEZIE december2006                                 Print


Optelrijm

Een in vier, vier in een

Meditatie



...doordat God de Tegenkrachten
           heeft geschapen,
heeft Hij zichzelf gedwongen
           zijn diepste Wezen
op nog andere wijze te openbaren
           dan Hij het zonder had kunnen doen.

                              Friedrich Benesch

Optelrijm

God.
Wie of wat is God?
Een woord.
‘God’ is een woord.
Wat is dat voor een woord
dat zich niet zeggen laat.
Het is meer de stilte rond het woord.

Ik gebruik dat woord voor wat.
Wat zeg ik als ik ‘God’ zeg.
Een leeg woord?
Leegte.
Is God als leegte bruikbaar
om iets uit te drukken
van volheid
van mij, van wie.
Zeg ik volheid als ik leegte zeg?

Ik zeg iets over een beeld in mij.
Is God  een beeld in mij?
Tussen alle beelden, alle vormen,
alle gedachten
ontsnapt God aan elk beeld.
In elk beeld houd ik God gevangen
en word ik gevangene van mijn beeld.

Wat is dat voor een beeld
dat beeldloos is,
dat zich niet vormen laat?
God krijg ik niet te pakken
in lijnen.
God is niet af  te lijnen,
niet-omlijnd.
Grenzeloos.
Nergens is het.
Toch overal
ligt het in alles aan de wortel,
groeit mee.
Er is geen einde aan.
Wat is dat wat geen begin heeft,
wat was vòòr alles
en wat nooit eindigt?

Waar moet ik God dan zoeken
als ik het vinden wil?
In de zingende verten van de kosmos
in handen en voeten die mij nader zijn
in de duizelingwekkende dans van materie
hemelvaart
hellevaart
meeduikelen in het zwart gat van het bestaan?

Als ik God wil ontmoeten:
zeg ik hier dan is het ook daar
zeg ik vader dan mis ik de moeder
zeg ik de naaf dan mis ik het wiel
zeg ik vriend waar is dan de vreemde
vertoef ik in een oase
dan omringt mij de woestijn
uit de leegte ontstaat de volheid
zeg ik man dan mis ik de vrouw
neergang van de zon is opgang van de maan
zeg ik schepper dan mis ik de leegte
zeg ik Jezus dan mis ik de Boeddha
zie ik mezelf dan mis ik de ander.

Alles is verbinding met alles.
Het Ene is onontkoombaar.

Is God een vraag,
wie is dan het antwoord.
Is God het antwoord
wat was dan de vraag.

Nooit zal een woord
nooit zal een beeld
geen begin geen einde.

Zelfs in mijn zoekend zwijgen
zelfs in mijn ademloze stilte
is het
niet aanwijsbaar aanwezig.
Uit het niets licht het op
duizende gezichten.
In het niets
lost het op
zonder spoor.

Marcel Ploem


EEN IN VIER, VIER IN EEN

Alleen dat geluid.Hoor!
één aanhoudende basale klank
vanuit de buik van de kosmos
gezongen door tienduizend, onzichtbaar,
geroffeld door tienduizend trommels
de oerklank
donderend door het duister.

Hoor, hoe het in u davert
hoe het in de aarde trilt
hoe het zich opricht uit de Chaos,
de leemte, de klei
de moeder der tienduizend dingen.

Hoor, hoe het worstelend zoekt
hoe het wringend wroetend wordt geboren
hoe het zich een weg zoekt naar het Woord.

Alleen dat geluid:
de oerklank van het Al.

Alleen het duister.
Donkerte overal over de oerklank.
nergens een vorm
geen spoor, geen teken
geen kras of streep.
Alleen het pure donker.
Grommende kolkenkokende klank
totaal omvangen en omhuld in donkerte.

Geen enkel oog is open en ziet.
Geen enkele vorm is daar en toont zich.
Nergens niemand niets.
Het Al is nog niet-iets, ongeboren.

Voel het schokken
de siddering van begeerte naar geboorte
voel je de weeën van verlangen
de kracht die opstaat om de vliezen
van het duister te scheuren
om zich te openbaren: het heilige der heilige.

Wat zal er uit het donker geboren worden?
Heb jij een naam voor het onbenoembare?
Hoe zullen we het noemen het naamloze?

Adem Geest Zoon Dochter
Licht of Liefde
of kortweg God ?

Zal ooit een naam kunnen vertellen
wat er gebeurde
toen de oerklank zich splitste
en als sneeuwvlokken zich uitwaaierde
in muziek en woord?

Was iemand van ons erbij, in den beginne,
bij dit oergevecht tussen zoemende oerstilte
en de eerste klare klank?
toen het eerste licht boven de horizon verscheen
zachtrood, oranjegrijs met nevels blauw:
wat deden toen je nog gesloten ogen
bij deze zonnige zoen?

Ging toen de wereld open
toen duizenden en duizenden vormen oplichtten?
Werd je van blindheid toen genezen.
Kijk, ze waren daar en daar
toen Gods Geest in een siddering over hen waaide
als Licht, miljarden vormen,
zelf tintelend, zelf vibrerend.
Zie je hoe goed het was
hoe het onovertrefbaar zichtbaar werd!

Geen kort gevecht
tussen stilte en woord
tussen duister en licht,
maar het langzame  koesteren
van alle leven dat ontstaat
zoals zaad in de aarde
en een mens in een schoot.
Miljoenen lichtjaren van goddelijke begeerte
vóór het in ons geboren wordt.

En de rode Aarde werd vlees.
Ze droeg gul het leven tot aan haar uiteinden.
Soepel was ze, kneedbaar, kronkelde zich speels en botte open
uit een hoorn van overvloed.
Als broer en zus waren ze onafscheidelijk verbonden,
net een tweeling: Aarde en Water.
O wat was ze sierlijk!
golvend als lange haren over een vrouwenrug,
overal nieuwsgierig in en uit,
kabbelend en klaterend en nooit moe.
Zò zuiver, helder, sprankelend:
voor alles een spiegel
genadig voor wie zich wassen wil en weten en kennen het eigen beeld.
Speelser nog, stoeiend en jagend, botsend en brekend, loeiend
en soms zacht als een zomerse streling
is er de prinselijke Wind, de koninklijke Lucht.

Wie kan hem grijpen? Wie kent er zijn paleis?
Zoek in het Noorden: hij is er.
In het Zuiden: men vindt hem daar.
In het Oosten: het is zijn thuis.
In het Westen: hij is er aanwezig.
Luchtiger, lichter dan alles.
Toch is hij zwaarder dan wat ook als men hem missen moet.
Hij is de onbeschreven ruimte.
Elk merkbaar spoor wordt uitgewist.
Hij is mijn Adem en mijn denken.
Hij is mijn links en rechts, mijn onder en boven.
Lucht is mijn ruimte.

Toen, aan zijn horizon ging de zon op.
Niemand was erbij die eerste keer.
Niemand zag het.
Het was er eerst.
O Vuur!
dansend vuur
dansende heiligheid
heilige beweeglijkheid
goddelijk meesterwerk!
Deze gloed is gloeiend,
allesovertreffend.
Al het oude wordt versmolten.
Al het nieuwe ontstaat uit zijn as.
Wonder van warmte en tederheid.
Waanzin van brand en begeerte.

Aarde, Water, Lucht
in één
goddelijk Vuur.

Niemand was er toen ze ontstonden.
Niemand zal er meer zijn
als ze zich terugvinden en versmelten
in Een.

Wie deze tocht gaat van één naar vier,
van vier naar één,
die is niet meer, die is vergrind als aarde
uitgegoten als water
geademd als lucht
verast in vuur.

                                     marcel ploem

MEDITATIE

Twee zonen, twee wegen

Je kent het verhaal wel van ‘de verloren zoon’.
Of moet ik het toch even in herinnering brengen?

Er is een huis en een vader. Die had twee zonen.
Goede vader. Hield van zijn kinderen.
Rijke vader. Ze hadden niets tekort. Vader zat er warmpjes in.
Hij had een fortuin.

Stel je voor. Op een dag komt de jongste met de arrogante vraag:
‘Paps, geef me mijn deel.’
Met pijn in het hart, minder om het geld dan wel om het afscheid van
zijn benjamien en diens onzekere toekomst, geeft de vader wat de jongen toekomt.
De jongeman trekt het huis uit en de onbekende wereld in.
Onervaren als hij is jaagt hij zijn centjes er vlug door, verbrast zijn vermogen(s) bij de vrouwen en wellicht elders.
Zo gaat dat.
Hij leeft met grote sier tot hij allerlei klust. Overlevingsklusjes, zelfs het hoeden van varkens.
Bij een ploert van een werkgever blijkbaar, want hij krijgt niet eens de zwijnendraf.
Met de rug en zijn verstand tegen de varkenshokken, depri en totaal verkommerd, herinnert hij zich het warme ouderlijke nest en zijn warme paps.
Hij komt tot inkeer en strompelt, met de staart tussen zijn benen, huiswaarts.
De vader, die elke dag met de hand boven zijn ogen op de uitkijk stond, ziet hem aankomen.
Dolblij natuurlijk.
Hij laat een mals kalfje slachten, laat de zoon zich douchen en nieuwe kleren aantrekken, ring aan de vinger. Enfin,, terug zijn zoon, want zijn zoon is terug.
‘Hij was verloren en is teruggevonden’. Feest!

De man had twee zonen. Effe vergeten.
Wat gebeurde er met de oudste? Die was braaf bij de papa gebleven.
No risks.
Knorde omdat zijn broer, die alles verlapt had, was teruggekeerd en bovendien nog een party kreeg.
Piet Knorpot, die tweede.

Zoals gewoonlijk wil ik dit verhaal hertalen.
Iets minder braaf en in de geest van ons maandthema: zee van mogelijkheden.


De vader is symbool van oerbegin, oorsprong, het Al.
Eén en al liefde en zorg. Met een ontzaglijk fortuin: zee van mogelijkheden.
Twee zonen. Twee mogelijkheden dus. Twee polen: beeld van dualiteit.
De oudste is de conservatief. De bewaarder. Hij die alles vastlegt.
Zit geen beweging in de man. Verandert niet.
De jongste is de rebel Het stromende leven. Hij die onderneemt.
Beweeglijk. Dynamisch.
En hij vraagt zijn deel. Deel in de relatie vader-zoon is de vrijheid,
zijn eigen weg mogen gaan.
Wie zelf ooit vader, ouder, is geweest, weet dat deze vrijheid het echte deel is
dat zonen en dochters opeisen.
Wat ze er mee doen: een mens-vader en mens-moeder houden hun hart vast, maar ze laten het leven leven, laten hun kinderen los. Uw kinderen zijn uw kinderen niet (K.Gibran).

Nou, zoontje lief maakte er een knoeiboel van. Gevolg van multiple choice.
Vrijheid is keuze. Keuze is zoeken: goed en kwaad, sparen en verkwisten, rijk en blut.
Koning en bedelaar.
Wat maakt een mens niet door? Wat slikt hij niet aan impulsen!
Het leven dat leeft. Tot hij een keuze maakt voor het volle:
de oorsprong, het Al.
De oudste maakt geen keuze. Hij kruipt in de brave bestendigende symbiose van zijn vader.
Er is niets feestelijks aan die kerel. Maar het is zijn keuze, een andere.
Knorpot, klaagzaag zijn ook eigen keuzes.
Ik heb het er, eerlijk gezegd, wat moeilijk mee om hem in mijn armen te sluiten. Maar hij kan er nog wel bij. Hij ook zit in die zee.

Tips

Niet moeilijk zeker? Situeer jezelf ergens. Voel of je kan loslaten, kiezen.
Eigenlijk zijn we dus zelf die twee zonen (of dochters). Twee wegen.
Ja, altijd maar die verdomde zee van mogelijkheden, die oneindige keuze en vrijheid,
Dit onontkoombaar goddelijke.
Ben je d’er blij mee?